Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BT7615

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-09-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
AWB 10/128
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Onrechtmatig geweigerde taxivergunningen; verzoek om schadevergoeding; voorzienbaarheid schade als gevolg van weigering onvoldoende aannemelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
O&A 2012/14
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/128 29 september 2011

14910 Wet personenvervoer 2000

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (voorheen de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat), verweerder,

gemachtigde: mr. M.B. Gschwind, werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 9 februari 2010, bij het College binnengekomen op 10 februari 2010, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 8 januari 2010.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren, gericht tegen een besluit van 29 september 2009 tot toekenning van een schadevergoeding ter hoogte van € 1.916,07, ongegrond verklaard.

Bij brief van 8 april 2010 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 11 januari 2011 heeft appellant gereageerd.

Op 14 april 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon is verschenen. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Verweerder heeft op 8 februari 2006 en op 11 april 2006 in totaal vier aanvragen voor vergunningen voor het verrichten van taxivervoer ontvangen van vier verschillende vennootschappen onder firma (te weten C, D, E en F) waarin appellant medevennoot is.

- Deze aanvragen zijn bij besluiten van 26 juni 2006 afgewezen.

- Bij besluiten van 6 november 2006 heeft verweerder de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

- De hiertegen gerichte beroepen van drie van de vier genoemde vennootschappen heeft het College bij uitspraak van 20 september 2007 (AWB 06/910, www.rechtspraak.nl, LJN: BB5254) gegrond verklaard. Het College heeft daarbij de besluiten van 6 november 2006 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op de bezwaren te beslissen.

- Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder opnieuw op de bezwaren beslist en bij besluiten van 17 december 2007 deze bezwaren wederom ongegrond verklaard.

- De hiertegen gerichte beroepen heeft het College bij uitspraak van 16 december 2008 (AWB 08/19, www.rechtspraak.nl, LJN: BG9585) gegrond verklaard. Het College heeft daarbij de besluiten van 17 december 2007 vernietigd, de bezwaren gegrond verklaard en de beslissingen tot weigering van de vergunningen van 26 juni 2006 voor C, D en E herroepen.

- Appellant heeft naar aanleiding van deze uitspraak op 10 augustus 2009 verzocht om schadevergoeding.

- Bij besluit van 29 september 2009 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk toegewezen en appellant € 1.916,07 toegekend.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 14 oktober 2009 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 8 januari 2010 (hierna: bestreden besluit) op het bezwaar beslist.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat appellant met het door hem toegezonden cijfermatig overzicht zijn standpunten, zoals de stelling dat er in drie jaar tijd ongeveer 500 vennootschappen tot stand zouden zijn gekomen met appellant als vakbekwame vennoot, onvoldoende heeft aangetoond. Appellant gaat volgens verweerder uit van schattingen en verwachtingen die hij niet nader kan onderbouwen en hard maken.

Voorts heeft verweerder overwogen dat appellant niet zelf de legeskosten heeft betaald, zodat die kosten niet aan hem hoeven te worden vergoed. De kosten die wel aan hem zijn vergoed hebben betrekking op het bedrag van drie maal

€ 600,- voor de inbreng van zijn vakbekwaamheid in de drie vennootschappen over de periode van 26 juni 2006 tot 20 september 2007. Dit bedrag is aan appellant toegekend, alhoewel uit de uitspraak van het College van 16 december 2008 naar voren komt dat hij slechts bij het maken van winst aanspraak zou hebben kunnen maken op deze € 600,- . Het bedrag van € 116,07 betreft de wettelijke rente over de hiervoor genoemde periode. Voor het overige is verweerder niet gebleken van andere aantoonbare kosten die door appellant zijn gemaakt in verband met de aanvraag van de vergunningen. Tegen de weigering van de vierde vergunningaanvraag is geen beroep ingesteld, zodat deze weigering in stand is gebleven.

Ook is volgens verweerder niet onomstotelijk vast komen te staan dat het niet handhaven van de aanvragen het gevolg is van de vertraging die de bestreden besluiten hebben veroorzaakt in de realisering van de door appellant voorgenomen bedrijfsuitoefening. Het komt regelmatig voor dat bezwaar- en beroepsprocedures worden gevoerd tegen het niet verlenen van een vergunning, maar de vertraging die hierdoor ontstaat voor de aanvrager leidt er niet steeds toe dat aanvragen niet meer gehandhaafd worden, aldus verweerder.

