Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BT7616

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-09-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
AWB 10/73
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/73 29 september 2011

14910 Wet personenvervoer 2000

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: C, medevennoot in de vennootschap onder firma D,

tegen

de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (voorheen de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat), verweerder,

gemachtigde: mr. M.B. Gschwind, werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 17 januari 2010, bij het College binnengekomen op 20 januari 2010, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 december 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen een besluit van 8 september 2009 tot afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk gegrond verklaard en hem een schadevergoeding toegekend van € 876,39.

Bij brief van 2 maart 2010 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 april 2010 heeft het College van verweerder een nader schrijven van appellant aan de gemachtigde van verweerder ontvangen.

Bij brief van 11 januari 2011 heeft appellant nader gereageerd.

Op 14 april 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft, als vennoot van D, op 8 februari 2006 een aanvraag voor een vergunning voor het verrichten van taxivervoer ingediend, samen met zijn vennoot.

- Deze aanvraag is bij besluit van 26 juni 2006 afgewezen.

- Bij besluit van 6 november 2006 heeft verweerder het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

- Het hiertegen gerichte beroep heeft het College bij uitspraak van 20 september 2007 (AWB 06/910; <www.rechtspraak.nl>, LJN: BB5254) gegrond verklaard. Het College heeft daarbij het besluit van 6 november 2006 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

- Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van D beslist en bij besluit van 17 december 2007 dit bezwaar wederom ongegrond verklaard.

- Het hiertegen gerichte beroep heeft het College bij uitspraak van 16 december 2008 (AWB 08/19; <www.rechtspraak.nl>, LJN: BG9585) gegrond verklaard. Het College heeft daarbij het besluit van 17 december 2007 vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard en de beslissing van 26 juni 2006 tot weigering van de vergunning herroepen.

- Appellant heeft naar aanleiding van deze uitspraak op 5 februari 2009 aan verweerder verzocht om vergoeding van de door appellant geleden schade over de jaren 2006 en 2007.

- Bij brief van 8 juni 2009 heeft appellant bij het College beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om schadevergoeding. Het College heeft deze brief op 3 september 2009 ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden aan verweerder.

- Bij besluit van 8 september 2009 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 september 2009 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 17 december 2009 (hierna: bestreden besluit) op het bezwaar beslist.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de periode waarover eventueel aanspraak bestaat op vergoeding van schade als gevolg van de afgewezen aanvraag voor een taxivergunning terecht is vastgesteld op de periode van 26 juni 2006 tot 20 september 2007, gelet op het feit dat de afwijzing van de vergunningsaanvraag heeft plaatsgevonden op 26 juni 2006 en het College in de uitspraak van 20 september 2007 heeft aangegeven dat appellant geen belang meer heeft bij het toekennen van de gevraagde vergunning.

Vervolgens heeft verweerder overwogen dat het naar zijn mening voor de hand ligt om wat betreft de hoogte van eventueel geleden materiële schade vast te stellen wat over deze periode de bruto-inkomsten uit dienstbetrekking van appellant zijn geweest en dit af te zetten tegen de bruto-inkomsten die hij als zelfstandig taxi-ondernemer in deze zelfde periode zou hebben verkregen als de taxivergunning wel zou zijn verleend. Voor laatstgenoemde inkomsten dienen dan de bruto-inkomsten als zelfstandig taxi-ondernemer uit 2006 als uitgangspunt te worden genomen. Wanneer de werkelijke bruto-inkomsten over deze periode lager blijken te zijn dan de bruto-inkomsten die zouden zijn verkregen als de taxivergunning wel zou zijn verleend, dan komt het verschil tussen deze twee bruto-inkomsten voor vergoeding in aanmerking, aldus verweerder.

Verweerder heeft aan de hand van de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2006 vastgesteld dat appellant als zelfstandig taxi-ondernemer in 2006 een brutowinst heeft behaald van € 7.769,-. Aangezien de onderneming op 30 november 2006 is gestaakt, kunnen de gemiddelde bruto-inkomsten van appellant als zelfstandig taxi-ondernemer over de maanden november en december 2006 worden vastgesteld op € 1.412,55 (€ 7.769,- x 2/11). De bruto-inkomsten van appellant uit dienstbetrekking over de maanden november en december 2006 vallen volgens verweerder niet eenduidig vast te stellen. Uit de overgelegde loonstrook (weeknummer 52) van Adecco blijkt dat de bruto-inkomsten € 2.286,97 bedragen, terwijl op de aangifte inkomstenbelasting van 2006 een bedrag van € 1.667,- wordt genoemd. Beide genoemde bedragen zijn echter hoger dan de bruto-inkomsten die appellant als zelfstandig taxi-ondernemer in de maanden november en december 2006 zou hebben behaald. Verweerder is dan ook van mening dat over de maanden november en december 2006 geen aanspraak bestaat op een schadevergoeding.

