Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BT7608

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-09-2011
Datum publicatie
14-10-2011
Zaaknummer
AWB 10/74
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Verzoek om schadevergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/74 29 september 2011

14910 Wet personenvervoer 2000

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: C, medevennoot in de vennootschap onder firma C,

tegen

de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu (voorheen de Staatssecretaris van Verkeer en Waterstaat), verweerder,

gemachtigde: mr. M.B. Gschwind, werkzaam bij het Ministerie van Infrastructuur en Milieu.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 17 januari 2010, bij het College binnengekomen op 20 januari 2010, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 17 december 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen een besluit van 8 september 2009 tot afwijzing van zijn verzoek om schadevergoeding gedeeltelijk gegrond verklaard en hem een schadevergoeding toegekend van € 1.462,84.

Bij brief van 2 maart 2010 heeft verweerder de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 9 april 2010 heeft het College van verweerder een nader schrijven van appellant aan de gemachtigde van verweerder ontvangen.

Op 14 april 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is niet verschenen, maar heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft, als vennoot van C, op 8 februari 2006 een aanvraag voor een vergunning voor het verrichten van taxivervoer ingediend, samen met zijn vennoot.

- Deze aanvraag is bij besluit van 26 juni 2006 afgewezen.

- Bij besluit van 6 november 2006 heeft verweerder het tegen dit besluit gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

- Het hiertegen gerichte beroep heeft het College bij uitspraak van 20 september 2007 (AWB 06/910, www.rechtspraak.nl, LJN BB5254) gegrond verklaard. Het College heeft daarbij het besluit van 6 november 2006 vernietigd en verweerder opgedragen opnieuw op het bezwaar te beslissen.

- Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder opnieuw op het bezwaar van C beslist en bij besluit van 17 december 2007 dit bezwaar wederom ongegrond verklaard.

- Het hiertegen gerichte beroep heeft het College bij uitspraak van 16 december 2008 (AWB 08/19, www.rechtspraak.nl, LJN BG9585) gegrond verklaard. Het College heeft daarbij het besluit van 17 december 2007 vernietigd, het bezwaar gegrond verklaard en de beslissing van 26 juni 2006 tot weigering van de vergunning herroepen.

- Appellant heeft naar aanleiding van deze uitspraak op 4 februari 2009 aan verweerder verzocht om vergoeding van de door appellant geleden schade over de jaren 2006 en 2007.

- Bij brief van 8 juni 2009 heeft appellant bij het College beroep ingesteld tegen het uitblijven van een beslissing op zijn verzoek om schadevergoeding. Het College heeft deze brief op 3 september 2009 ter behandeling als bezwaarschrift doorgezonden aan verweerder.

- Bij besluit van 8 september 2009 heeft verweerder het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 19 september 2009 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 17 december 2009 (hierna: bestreden besluit) op het bezwaar beslist.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de periode waarover eventueel aanspraak bestaat op vergoeding van schade als gevolg van een afgewezen aanvraag voor een taxivergunning terecht is vastgesteld op de periode van 26 juni 2006 tot 20 september 2007, gelet op het feit dat de afwijzing van de vergunningsaanvraag heeft plaatsgevonden op 26 juni 2006 en het College in de uitspraak van 20 september 2007 heeft aangegeven dat appellant geen belang meer heeft bij het toekennen van de gevraagde vergunning.

Vervolgens heeft verweerder overwogen dat het naar zijn mening voor de hand ligt om wat betreft de hoogte van eventueel geleden materiële schade vast te stellen wat over deze periode de bruto-inkomsten uit dienstbetrekking van appellant zijn geweest en dit af te zetten tegen de bruto-inkomsten die hij als zelfstandig taxi-ondernemer in deze zelfde periode zou hebben verkregen als de taxivergunning wel verleend zou zijn. Voor laatstgenoemde inkomsten dienen dan de bruto-inkomsten als zelfstandig taxi-ondernemer uit 2006 als uitgangspunt te worden genomen. Wanneer de werkelijke bruto-inkomsten over deze periode lager blijken te zijn dan de bruto-inkomsten die zouden zijn verkregen als de taxivergunning wel zou zijn verleend, dan komt het verschil tussen deze twee bruto-inkomsten voor vergoeding in aanmerking, aldus verweerder.

Verweerder heeft aan de hand van de overgelegde aangifte inkomstenbelasting 2006 vastgesteld dat appellant als zelfstandig taxi-ondernemer in 2006 over de periode van 1 januari 2006 tot 27 oktober 2006 (de datum dat de taxionderneming blijkens de toelichting op de aangifte is gestaakt) een brutowinst heeft behaald van € 10.653,-. Uitgaande van dat bedrag heeft verweerder de bruto-inkomsten als zelfstandig ondernemer over de periode van 26 juni 2006 tot 20 september 2007 vastgesteld op € 14.526,82 (€ 10.653,- gedeeld door 11 maal 15). Verweerder heeft daarbij als uitgangspunt genomen dat deze periode 15 maanden beslaat.

