Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BU1750

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-10-2011
Datum publicatie
26-10-2011
Zaaknummer
AWB 09/1110
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht, geen schending plicht van objectiviteit, klachten onvoldoende gesubstantieerd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1110 6 oktober 2011

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te 's-Gravenhage (hierna: raad van tucht), gewezen op 22 juni 2009,

gemachtigde: C.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 23 juni 2009, heeft de raad van tucht appellant een afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, bij brief van 7 oktober 2008 door appellant ingediend tegen D RA (hierna: betrokkene).

Bij een op 21 augustus 2009 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 6 oktober 2009 de op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 11 november 2009 heeft betrokkene zijn reactie op het beroepschrift gegeven.

Bij brief van 25 november 2009 heeft appellant daarop gereageerd.

Op 21 juni 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij zijn verschenen appellant en zijn gemachtigde, alsmede betrokkene en zijn gemachtigde mr. J.F. Garvelink, advocaat de Amsterdam.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden beslissing heeft de raad van tucht de klacht van appellant in beide onderdelen ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden beslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Tegen de weergave van de klacht door de raad van tucht is geen grief gericht, zodat ook het College van die weergave van de klacht zal uitgaan.

3.2 De raad van tucht heeft klachtonderdeel A ongegrond verklaard omdat niet gebleken is dat de objectiviteit van betrokkene is bedreigd of aangetast. Hij heeft daartoe samengevat overwogen dat appellant voor zijn overtuiging dat betrokkene vanaf zeker moment is opgetreden als adviseur van E en diens belang heeft behartigd geen bewijs heeft geleverd en er geen enkele aanwijzing is dat betrokkene kortere of langere tijd heeft gefungeerd als adviseur van uitsluitend E. Ten aanzien van de declaratiepost “overleg Venlo inzake impasse” en de overige in geding zijnde declaraties heeft de raad van tucht, mede gelet op de door betrokkene gegeven toelichting op de periode waarop het gedeclareerde betrekking heeft, geoordeeld dat zij geen bewijs bieden voor de stelling van appellant.

3.3 Klachtonderdeel B heeft betrekking op een e-mail van 28 april 2008 van betrokkene aan E, waarin betrokkene weergeeft hetgeen zijns inziens is besproken tijdens een bijeenkomst op 10 januari 2008. De raad van tucht heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat betrokkene een bewust onware weergave heeft gegeven van dat gesprek, behalve dat de e-mail in zoverre niet klopt dat F niet bij het gesprek van 10 januari 2008 aanwezig was, zoals betrokkene ook heeft erkend.

3.4 In beroep stelt appellant - samengevat weergegeven – ten aanzien van de beoordeling van klachtonderdeel A dat de raad van tucht te gemakkelijk heeft aangenomen dat collega-accountant G na 2 november 2007 niet meer is opgetreden als adviseur van E. G heeft na die datum nog uren gedeclareerd. Daarnaast heeft betrokkene bij email van 20 december 2007 een eerste concept van een compromisovereenkomst van de hand van G doorgezonden. Weliswaar werkte G na 1 oktober 2007 niet meer in vast dienstverband voor Deloitte, maar nog wel op free lance-basis. G was aandeelhouder van J en had er dus belang bij had dat de waardebepaling van Uitzendbureau H zo laag mogelijk en van Tegelzettersbedrijf H zo hoog mogelijk werd vastgesteld. Betrokkene heeft het Tegelzettersbedrijf gewaardeerd op

€ 300.000,--, terwijl GIBO accountancy het enkele maanden later op € 76.000,-- waardeerde. Tot slot blijkt uit een declaratie van 27 maart 2008 aan de H groep dat betrokkene gesprekken met E heeft gevoerd.

3.5 Ten aanzien van klachtonderdeel B bestrijdt appellant dat betrokkene in zijn email van 28 april 2008 “onbewust” heeft vermeld dat F bij het gesprek op 10 januari 2008 aanwezig was. Hij stelt dat E in het verslag reden heeft gezien een kort geding tegen hem aan te spannen. De vermelding dat F aanwezig was, bood E de mogelijkheid appellant onder druk te zetten.

3.6 Bij de beoordeling van het beroep stelt het College voorop dat het in beginsel op de weg van de klager is om zijn klacht te substantiëren door deze voldoende te motiveren en met bewijs te onderbouwen.

3.7 Ook naar het oordeel van het College is niet komen vast te staan dat betrokkene enig tuchtrechtelijk verwijt treft. Het College maakt de overwegingen van de raad van tucht geheel tot de zijne en voegt daar naar aanleiding van hetgeen in beroep naar voren is gebracht, nog het volgende aan toe.

Betrokkene heeft aan de hand van een declaratieformulier over week 44 van 2007 inzichtelijk gemaakt dat G inzake H slechts uren die zijn gemaakt op 1 en 2 november 2007 - toen hij zijn opdracht nog niet had neergelegd - heeft gefactureerd. Appellant heeft geen feiten in het geding gebracht welke staven dat G na 2 november 2007 nog werkzaamheden heeft verricht. De beroepsgrond faalt.

Betreffende de email van 20 december 2007 heeft betrokkene verklaard dat hij die email van G zonder commentaar heeft doorgestuurd naar de heer I, de adviseur van appellant. Appellant heeft niet betwist dat I een geheel nieuwe overeenkomst heeft opgesteld. Het College vermag daarom niet in te zien hoe de objectiviteit van betrokkene door het doorsturen van de email in het geding zou zijn gekomen.

De stelling van appellant dat betrokkene Tegelzettersbedrijf H heeft gewaardeerd op € 300.000 mist feitelijke grondslag. Betrokkene heeft geen waardering voor het tegelzettersbedrijf opgesteld.

Over de factuur van 27 maart 2007 heeft betrokkene aangevoerd dat hij, zoals appellant bekend was, accountant was van de vennootschap en als zodanig betrokken bij het tot stand komen van de jaarrekening 2007 en bij de verkoop van de activiteiten in Tegelen. Betrokkene heeft in dat kader besprekingen met E gevoerd. Betrokkene stelt dat hij voorafgaand aan het tot stand komen van de overeenkomst geen besprekingen met alleen E heeft gevoerd omtrent de splitsing van de activiteiten van H en de discussie tussen A en E. Het College stelt vast dat appellant geen feiten heeft aangevoerd die het standpunt van betrokkene weerspreken. Ook deze grond treft geen doel.

De raad van tucht heeft geoordeeld dat niet is vast komen te staan dat betrokkene in zijn email van 28 april 2008 een bewust onware verklaring heeft afgelegd. Appellant heeft in beroep geen feiten of omstandigheden aangevoerd op grond waarvan dit oordeel onjuist zou zijn. Ook deze grond faalt.

3.8 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep zal worden verworpen.

3.9 De hierna vermelde beslissing op het beroep berust op titel II van de Wet RA, zoals deze luidde vóór 1 mei 2009.

4. De beslissing

Het College:

verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. W.A.J. van Lierop, mr. M. van Duuren en mr. G.P. Kleijn in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2011.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. M.A. Voskamp