Aan de hand van de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2007 van appellant heeft verweerder vastgesteld dat diens bruto-inkomsten uit loondienst in het jaar 2007 € 22.530,- bedroegen. Verweerder heeft reeds vastgesteld dat appellant als zelfstandig taxi-ondernemer in 2006 een brutowinst heeft behaald van € 7.769,-. Aangezien de bruto-inkomsten uit dienstbetrekking van appellant in het jaar 2007 hoger zijn dan de bruto-inkomsten die hij als zelfstandig taxi-ondernemer in 2007 zou hebben verkregen als de taxivergunning verleend zou zijn, is verweerder van mening dat ook over de periode van 1 januari 2007 tot 20 september 2007 geen aanspraak op schadevergoeding bestaat.

De door appellant eveneens gevraagde kostenvergoeding voor de aanvraag van de vergunning, de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de aanvraag van een verklaring omtrent gedrag (totaal € 729,-) komen naar de mening van verweerder wel voor vergoeding in aanmerking. Inclusief wettelijke rente bedraagt het aan appellant uit te betalen bedrag

€ 876,39.

Tot slot is verweerder van mening dat appellant in zijn bezwaarschrift opnieuw niet aannemelijk heeft gemaakt dat door het niet verlenen van de taxivergunning immateriële schade is ontstaan. Daarnaast is het door appellant genoemde bedrag van € 50.000,- wederom op geen enkele wijze onderbouwd dan wel nader gespecificeerd. Het verzoek om immateriële schade is dan ook terecht afgewezen, aldus verweerder.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadeperiode niet eindigt op 20 september 2007, aangezien het aan de handelswijze van verweerder te danken is geweest dat hij geen belangstelling meer had voor de vergunning. Appellant is van mening dat de schade moet worden vergoed tot het moment waarop hij zijn taxibedrijf weer onder dezelfde omstandigheden als zelfstandig ondernemer kon voortzetten. Ter zitting van het College heeft de gemachtigde van appellant verklaard, in aansluiting op hetgeen hij heeft vermeld in zijn verzoek om schadevergoeding van 5 februari 2009, de schadeperiode te willen beperken tot en met 31 december 2007.

Volgens appellant rekent verweerder ten onrechte met bruto bedragen. Op die wijze wordt eraan voorbij gegaan dat met het onmogelijk maken van het werken als zelfstandig taxi-ondernemer ook belastingvoordelen als de zelfstandigenaftrek teniet worden gedaan. Naar de mening van appellant dient daarom te worden uitgegaan van netto bedragen. Dit is de werkelijk geleden schade.

Appellant berekent de te vergoeden schade over de maanden november en december 2006 door de netto-inkomsten die hij als zelfstandig taxi-ondernemer zou hebben verdiend in deze periode (zijnde € 3.081,40) af te zetten tegen de netto-inkomsten uit loondienst over dezelfde periode (zijnde € 1.764,54). Dit komt, inclusief de kosten voor de aanvraag van de vergunning, de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de aanvraag van een bewijs omtrent gedrag, volgens appellant neer op een geleden schade over het jaar 2006 van in totaal € 2.045,86.

De te vergoeden schade over het jaar 2007 berekent appellant door van het bedrag dat hij aan brutoloon wegens werkzaamheden in loondienst over dat jaar heeft ontvangen (zijnde € 22.530,-) de te betalen loonbelasting en premie volksverzekeringen te berekenen die hij zou hebben moeten betalen als hij ditzelfde bedrag als zelfstandig taxi-ondernemer zou hebben verdiend (zijnde € 1.985,17), en dit bedrag af te zetten tegen het bedrag aan in loondienst betaalde loonbelasting en premie volksverzekeringen (zijnde € 5.184,-). Dit komt volgens appellant neer op een verschil en derhalve een schade over het jaar 2007 van in totaal € 3.198,83.