Voor de berekening van de bruto-inkomsten uit dienstbetrekking is verweerder uitgegaan van de loongegevens waarvan bekend is geworden op welke periode deze betrekking hebben. Op basis van de overgelegde gegevens bedragen de bruto-inkomsten per werkgever:

- D B.V. – periode van 14 november t/m 31 december 2006: € 2.177,-;

- E – periode van 29 maart t/m 31 december 2007: € 10.143,-;

- D B.V. – periode van 1 januari t/m 1 mei 2007: € 3.652,-.

De totale bruto-inkomsten uit dienstbetrekking over de periode van 26 juni 2006 tot 20 september 2007 bedragen volgens verweerder dan € 2.177,- + € 7.607,- (€ 10.143,- maal 11/12) + € 3.562,- = € 13.346,-.

Over deze periode is een verschil aan bruto-inkomsten ontstaan ten nadele van appellant ter hoogte van € 1.216,82

(€ 14.526,82 – € 13.346,-). Dit verschil, inclusief wettelijke rente een bedrag van in totaal € 1.462,84, komt naar de mening van verweerder voor vergoeding in aanmerking.

De door appellant eveneens gevraagde kostenvergoeding voor de aanvraag van de vergunning, de inschrijving bij de Kamer van Koophandel en de aanvraag van een verklaring omtrent gedrag komen volgens verweerder niet voor vergoeding in aanmerking. Deze kosten zouden namelijk ook verschuldigd zijn geweest als de gevraagde taxivergunning wel verleend zou zijn en door het vergoeden van de schade wordt juist getracht de situatie te bereiken die zou zijn ontstaan als de taxivergunning wel verleend zou zijn, aldus verweerder. Als deze kosten ook nog vergoed zouden worden, dan zou appellant worden bevoordeeld. Hij heeft volgens verweerder dan alsnog de inkomsten verkregen die hij zou hebben verkregen als de taxivergunning niet geweigerd zou zijn, maar de daarbij behorende kosten niet hoeven te betalen.

Appellant heeft naar de mening van verweerder tot slot niet aannemelijk gemaakt dat door het niet verlenen van de taxivergunning immateriële schade is ontstaan. Het door appellant genoemde bedrag van € 40.000,- is ook op geen enkele wijze onderbouwd dan wel nader gespecificeerd, aldus verweerder.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat de schadeperiode niet eindigt op 20 september 2007, aangezien het aan de handelwijze van verweerder te danken is geweest dat hij toen geen belangstelling meer had voor de vergunning. Appellant is van mening dat de schade moet worden vergoed tot het moment waarop hij zijn taxibedrijf weer onder dezelfde omstandigheden als zelfstandig ondernemer kon voortzetten. Ter zitting van het College heeft de gemachtigde van appellant verklaard, in aansluiting op hetgeen hij heeft vermeld in zijn verzoek om schadevergoeding van 4 februari 2009, de schadeperiode te willen beperken tot en met 31 december 2007.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij opnieuw een vergunning heeft moeten aanvragen met een andere beoogd vennoot en dat dit niet nodig zou zijn geweest als de eerste vergunning zou zijn toegewezen. Hij verzoekt daarom om vergoeding van de kosten van de vergunningsaanvraag. Daarnaast rekent verweerder volgens appellant ten onrechte met brutobedragen. Op die wijze wordt eraan voorbij gegaan dat met het onmogelijk maken van het werken als zelfstandig ondernemer ook belastingvoordelen als de zelfstandigenaftrek teniet worden gedaan. Naar de mening van appellant dient daarom te worden uitgegaan van netto bedragen. Dat is de werkelijk geleden schade. Appellant heeft de te vergoeden inkomensschade berekend vanaf 14 november 2006 tot en met 31 december 2007 en komt vervolgens, inclusief de vergoeding voor de tweede vergunningsaanvraag, uit op een bedrag van in totaal € 9.385,- aan te vergoeden schade.

Tot slot is appellant van mening dat door hem geleden immateriële schade moet worden vergoed, omdat hij het bedrijf, waar hij veel energie in had zitten en ook kosten voor heeft gemaakt, achteraf ten onrechte heeft moeten liquideren. Hierdoor is hij niet alleen van zijn broodwinning beroofd, maar het heeft hem ook veel spanningen opgeleverd.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beoordeling van het College staat of verweerder aan appellant een hogere schadevergoeding had dienen toe te kennen dan de thans toegekende € 1.462,84.