Met betrekking tot de immateriële schade die appellant stelt te hebben geleden, is verweerder van mening dat niet bij voorbaat vaststaat dat de door appellant bedachte constructie hem er financieel weer bovenop had kunnen helpen. Dit hangt van meerdere factoren af, zoals de vraag of deze constructie in de praktijk een succes wordt, of er winst wordt gemaakt en welke ontwikkelingen zich voordoen in de taxibranche. Dat appellant nu van een minimuminkomen moet rondkomen is niet aan verweerder te wijten. Appellant is zelf vakbekwaam en hij had ook zelf een taxivergunning kunnen aanvragen. Zijn stelling dat hij immateriële schade heeft geleden is onvoldoende onderbouwd, aldus verweerder.

Aan zijn stelling dat hij imagoschade heeft geleden, verbindt appellant voorts geen bedrag. Verweerder is van mening dat imagoschade als een vorm van immateriële schade moet worden gezien en verwijst dan ook naar hetgeen daaromtrent is gesteld. Dat het opzetten van deze kleine taxicentrale niet is gelukt vanwege gebrek aan vertrouwen in appellant, aangezien zijn pogingen om vennootschappen te vormen op niets waren uitgelopen, is door appellant niet verder onderbouwd.

Gelet op het voorgaande is verweerder van mening dat zowel de materiële als de immateriële schade die appellant stelt te hebben geleden door hem onvoldoende met bewijzen zijn onderbouwd c.q. aangetoond. Verweerder ziet daarom geen reden voor het uitkeren van een hogere schadevergoeding dan het bedrag dat aan appellent bij het besluit van 29 september 2009 is toegekend.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft aangevoerd dat door middel van de door hem overgelegde “kerncijfers taxivervoer” van het sociaal fonds is aangetoond dat er in Amsterdam al meer dan 1343 ondernemers waren die voor een vennootschap in aanmerking kwamen. Volgens appellant gaat het dan alleen nog maar om de geregistreerde ondernemers. Bovendien woont een groot deel van de in Amsterdam opererende ondernemers elders en staat dus daar ingeschreven. Naar schatting van appellant is het aantal werkelijk geïnteresseerde ondernemers ergens tussen de 2000 en 3000. Het lijdt dan ook geen twijfel dat er een grote vraag was naar dergelijke vennootschappen. Appellant stelt dan ook redelijkerwijs te hebben aangetoond dat bij een adequate en correcte vergunningverlening met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid gezegd mag worden dat in drie jaar tijd een groot deel van de markt door hem bediend had kunnen worden. Een getal van 500 vennootschappen met appellant als vakbekwame vennoot is volgens appellant zeker geen onredelijk aantal.

Appellant had voorts geen belangstelling meer voor de vergunning, omdat met het afwijzen daarvan het gras voor zijn voeten was weggemaaid. De ondernemers gaan in zee met personen waarvan de aanvraag wordt toegekend en haken af als eerst nog een gerechtelijke procedure van een aantal jaren moet worden gevoerd. Bovendien heeft verweerder in gelijke situaties wel vergunningen verleend aan anderen, terwijl die voor appellant werden geweigerd. Onder die omstandigheden gaat niemand meer met hem in zee, aldus appellant. Appellant wijst ook op paragraaf 5.3 van de uitspraak van het College van 20 september 2007.

Naar de mening van appellant had de door hem bedachte constructie hem er financieel weer helemaal bovenop kunnen helpen. Hij moet nu al sinds 2006 van een minimuminkomen rondkomen, terwijl hij een redelijk inkomen had kunnen hebben. Daardoor alleen al zou de kwaliteit van zijn leven behoorlijk zijn verbeterd. Om die reden dient hem een immateriële schadevergoeding te worden toegekend, aldus appellant.

Tot slot stelt appellant ook dat hij imagoschade heeft geleden, omdat er vanwege zijn eerdere pogingen vennootschappen te vormen geen vertrouwen meer is in zijn persoon. Hierdoor is hij niet alleen zakelijk, maar ook emotioneel geschaad.

Appellant verzoekt dan ook de schadeloosstelling als door hem verzocht toe te kennen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient de vraag te beantwoorden of verweerder een hogere schadevergoeding aan appellant had dienen toe te kennen dat het bedrag van € 1.916,07. Daartoe overweegt het College als volgt.

5.2 In het geval van een verzoek om vergoeding van als gevolg van een onrechtmatig besluit geleden vermogensschade ligt het op de weg van de verzoeker de omvang van de geleden schade te onderbouwen of op zijn minst aannemelijk te maken. Het moet daarbij gaan om schade die in zodanig verband staat met het vernietigde besluit dat zij verweerder, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend.

