Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU2122

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-10-2011
Datum publicatie
28-10-2011
Zaaknummer
AWB 11/776
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 11/776 11 oktober 2011

11201 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

A, te B, verzoekster,

tegen

de staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. J.H. Verheul-Verkaik, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Bij besluit van 15 september 2011 heeft verweerder verzoekster een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van artikel 36, eerste en derde lid, artikel 37 en 38 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) en artikel 3, derde lid, artikel 4, eerste, derde, vierde en vijfde lid, artikel 5, tweede en vierde lid en artikel 6, eerste lid van het Besluit welzijn productiedieren. Daarbij heeft verweerder verzoekster gelast de in het besluit vermelde maatregelen, vijftien in totaal, voor 20 september 2011 uit te voeren.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 28 september 2011 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 3 oktober 2011 heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen.

Bij brief van 5 oktober 2011 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend. Op 6 oktober 2011 heeft verzoekster nadere stukken ingediend.

Het verzoek is behandeld ter zitting op 7 oktober 2011. Verzoekster is verschenen. Voor verzoekster zijn voorts verschenen C, D en E. Verweerder is verschenen bij gemachtigde. Voor verweerder zijn voorts verschenen drs. F, toezichthoudend dierenarts bij de nieuwe Voedsel en Warenautoriteit (hierna: nVWA), G, werkzaam bij verweerder, H en I, beiden werkzaam bij de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID).

2. De beoordeling van het geschil

2.1 De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalt - voor zover hier van belang - het volgende:

"Artikel 5:21

Onder last onder bestuursdwang wordt verstaan: de herstelsanctie, inhoudende:

a. een last tot geheel of gedeeltelijk herstel van de overtreding, en

b. de bevoegdheid van het bestuursorgaan om de last door feitelijk handelen ten uitvoer te leggen, indien de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd.

(…)

Artikel 5:24

1. De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.

2. De last onder bestuursdwang vermeldt de termijn waarbinnen zij moet worden uitgevoerd.

3. De last onder bestuursdwang wordt bekend gemaakt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de aanvrager.

Artikel 5:25

1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze kosten redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

(…)

Artikel 5:29

1. Voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vergt, kan het bestuursorgaan zaken meevoeren en opslaan.

2. Het bestuursorgaan doet van het meevoeren en opslaan proces-verbaal opmaken. Een afschrift van het proces-verbaal wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had.

3. Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende.

4. Het bestuursorgaan kan de teruggave opschorten totdat de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten zijn voldaan."

De Gwd bepaalt - voor zover hier van belang - het volgende:

"Artikel 36

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

(…)

3. Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.

Artikel 37

Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.

Artikel 38

Bij algemene maatregel van bestuur worden voor bij die maatregel aangewezen categorieën van houders van dieren van bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren regelen gesteld omtrent de verzorging, voedering, drenking, behandeling en het africhten van dieren.

(…)

Artikel 106

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen."

Het Besluit welzijn productiedieren bepaalt - voor zover hier van belang - het volgende:

"Artikel 3

(…)

3. Een dier wordt, indien het niet in een gebouw wordt gehouden, beschermd tegen slechte weersomstandigheden, roofdieren en gezondheidsrisico’s.

Artikel 4

1. Een dier wordt verzorgd door een voldoende aantal personen, dat:

a. beschikt over de nodige kennis;

b. beschikt over de nodige vaardigheden, en

c. vakbekwaam is.

(…)

3. Een dier dat ziek of gewond lijkt, wordt onmiddellijk op passende wijze verzorgd. Wanneer die zorg geen verbetering in de toestand van het dier brengt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd.

4. Een dier krijgt een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voeder zodat het in goede gezondheid blijft en aan zijn voedingsbehoeften wordt voldaan.

5. Het toegediende voeder en drinken alsmede de wijze van toediening brengen het dier geen onnodig lijden of letsel toe.

(…)

Artikel 5

(…)

2. Een ziek of gewond dier wordt zo nodig afgezonderd in een passend onderkomen. Het onderkomen bestaat zo nodig uit droog strooisel.

(…)

4. Behuizing en inrichtingen voor de beschutting van een dier zijn zodanig geconstrueerd en verkeren in een zodanige staat van onderhoud dat er geen scherpe randen of uitsteeksels zijn die het dier kunnen verwonden.