5.2 Het College is met verweerder en op dezelfde gronden van oordeel dat de kosten voor de oorspronkelijke vergunningaanvraag niet voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder is er in het kader van de vergoeding van inkomensschade immers (fictief) van uitgegaan dat appellant in het bezit was van deze vergunning. Nu appellant ook daadwerkelijk een vergoeding wegens gederfde inkomsten is toegekend omdat hij als zelfstandig taxi-ondernemer meer zou hebben verdiend dan in loondienst, heeft verweerder terecht overwogen dat een vergoeding van de voor deze vergunning gemaakte kosten niet aan de orde kan zijn.

Het College is van oordeel dat de kosten voor de tweede vergunningaanvraag wel voor vergoeding in aanmerking komen. Het is immers aan de onrechtmatige weigering van de eerste vergunningsaanvraag door verweerder te wijten dat appellant een tweede vergunning heeft moeten aanvragen. Pas met de uitspraak van het College van 16 december 2008 is duidelijk geworden dat appellant al die tijd ten onrechte een vergunning was geweigerd en dat derhalve – achteraf – geen noodzaak bestond om een nieuwe vergunning aan te vragen. Appellant heeft ter zitting van het College verklaard dat voor de kosten die hij heeft moeten maken voor deze tweede vergunningaanvraag van dezelfde bedragen kan worden uitgegaan als bij de oorspronkelijke vergunningaanvraag. Het College zal deze kosten daarom vaststellen op in totaal

€ 729,-, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.3 Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder in beginsel gehouden is tot het vergoeden van schade vanwege gederfde inkomsten per de datum waarop de vergunning – achteraf ten onrechte – is geweigerd, te weten 26 juni 2006. Appellant is bij de berekening van de door hem gestelde gederfde inkomsten uitgegaan van 14 november 2006 als de eerste datum waarop inkomensschade zou zijn geleden. Het College zal daarom de door appellant gestelde inkomensschade beoordelen vanaf deze datum.

Verweerder heeft het einde van de periode waarover de schadevergoeding moet worden berekend, vastgesteld op 20 september 2007, welke einddatum door appellant wordt betwist. Het College volgt verweerder daarin niet. De door verweerder bedoelde mededeling van de gemachtigde van appellant dat hij geen belang meer had bij het alsnog verlenen van de vergunning, is terug te voeren op de omstandigheden waarin appellant was komen te verkeren naar aanleiding van de onrechtmatige weigering. Daarin ziet het College aanleiding de periode waarover de schadevergoeding moet worden berekend niet, zoals verweerder heeft gedaan, te beperken tot de datum van de uitspraak waarin die bewuste mededeling is neergelegd, te weten 20 september 2007. Het College zal deze periode, gelet op het standpunt van appellant, neergelegd in het verzoek om schadevergoeding en bevestigd ter zitting van het College, door laten lopen tot en met de maand december 2007.

De door het College te beoordelen schadeperiode loopt derhalve van 14 november 2006 tot en met december 2007, zijnde dertien en een halve maand.

5.4 Het College ziet geen aanleiding om, ten behoeve van de vaststelling van het bedrag aan schadevergoeding vanwege gederfde inkomsten, een andere berekeningswijze te hanteren dan verweerder in het bestreden besluit heeft gehanteerd. Ook het College is van oordeel dat deze schade kan worden begroot op het verschil tussen het inkomen dat appellant in de schadeperiode als zelfstandig taxi-ondernemer zou hebben verdiend als de taxivergunning wel zou zijn verleend, en het werkelijke inkomen uit loondienst in dezelfde periode.

Het College volgt appellant daarbij niet in zijn standpunt dat moet worden uitgegaan van nettobedragen. Daartoe overweegt het College dat de brutobedragen op eenvoudige wijze zijn af te leiden uit de zich in het dossier bevindende stukken, terwijl dat niet geldt voor de door appellant bedoelde nettobedragen. Het omrekenen van deze brutobedragen tot de door appellant gewenste nettobedragen berust bovendien voor een belangrijk deel op aannames, onduidelijkheden en onbekende persoonlijke omstandigheden en leidt in die zin niet tot een heldere vergelijking. Het College zal in het navolgende, bij het vaststellen van de inkomensschade, dan ook uitgaan van het bruto-inkomen van appellant.

5.5 Tussen partijen is niet in geschil dat appellant in 2006 een bedrag van € 10.653,- aan brutowinst heeft behaald als zelfstandig taxi-ondernemer. Evenmin is tussen partijen in geschil dat appellant op 27 oktober 2006 zijn werkzaamheden als zelfstandig taxi-ondernemer heeft gestaakt.

