Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BT6927

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-10-2011
Datum publicatie
07-10-2011
Zaaknummer
AWB 08/247A
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

ten onrechte weigering toestemming om vrije tarieven overeen te komen voor vervoer van vliegas, verzoek om schadevergoeding ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard, zelf voorzien, begroting van de schade, schadevergoeding wegens overschrijding redelijke termijn, verhoging vergoeding proceskosten wegens handelwijze verweerder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/247 7 oktober 2011

14500 Tijdelijke wet vrachtverdeling Noord-Zuid-vervoer

Uitspraak in de zaak van:

Vanderbroeck Transport B.V., h.o.d.n. Vrachtunie, te Maastricht,

thans genaamd Peterson Maastricht B.V., appellante,

gemachtigde: mr. M.J. van Dam, advocaat te Capelle aan den IJssel,

tegen

de Minister van Infrastructuur en Milieu, verweerder,

gemachtigde: mr. H.J. 't Hart, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 7 april 2008, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 februari 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder opnieuw beslist op het bezwaar van appellante tegen het besluit van verweerder van 13 augustus 1996, en heeft hij het verzoek van appellante om schadevergoeding, voor zover dit geacht moet worden namens haar opdrachtgeefster te zijn ingediend, niet-ontvankelijk verklaard.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting op 27 november 2008. Bij beslissing ex artikel 8:68 Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) van 11 december 2008 (<www.rechtspraak.nl>, LJN: BG8917; hierna: de heropeningsbeslissing) heeft het College het onderzoek in deze zaak heropend en de zaak verwezen naar een raadsheer-commissaris teneinde een comparitie van partijen te gelasten.

Bij brief van 23 april 2009 heeft appellante mede namens verweerder het College meegedeeld dat een bespreking tussen partijen zal plaatsvinden om te bezien of de kwestie tot een oplossing kan worden gebracht.

Bij brief van 13 augustus 2009 heeft verweerder het rapport “Kostenanalyse vervoer vliegas”, opgesteld door NEA Transportonderzoek en opleiding B.V. (hierna: NEA), overgelegd.

Bij brief van 20 augustus 2009 heeft verweerder het College medegedeeld dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.

Nadat partijen nog nadere reacties hebben ingediend, heeft op 28 september 2010 de voortgezette behandeling van de zaak ter zitting plaatsgevonden.

Bij nadere beslissing van 12 oktober 2010 heeft het College partijen verzocht nadere schriftelijke inlichtingen te geven.

Op 13 januari 2011 is de zaak opnieuw ter zitting behandeld. Appellante is daar verschenen bij haar gemachtigde, vergezeld door U. van Holten, directeur van appellante. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigde, bijgestaan door ir. M. Quispel.

2. Voorgeschiedenis en grondslag van het geschil

2.1 Voor de voorgeschiedenis van deze zaak en de voor de behandeling van dit beroep van belang zijnde feiten en omstandigheden verwijst het College allereerst naar zijn uitspraak van 11 juli 2006 (AWB 05/46; < www.rechtspraak.nl >, LJN: AY4162) en de hiervoor genoemde heropeningbeslissing.

In de heropeningsbeslissing heeft het College overwogen dat op grond van de stukken ervan moet worden uitgegaan dat Cementbouw Mineralen B.V. (hierna: Cementbouw) - de rechtsopvolger van Vulstof Combinatie Nederland B.V. (hierna: VCN B.V.), opdrachtgeefster van appellante - schade heeft geleden en dat deze kan worden begroot op het verschil tussen de kosten van het vervoer van vliegas die Cementbouw heeft moeten maken omdat ten onrechte geen toestemming is verkregen om voor dit vervoer vrije tarieven overeen te komen, en de kosten die zij zou hebben gemaakt wanneer die toestemming wel was verkregen.

2.2 Verweerder betwist in de brief van 20 augustus 2009 dat Cementbouw - destijds VCN B.V. - schade heeft geleden. Verweerder stelt dat Vliegasunie B.V. en VCN B.V. in artikel 7 van de door hen gesloten samenwerkingsovereenkomst zijn overeengekomen dat de transportkosten voor rekening en risico van Vliegasunie B.V. komen.