(…)

Artikel 6

1. Onverminderd het bepaalde bij of krachtens de Diergeneesmiddelenwet wordt door de eigenaar of houder van een dier een register bijgehouden van de verstrekte medische zorg en het bij iedere controle geconstateerde aantal sterfgevallen. Dit register wordt drie jaar bewaard."

2.2 Ingevolge het bepaalde in artikel 8:81 Awb in verbinding met artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep, bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2.3 Verweerder heeft bij besluit van 15 september 2011 een last onder bestuursdwang opgelegd wegens overtreding van de in het besluit aangehaalde artikelen van de Gwd en het Besluit welzijn productiedieren. Bij dit besluit heeft verweerder verzoekster gelast voor 20 september 2011 een vijftiental maatregelen uit te voeren op haar boerderij in B. Ter zitting is komen vast te staan dat verweerder op 21 september 2011 7 paarden en 4 honden van verzoekster in beslag heeft genomen. Op 30 september 2011 heeft verweerder 2 schapen, circa 131 geiten, 5 katten en een aantal kippen in beslag genomen. Op 4 oktober 2011 heeft verweerder de overige geiten (circa 28) en schapen (circa 53) en ongeveer 28 runderen in beslag genomen. Daarmee zijn, op een kat en een kip na, alle dieren van het bedrijf verwijderd.

2.4 Het verzoek strekt er toe de in beslag genomen dieren terug te krijgen. Verzoekster is voornemens om de dieren vanuit de boerderij in B voor de winter te exporteren naar haar boerderij in J.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoekster een spoedeisend belang heeft bij het treffen van de gevraagde voorlopige voorziening, omdat de kosten van opvang van de dieren per dag stijgen.

2.5 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder terecht vastgesteld dat verzoekster de in het besluit van 15 september 2011 genoemde overtredingen van de Gwd en het Besluit welzijn productiedieren heeft begaan. Bij controles op 24 en 25 augustus 2011, zoals beschreven in het toezichtrapport van 25 augustus 2011 van de AID en de diergeneeskundige verklaring van 2 september 2011 van dierenarts F, welke bij het besluit van 15 september 2011 zijn gevoegd, is gebleken dat er ten aanzien van de verschillende diersoorten, in wisselende mate en enigszins variërend per diersoort, aanzienlijke problemen waren die betrekking hadden op voeding, huisvesting en de (medische) zorg van de dieren.

Onder meer is, samengevat weergegeven, geconstateerd dat de geiten, schapen en paarden bekapt moeten worden, alsmede dat de kreupele dieren door een dierenarts onderzocht moeten worden, dat de vacht van de geiten en de schapen moet worden ontdaan van vuil- en mestklonters, dat de zieke en vermagerde dieren moeten worden onderzocht door een dierenarts en dat een behandelplan voor deze dieren moet worden opgesteld. Een hengst met ernstig ontstoken bijtwonden en een hengst met neurologische uitvalsverschijnselen dienen door een dierenarts te worden onderzocht en behandeld. Voorts is geconstateerd dat de geiten, schapen, paarden en runderen niet over een, voor het aantal dieren toereikende, schuilplaats beschikken. Evenmin zijn er schone en droge ligplaatsen voor deze dieren. Ook is vastgesteld dat er obstakels en scherpe uitstekende delen zijn in de weide waar de dieren verblijven, die verwijderd moeten worden. Verder is geconstateerd dat de runderen, schapen en geiten niet altijd over een toereikende hoeveelheid voldoende voer kunnen beschikken, dat op een adequate wijze wordt aangeboden. De dieren liggen namelijk in het voedsel en bevuilen dit met urine en ontlasting. De meeste geiten en enkele schapen zijn ondervoed en vermagerd.

Ten aanzien van de honden is geconstateerd dat zij niet kunnen beschikken over een schone en droge ligplaats, dat de vacht niet is verzorgd, en dat één hond een stuk prikkeldraad aan zijn staart heeft. Voorts zijn de honden niet gesocialiseerd en emotioneel verwaarloosd. Ten aanzien van de katten is geconstateerd dat deze onder de luis en mijten zitten. De kippen zitten onder de bloedluis.

Daarnaast is geconstateerd dat de dieren niet worden verzorgd door personen die beschikken over de nodige kennis en vaardigheid en die vakbekwaam zijn. Voorts ontbreekt een registratie van sterfgevallen en van medische zorg die aan de dieren is verleend.