Vast staat dat appellant vier vennootschappen onder firma (te weten C, D, E en F) heeft opgericht waarin hij medevennoot was en waarvoor hij – indien sprake zou zijn van winst – een winstvergoeding van € 600,- per jaar zou krijgen. Voorts is met de reeds genoemde uitspraak van het College van 16 december 2008 vast komen te staan dat de vergunningen voor drie van deze vennootschappen (te weten C, D en E) ten onrechte zijn geweigerd. Aangezien de weigering van de vergunning voor de vierde vennootschap (te weten F) niet in beroep is aangevochten en derhalve rechtens vast is komen te staan, is verweerder bij het bepalen van de hoogte van de schadevergoeding naar het oordeel van het College terecht uitgegaan van niet alle vier maar slechts drie vennootschappen onder firma.

Appellant stelt zich voorts op het standpunt dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van alleen de daadwerkelijk opgerichte vennootschappen onder firma. Het aantal van dergelijke vennootschappen waarin hij als winstgerechtigde medevennoot zou hebben kunnen deelnemen als de vergunningen in eerste instantie wel zouden zijn verleend, zou volgens appellant immers beduidend hoger zijn geweest dan de vier die hij daadwerkelijk heeft opgericht. Mitsdien was volgens appellant hier een beduidend hogere schadevergoeding op haar plaats.

Het College heeft in het dossier onvoldoende aanknopingspunten gevonden waarmee het standpunt van appellant kan worden onderbouwd dan wel aannemelijk gemaakt. Uit geen enkel stuk blijkt dat appellant concrete voornemens had om, naast de genoemde vier vennootschappen onder firma, nog meer vennootschappen op te richten met andere taxichauffeurs of dat ook andere taxichauffeurs daarin interesse hadden getoond. Ter zitting van het College heeft appellant desgevraagd verklaard dat hij geen bewijzen kan overleggen waaruit zou blijken dat dit het geval was. Voor het College is daarom onvoldoende aannemelijk gemaakt dat toentertijd sprake was van zodanig concrete en vergevorderde plannen van appellant dat er van moet worden uitgegaan dat hij, door de onrechtmatige weigering van de drie taxivergunningen, zijn voorzienbare deelname als winstgerechtigde medevennoot in meer vennootschappen is misgelopen. Alhoewel het niet geheel uitgesloten is dat appellant aan meer vennootschappen deel zou hebben kunnen nemen als winstgerechtigde medevennoot, is het College met verweerder van oordeel dat appellant zijn louter op persoonlijke aannames en schattingen gebaseerde verwachtingen daaromtrent onvoldoende concreet en derhalve onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt om daarop de toekenning van schadevergoeding te kunnen baseren.

Gelet hierop kan het standpunt van appellant niet leiden tot toekenning van een hogere materiële schadevergoeding.

5.3 Het College overweegt dat in bepaalde omstandigheden aanleiding kan bestaan om over te gaan tot vergoeding van als gevolg van een onrechtmatig besluit geleden immateriële schade. Het moet dan gaan om ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en/of andere persoonlijkheidsrechten van appellant. Daarvan zal evenwel niet snel sprake zijn.

De omstandigheid dat een ondernemer als appellant (ernstig) uit zijn evenwicht raakt door een onrechtmatige beslissing op een voor hem van belang zijnde vergunningsaanvraag, levert op zichzelf niet een omstandigheid op die grondslag kan vormen voor een vergoeding van immateriële schade. Evenmin is daarvoor voldoende dat door deze onrechtmatige beslissing enige spanningen of frustraties worden ondervonden. In de door appellant aangedragen gegevens heeft het College geen steun gevonden voor het oordeel dat appellant meer dan normale psychische spanningen heeft ondervonden. Dat in dit geval bijkomende omstandigheden tot een andere conclusie zouden moeten leiden, is door appellant onvoldoende onderbouwd dan wel aannemelijk gemaakt.

Appellant heeft voorts zijn standpunt dat hij imagoschade heeft geleden niet onderbouwd of anderszins aannemelijk gemaakt.

Het College is dan ook van oordeel dat verweerder het verzoek van appellant om een vergoeding van immateriële schade terecht heeft afgewezen.

5.4 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen, komt het College tot de slotsom dat verweerder niet gehouden was een hogere schadevergoeding aan appellant toe te kennen dan het reeds toegekende bedrag van € 1.916,07. Het beroep van appellant slaagt dan ook niet en zal om die reden ongegrond worden verklaard.

5.5 Voor een veroordeling in de proceskosten of een vergoeding van het griffierecht bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2011.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. P.H. Broier