Tot slot is appellant van mening dat door hem geleden immateriële schade moet worden vergoed, omdat hij het bedrijf, waar hij veel energie in had zitten en ook kosten voor heeft gemaakt, achteraf ten onrechte heeft moeten liquideren. Hierdoor is hij niet alleen van zijn broodwinning beroofd maar het heeft hem ook veel spanningen opgeleverd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient de vraag te beantwoorden of verweerder aan appellant een hogere schadevergoeding had dienen toe te kennen dan de thans toegekende € 876,39.

Tussen partijen is niet langer in geschil dat de kosten die appellant heeft gemaakt voor de aanvraag van de vergunning, de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de aanvraag van een verklaring omtrent gedrag van in totaal € 729,- (inclusief wettelijke rente € 876,39) voor vergoeding in aanmerking komen. In geschil is nog of verweerder appellant ook een schadevergoeding had dienen toe te kennen vanwege gederfde inkomsten en voor geleden immateriële schade.

5.2 Tussen partijen is buiten kijf dat verweerder in beginsel gehouden is tot het vergoeden van schade vanwege gederfde inkomsten per de datum waarop de vergunning – naar achteraf is gebleken: ten onrechte – is geweigerd, te weten 26 juni 2006. Appellant is bij de berekening van de door hem gestelde gederfde inkomsten uitgegaan van de maand november 2006 als de eerste maand waarover dergelijke schade zou zijn geleden. Het College zal daarom de door appellant gestelde schade eveneens beoordelen vanaf deze maand.

Verweerder heeft het einde van de periode waarover de schadevergoeding moet worden berekend vastgesteld op 20 september 2007, welke einddatum door appellant wordt betwist. Het College volgt verweerder daarin niet. De door verweerder bedoelde mededeling van de gemachtigde van appellant dat hij geen belang meer had bij het alsnog verlenen van de vergunning, is terug te voeren op de omstandigheden waarin appellant was komen te verkeren naar aanleiding van de onrechtmatige weigering. Daarin ziet het College aanleiding de periode waarover de schadevergoeding moet worden berekend niet, zoals verweerder heeft gedaan, te beperken tot de datum van de uitspraak waarin die bewuste mededeling is neergelegd, te weten 20 september 2007. Het College zal deze periode, gelet op het standpunt van appellant, neergelegd in het verzoek om schadevergoeding en bevestigd ter zitting van het College, door laten lopen tot en met de maand december 2007.

De door het College te beoordelen schadeperiode loopt derhalve van november 2006 tot en met december 2007, zijnde veertien maanden.

5.3 Het College ziet geen aanleiding om, ten behoeve van de vaststelling van het bedrag aan schadevergoeding voor gederfde inkomsten, een andere berekeningswijze te hanteren dan verweerder in het bestreden besluit heeft gehanteerd. Ook het College is van oordeel dat deze schade kan worden begroot op het verschil tussen het inkomen dat appellant in de schadeperiode als zelfstandig taxi-ondernemer zou hebben verdiend als de taxivergunning wel zou zijn verleend, en het werkelijke inkomen uit loondienst in dezelfde periode.

In essentie hanteert appellant over het jaar 2006 ook deze berekeningswijze, zij het dat appellant in algemene zin van mening is dat voor de schadeberekening uit dient te worden gegaan van nettobedragen in plaats van brutobedragen. Het College volgt appellant echter niet in dit standpunt. Daartoe overweegt het College dat de brutobedragen op eenvoudige wijze zijn af te leiden uit de zich in het dossier bevindende stukken, terwijl dat niet geldt voor de door appellant bedoelde nettobedragen. Het omrekenen van deze brutobedragen tot de door appellant gewenste nettobedragen berust bovendien voor een belangrijk deel op aannames, onduidelijkheden en onbekende persoonlijke omstandigheden en leidt in die zin niet tot een heldere vergelijking. Het College zal in het navolgende, bij het vaststellen van de inkomensschade, dan ook uitgaan van het bruto-inkomen van appellant.

Voorts is het College, gelet op het voorgaande, van oordeel dat de berekeningswijze van appellant van de schade over het jaar 2007 onjuist is, aangezien hij daarbij het bruto-inkomen in loondienst over dat jaar als uitgangspunt heeft genomen en vervolgens heeft omgerekend naar het bedrag aan netto-inkomen dat dit bruto-inkomen zou opleveren als hij dat als zelfstandig taxi-ondernemer zou hebben verdiend.