2.6 Verzoekster heeft de bevindingen, zoals neergelegd in genoemd toezichtrapport en diergeneeskundige verklaring, niet voldoende weersproken. De overgelegde verklaring van de dierenarts K van 4 oktober 2011 is in algemene bewoordingen opgesteld en doet geen afbreuk aan de bevindingen tijdens de controles op 24 en 25 augustus 2011 door I, H en F, die in voormelde rapportages gedetailleerd zijn beschreven. Verzoekster heeft zich met name op het standpunt gesteld dat verweerder in haar geval een onjuiste interpretatie hanteert van de terzake relevante wettelijke bepalingen van de Gwd en het Besluit welzijn productiedieren. Verweerder heeft namelijk niet dan wel onvoldoende rekening gehouden met het feit dat verzoekster de dieren op een zo natuurlijk mogelijk wijze wenst te houden, dat wil zeggen het jaarrond buiten leven in natuurlijk kuddeverband in grote gebieden.

Dit leidt de voorzieningenrechter evenwel niet tot een ander oordeel. Immers, de normen in de Gwd en het Besluit welzijn productiedieren zijn op de inrichting van het bedrijf en de dieren van toepassing. De visie van verzoekster op de natuurlijke wijze van houden van dieren neemt niet weg dat een groot aantal, doorgaans ernstige overtredingen van deze normen ten aanzien van de geiten, schapen, runderen en paarden zijn geconstateerd. De overtredingen ten aanzien van de honden, katten en kippen, alsmede de vakbekwaamheid en de medische registratie hebben bovendien met deze visie van verzoekster niets van doen.

2.7 Gelet op het voorgaande is er voldoende grond voor het oordeel dat verzoekster de in het besluit vermelde bepalingen van de Gwd en het Besluit welzijn productiedieren heeft overtreden. Hieruit volgt dat verweerder de bevoegdheid toekwam om op grond van artikel 106 Gwd handhavend op te treden.

2.8 De voorzieningenrechter is voorts van oordeel dat niet viel te verwachten dat de overtredingen op korte termijn zouden worden beëindigd. Immers, vast staat dat verzoekster op 25 augustus 2011 zowel telefonisch als per e-mail van de bevindingen, zoals deze blijken uit het toezichtrapport en de diergeneeskundige verklaring, op de hoogte is gesteld, terwijl niet is gebleken dat verzoekster de in de diergeneeskundige verklaring beschreven noodzakelijke diergeneeskundige handelingen en verzorging van de dieren heeft uitgevoerd. Verzoekster heeft slechts de medische verzorging van een aantal dieren ter hand genomen, maar aan het overgrote deel van de noodzakelijke maatregelen was op 20 september 2011, volgens de verklaring van verweerder ter zitting, welke niet is weersproken door verzoekster, geen (begin van) uitvoering gegeven. Ook nadien, bij de controlebezoeken op 30 september 2011 en 3 oktober 2011, is niet gebleken dat de aangezegde maatregelen waren uitgevoerd.

Verweerder heeft dan ook terecht geconcludeerd dat geen concreet zicht op verbetering van de situatie viel te verwachten, zodat het opleggen van een last onder bestuursdwang gerechtvaardigd was.

2.9 Hoewel de in de last gegeven termijn om de maatregelen uit te voeren kort is, namelijk van 15 september 2011 tot 20 september 2011, was verzoekster van de bevindingen en de noodzakelijke maatregelen reeds op 25 augustus 2011 op de hoogte gesteld. Bovendien heeft verzoekster niet gesteld dat zij meer tijd nodig had om alle maatregelen, zoals die nadien bij het besluit zijn aangezegd, uit te voeren. Onder deze omstandigheden is de voorzieningenrechter van oordeel dat de termijn van vijf dagen redelijk is, waarbij mede in aanmerking wordt genomen dat de situatie van een groot aantal dieren vroeg om een spoedige verzorging en/of medische behandeling. Nu, zoals in 2.8 overwogen, de situatie na 20 september 2011 niet of nauwelijks was verbeterd, heeft verweerder voorts na de controlebezoeken over kunnen gaan tot inbeslagname van de dieren van verzoekster.

2.10 Nu naar voorlopig oordeel sprake is van rechtmatige toepassing van bestuursdwang, kan verweerder zich met recht beroepen op artikel 5:29, vierde lid, Awb.

2.11 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen dient het verzoek te worden afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. P.M. Beishuizen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 oktober 2011.

w.g. E. Dijt w.g. P.M. Beishuizen