Appellant heeft al in zijn verzoek om schadevergoeding van 4 februari 2009 aangegeven dat de periode waarover hij als zelfstandig taxi-ondernemer heeft gewerkt, begint op 27 april 2006. Ter zitting van het College is namens appellant voorts verklaard dat hij zich op die datum heeft ingeschreven bij de Kamer van Koophandel en ook daadwerkelijk is gestart als zelfstandig taxi-ondernemer. Nu het College niet is gebleken van gegevens die wijzen op een andere begindatum dan appellant heeft aangegeven, gaat het College ervan uit dat appellant van 27 april 2006 tot en met 27 oktober 2006 (zijnde zes maanden) als zelfstandig taxi-ondernemer heeft gewerkt.

Het voorgaande betekent dat appellant als zelfstandig taxi-ondernemer over het jaar 2006 per maand gemiddeld

€ 1.775,50 aan brutowinst heeft behaald. Het College stelt derhalve vast dat, als de vergunning zou zijn verleend, de brutowinst van appellant over de gehele schadeperiode (zijnde 13 en een halve maand), uitgaande van dit bedrag per maand, € 23.969,25 zou hebben bedragen.

5.6 Wat betreft het bruto-inkomen uit loondienst gaat het College uit van de door appellant overgelegde jaaropgaven van zijn werkzaamheden bij de firma’s D BV en E. Het daarop vermelde inkomen uit loondienst tijdens de schadeperiode bedraagt in totaal € 15.972,- (€ 2.177,- + € 10.143,- + € 3.652,-). Het College stelt derhalve vast dat appellant over de gehele schadeperiode in totaal € 15.972,- aan inkomen uit loondienst heeft verdiend.

5.7 Het voorgaande leidt het College tot de conclusie dat appellant als zelfstandig taxi-ondernemer een hoger inkomen zou hebben ontvangen dan hij heeft verdiend in loondienst en dat het verschil € 7.997,25 bedraagt. Dit betekent naar het oordeel van het College dat appellant in aanmerking komt voor een schadevergoeding vanwege gederfde inkomsten ter grootte van dat bedrag, vermeerderd met de wettelijke rente.

5.8 Ten aanzien van het verzoek van appellant om vergoeding van immateriële schade overweegt het College als volgt.

In bepaalde omstandigheden kan aanleiding bestaan om over te gaan tot vergoeding van als gevolg van een onrechtmatig besluit geleden immateriële schade. Het moet dan gaan om ernstige inbreuken op de persoonlijke levenssfeer en/of andere persoonlijkheidsrechten van appellant. Daarvan zal evenwel niet snel sprake zijn.

Het College acht weliswaar aannemelijk dat appellant als gevolg van de weigering de vergunning te verlenen enige spanning heeft ondervonden, maar dit levert op zichzelf geen omstandigheid op die aanleiding zou moeten vormen voor vergoeding van immateriële schade. Appellant heeft verder ook geen (medische) gegevens overgelegd waaruit het College heeft kunnen afleiden dat hij meer dan normale psychische spanningen heeft ondervonden. Het College is dan ook van oordeel dat verweerder het verzoek van appellant om een vergoeding van immateriële schade terecht heeft afgewezen.

5.9 Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen komt het College tot de slotsom dat appellant in aanmerking komt voor een vergoeding van de kosten voor de tweede vergunningaanvraag tot een bedrag van € 729,- (te vermeerderen met de wettelijke rente) en voor een vergoeding van inkomensschade tot een bedrag van € 7.997,25 (te vermeerderen met de wettelijke rente). Het bestreden besluit, waarin verweerder een schadevergoeding van in totaal € 1.462,84 heeft toegekend, kan derhalve niet in stand blijven.

Het College zal het beroep daarom gegrond verklaren, het bestreden besluit vernietigen en, zelf in de zaak voorziend, het primaire besluit van 8 september 2009 herroepen en bepalen dat verweerder appellant een schadevergoeding toekent van in totaal € 8.726,25, te vermeerderen met de wettelijke rente.

5.10 Het College ziet tot slot aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten worden op de voet van het bepaalde in het Besluit proceskosten bestuursrecht berekend op € 20,40 aan reiskosten van de gemachtigde van appellant (treinretour Amsterdam – Den Haag, tweede klas).

5.11 Tevens zal worden bepaald dat verweerder het betaalde griffierecht aan appellant zal vergoeden.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het primaire besluit van 8 september 2009;

- kent aan appellant een schadevergoeding toe van in totaal € 8.726,25, te vermeerderen met de wettelijke rente;

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellant tot een bedrag van € 20,40 (zegge: twintig euro en veertig

eurocent);

- bepaalt dat verweerder appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,- (zegge: honderdvijftig euro)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 september 2011.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. P.H. Broier