Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BT7618

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
04-10-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
AWB 09/701
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Geen tijdsverloop, klacht 3 jaar na gewraakte handelingen ingediend. Geen bijzondere omstandigheden. Uitbreiding van klacht ter zitting rvt niet toegestaan. Doordat handelingen van medewerker van betrokkene niet laakbaar zijn ook geen tuchtrechtelijke verantwoordelijkheid voor betrokken AA.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/701 4 oktober 2011

20110 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

1. A, te B,

2. C, te D,

appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 9 maart 2009, met kenmerk A 358.

gemachtigde: mr. F. H. Elema, advocaat te Assen.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 9 maart 2009, heeft de raad van tucht appellanten afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 5 maart 2008 door appellanten ingediend tegen E AA (hierna: betrokkene).

Bij een op 8 mei 2009 ingediend beroepschrift hebben appellanten tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 19 mei 2009 op de zaak betrekking hebbende stukken doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 20 juli 2009 heeft betrokkene een reactie op het beroepschrift ingediend.

Op 10 februari 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant sub 2 is in persoon verschenen, bijgestaan door de gemachtigde van appellanten. Betrokkene is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. A.C. van Campen, advocaat te Uden. Voorts is verschenen F, medewerker van betrokkene.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak gehecht is en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Betrokkene heeft in beroep zijn verweer gehandhaafd dat appellanten onaanvaardbaar lang hebben gewacht met het indienen van de klacht zodat een inhoudelijke beoordeling van de klacht vanwege tijdsverloop achterwege had moeten blijven.

Het College overweegt hieromtrent als volgt.

Appellanten hebben op 5 maart 2008 de klacht ingediend. De klacht ziet op de gedragingen van betrokkene in de periode van februari tot en met mei 2005.

Het College stelt, gelet hierop, vast dat de klacht is ingediend binnen de in artikel 19 van de Gedrags- en Beroepsregels Accountants-Administratieconsulenten (hierna: GBAA) bedoelde bewaartermijn van zeven jaar. Volgens vaste jurisprudentie van het College (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 7 april 2011, AWB 09/965; www.rechtspraak.nl,

LJN: BQ0801) geldt in dat geval als uitgangspunt dat de klacht inhoudelijk moet worden behandeld. Dit lijdt slechts uitzondering als sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan moet worden geoordeeld dat het vertrouwensbeginsel of rechtszekerheidsbeginsel alsnog aan een inhoudelijke behandeling van een binnen die termijn ingediende klacht in de weg zou staan.

Aangezien naar het oordeel van het College niet is gebleken van dergelijke bijzondere omstandigheden, faalt het verweer van betrokkene en komt het College toe aan beoordeling van de grieven van appellanten.

3.2 Appellanten hebben één algemene en drie specifieke grieven aangevoerd tegen het oordeel van de raad van tucht.

De algemene grief strekt ertoe dat het College de bestreden tuchtbeslissing zal vernietigen en de zaak in volle omvang zal beoordelen en al hetgeen appellanten in eerste aanleg hebben gesteld en overgelegd als letterlijk herhaald en ingelast zal beschouwen.

Het College overweegt dat de grief geen argumenten bevat waarom appellanten de bestreden tuchtbeslissing of onderdelen daarvan onjuist achten. Voor zover aan de grief al zelfstandige betekenis zou moeten worden toegedicht, faalt zij dan ook.

3.3 De eerste specifieke grief betreft het verwijt van appellanten dat betrokkene geen (enkele vorm van) collegiaal overleg heeft gevoerd met G AA (hierna: G AA), de vorige accountant van H (hierna: H), terwijl dit overleg op grond van artikel 31 GBAA zonder meer was geboden.

Betrokkene heeft hiertegen aangevoerd dat dit verwijt geen onderdeel uitmaakt van de oorspronkelijke klacht en dat deze grief reeds hierom niet kan slagen.

Het College overweegt hieromtrent als volgt.