5.4 Anders dan verweerder, gaat het College wat betreft de inkomsten van appellant als zelfstandig taxi-ondernemer over het jaar 2006 uit van de “winst uit onderneming” zoals die is opgenomen in de belastingaangifte over het jaar 2006, en niet van de daarin opgenomen “belastbare winst uit onderneming”. De “winst uit onderneming” ter hoogte van € 15.407,- vormt naar het oordeel van het College het bedrag dat appellant in dat jaar aan bruto-inkomsten heeft behaald als zelfstandig taxi-ondernemer. Van dit bedrag gaat het College bij de navolgende berekeningen uit.

Met appellant en verweerder gaat het College er voorts van uit dat appellant vanaf januari 2006 als zelfstandig taxi-ondernemer heeft gewerkt. Ter zitting van het College is namens appellant verklaard dat hij op 27 oktober 2006 feitelijk is gestopt met het rijden van taxiritten en dat die datum daarom dient te gelden als de datum waarop hij is gestopt met werken als zelfstandig taxi-ondernemer. De datum 30 november 2006, die staat vermeld in de belastingaangifte over 2006 als de datum waarop de onderneming is gestaakt, is slechts een formele datum waarop hij waarschijnlijk is uitgeschreven bij de Kamer van Koophandel, aldus appellant. Dit standpunt komt het College, ook gelet op het ontbreken van gegevens die op een andere uitleg wijzen, niet onaannemelijk voor. Het College stelt de periode waarover appellant als zelfstandig taxi-ondernemer heeft gewerkt, anders dan verweerder, dan ook vast op de periode van januari 2006 tot en met oktober 2006, zijnde tien maanden.

Het voorgaande betekent dat appellant als zelfstandig taxi-ondernemer over het jaar 2006 per maand gemiddeld

€ 1.540,70 aan brutowinst heeft behaald. Het College stelt derhalve vast dat, als de vergunning zou zijn verleend, de brutowinst van appellant over de gehele schadeperiode (zijnde 14 maanden), uitgaande van dit bedrag per maand,

€ 21.569,80 zou hebben bedragen.

5.5 Wat betreft het bruto-inkomen uit loondienst over de schadeperiode gaat het College voor het jaar 2006 uit van het bedrag dat is opgenomen in de belastingaangifte over dat jaar, te weten € 1.667,- (welk bedrag ongeveer overeenkomt met het bedrag op de door appellant overgelegde jaaropgaaf van Adecco). Tussen partijen is niet in geschil dat appellant over het jaar 2007 een bedrag van € 22.530,- aan bruto-inkomen uit loondienst heeft verdiend. Het College stelt derhalve vast dat appellant over de gehele schadeperiode in totaal € 24.197,- aan bruto-inkomen uit loondienst heeft verdiend.

5.6 Het voorgaande leidt het College tot de conclusie dat appellant in loondienst een hoger bruto-inkomen heeft ontvangen dan hij zou hebben behaald als zelfstandig taxi-ondernemer en dat dit verschil € 2.627,20 bedraagt. Dit betekent naar het oordeel van het College dat hij om die reden niet in aanmerking komt voor een schadevergoeding vanwege gederfde inkomsten. Verweerder is in het bestreden besluit tot dezelfde conclusie gekomen, zij het op basis van andere gegevens.

5.7 Ten aanzien van het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade overweegt het College als volgt.

In bepaalde omstandigheden kan aanleiding bestaan om over te gaan tot vergoeding van als gevolg van een onrechtmatig besluit geleden immateriële schade. Het moet dan gaan om ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en/of andere persoonlijkheidsrechten van appellant. Daarvan zal evenwel niet snel sprake zijn.

Het College acht weliswaar aannemelijk dat appellant als gevolg van de weigering de vergunning te verlenen enige spanning heeft ondervonden, maar dit levert op zichzelf geen omstandigheid op die aanleiding zou moeten vormen voor vergoeding van immateriële schade. Appellant heeft verder ook geen (medische) gegevens overgelegd waaruit het College heeft kunnen afleiden dat hij meer dan normale psychische spanningen heeft ondervonden. Het College is dan ook van oordeel dat verweerder het verzoek van appellant om een vergoeding van immateriële schade terecht heeft afgewezen.

5.8 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het College tot de slotsom dat verweerder niet gehouden was aan appellant een hogere schadevergoeding toe te kennen dan € 876,39. Het beroep van appellant zal dan ook ongegrond worden verklaard.

5.9 Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2011.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. P.H. Broier