De weergave van de klacht in de bestreden beslissing is een letterlijke weergave van een alinea uit het klaagschrift dat door appellanten bij de raad van tucht is ingediend. De klacht, aldus geformuleerd, bevat geen uitdrukkelijk verwijt terzake van het niet voeren van het voorgeschreven collegiaal overleg. De verwijzing in het klaagschrift naar bijlagen zonder precisering van een specifiek verwijt kan niet tot gevolg hebben dat de klacht ruimer moet worden geïnterpreteerd. Ook latere toezending van stukken aan de raad van tucht, zoals met name de brief van G AA en een faxbericht van diens kantoor, hebben hoewel zij door de raad van tucht in het dossier zijn gevoegd, niet tot gevolg dat de initieel geformuleerde klacht wordt uitgebreid of ruimer moet worden geïnterpreteerd, omdat uit de begeleidende brief niet blijkt dat dit de bedoeling van appellanten was. Ter zitting van de raad van tucht hebben appellanten het niet voeren van collegiaal overleg uitdrukkelijk aan de orde gesteld. De beginselen van een behoorlijke tuchtprocedure, waaronder het verdedigingsbeginsel, staan er in beginsel aan in de weg dat jegens de accountant gerezen bezwaren die voor het eerst ter zitting worden geuit in de beoordeling worden betrokken (zie onder meer de uitspraken van het College van 31 januari 2006, AWB 04/418; www.rechtspraak.nl, LJN: AV2113 en 25 oktober 2001, AWB 00/61 en 00/72, LJN: AD4959). De raad van tucht heeft het verwijt terzake van het niet voeren van voorgeschreven collegiaal overleg niet in de beoordeling betrokken. Dit is niet onjuist.

In beroep bestaat niet de mogelijkheid de klacht zoals die aan de raad van tucht is voorgelegd uit te breiden zodat het in de eerste grief tot uitdrukking gebrachte bezwaar niet door het College kan worden beoordeeld.

De eerste grief faalt derhalve.

3.4 De tweede specifieke grief betreft het handelen van betrokkene tijdens de gesprekken respectievelijk onderhandelingen met appellanten. Appellanten verwijten betrokkene, onder meer, dat hij met de door hem verstrekte gegevens geen waarheidsgetrouw beeld heeft gegeven van de (waarde van de door hen) aan te kopen onderneming. Volgens appellanten had betrokkene hun zodanige informatie moeten verstrekken dat zij op hoofdlijnen een juiste voorstelling van zaken zouden hebben inzake de cijfers van deze onderneming.

Het College stelt vast dat betrokkene en zijn kantoorgenoot F (hierna: F) adviseur waren van de verkopende partij H en niet als adviseur van appellanten optraden. Voorts is ter zitting duidelijk geworden dat niet betrokkene, maar de mede onder zijn verantwoordelijkheid werkende medewerker F deze gesprekken en onderhandelingen met appellanten heeft bijgewoond.

F heeft op verzoek van zijn opdrachtgever H stukken, inhoudende financiële gegevens, verzonden aan appellanten. Naar het oordeel van het College was F niet gehouden meer informatie te verstrekken dan hij in dit geval heeft gedaan en hebben appellanten niet aannemelijk gemaakt dat F minder heeft gedaan dan van hem, gelet op zijn rol als adviseur van H, verwacht kon worden. Nu gelet hierop geen sprake is van een te maken verwijt aan het adres van F, valt evenmin in te zien dat betrokkene ten aanzien van deze gedragingen een tuchtrechtelijk verwijt zou kunnen worden gemaakt.

Appellanten hebben in hun beroepschrift aangeboden de heer G AA en de heer I als getuige te horen, maar hebben nagelaten te vermelden van welke voor de beoordeling van het beroep relevante feiten zij bewijs zouden kunnen bijbrengen. Aangezien het College ook zelf niet inziet welke bijdrage het horen van deze getuigen aan de beoordeling van het beroep zou kunnen leveren, wordt het bewijsaanbod gepasseerd.

Deze grief faalt derhalve.

3.5 Tot slot hebben appellanten een specifieke grief gericht tegen de ongegrondverklaring door de raad van tucht van het klachtonderdeel dat ziet op de wijze van beantwoorden van de brief van (de gemachtigde van) appellanten van 26 oktober 2007 door F.

Het College ziet geen enkele aanleiding aan te nemen dat de beantwoording door F, bij brief van 15 november 2007, in strijd zou zijn met enige tuchtrechtelijk te handhaven regel. Het College neemt hierbij in aanmerking dat betrokkene geen opdrachtnemer van appellanten was en voorts dat niet is gebleken dat hij was betrokken bij de transactie die de aanleiding vormde voor deze vragen. Desgevraagd hebben appellanten ter zitting evenmin kunnen aangeven met welke gedragsregel deze gedraging strijdig zou zijn. Gelet hierop valt niet in te zien dat betrokkene ter zake hiervan enig tuchtrechtelijk verwijt valt te maken.

Deze grief faalt derhalve eveneens.

3.6 Het vorenoverwogene leidt tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen.

3.7 Na te melden beslissing op het beroep berust op Titel IV van de Wet AA, zoals deze luidde tot 1 mei 2009, op de GBAA en op de Verordening gedragscode (VGC), voor zover het gaat om gedragingen van betrokkene van na 1 januari 2007.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. E. Dijt en mr. M.A. Fierstra in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2011.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. L.C. Bannink