Appellante heeft in haar brief van 9 november 2009 - onder verwijzing naar artikel 8.2 van genoemde samenwerkingsovereenkomst - aangevoerd dat het risico van (de hoogte van) de transportkosten voor rekening van VCN B.V. komt.

Ten aanzien van de schade heeft appellante berekend dat het verschil fl 3,23 per ton bedraagt. Over het totaal vervoerde tonnage van - volgens appellante - 222.943,856 ton bedraagt de schade dan fl 497.164,80 (€ 225.603,55), te vermeerderen met de wettelijke rente. Appellante verzoekt het College verder verweerder te veroordelen in de naar redelijkheid en billijkheid te schatten buitengerechtelijke kosten.

Verweerder heeft vervolgens bij brief van 27 mei 2010 een brief overgelegd van de directeur van Vliegasunie B.V., gedateerd 10 augustus 2009, waarin deze heeft verklaard dat Vliegasunie B.V. alle transportkosten betreffende het transport van vliegas naar Lixhe heeft vergoed.

2.3 In de nadere beslissing van 12 oktober 2010 heeft het College overwogen dat de door appellante overgelegde stukken onvoldoende aanknopingspunten bieden voor het vaststellen van de hoogte van de schade, en dat niet duidelijk is welke betekenis moet worden toegekend aan de hiervoor genoemde, door verweerder overgelegde brief van de directeur van Vliegasunie B.V. van 10 augustus 2009.

Appellante is verzocht een precies overzicht te geven van facturen van (de rechtsvoorganger van) Cementbouw aan Vliegasunie B.V. ten aanzien van de hier relevante periode, te weten 13 augustus 1996 tot 30 oktober 1997, en een inzichtelijke vergelijking te geven van de feitelijk betaalde transportkosten per ton in de relevante periode en de kosten per ton die in het jaar daaropvolgend zijn betaald.

Aan verweerder is verzocht nadere gegevens te verstrekken waaruit kan worden afgeleid dat de transportkosten apart en integraal door Vliegasunie B.V. zijn vergoed, bovenop de in bijlage 10 van de genoemde samenwerkingsovereenkomst genoemde prijzen.

2.4 Appellante heeft bij brief van 10 december 2010 aan het College medegedeeld dat niet meer wordt beschikt over de facturen van (de rechtsvoorganger van) Cementbouw aan Vliegasunie B.V. uit 1996 en 1997. Ten aanzien van de transportkosten heeft appellante verwezen naar het overzicht met bijlagen dat zij eerder - bij brief aan verweerder van 18 februari 2004, die als bijlage is gevoegd bij het aanvullend beroepschrift van 21 mei 2008 - in het geding heeft gebracht. Ten aanzien van de schade stelt appellante dat sprake is van een verschil van fl 5,321 per ton. Over het totaal vervoerde tonnage van - volgens appellante thans - 222.386 ton bedraagt de schade dan fl 1.183.315,91 (€ 536.965,35), te vermeerderen met de wettelijke rente.

Appellante heeft het College bovendien verzocht haar een schadevergoeding toe te kennen wegens schending van de redelijke termijn zoals bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (hierna: EVRM).

2.5 Verweerder heeft bij brief van 21 december 2010 aan het College medegedeeld dat niet anders kan worden bericht dan de eerder door de directeur van Vliegasunie B.V. afgegeven verklaring. Verweerder stelt dat de berekening van de claim door appellante incorrect is. Volgens verweerder bedragen de totale kosten fl. 1.492.229,05 voor de partij van 222.386 ton, en zouden de kosten inclusief de provisiekosten minimaal op een niveau van fl 7,04 uitkomen.

3. De beoordeling van het geschil

3.1 Het geschil dat voor ligt betreft de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar van appellante wegens het ontbreken van een tijdige machtiging van Cementbouw aan appellante.

Het College is van oordeel, zoals reeds in de heropeningsbeslissing is overwogen, dat verweerder in strijd met de eerdere uitspraak van 11 juli 2006 heeft gehandeld en beslist door zich in het bestreden besluit op het standpunt te stellen dat Cementbouw niet ontvangen kan worden in haar verzoek om schadevergoeding.

Het College ziet anders dan verweerder ter zitting op 27 november 2008 heeft betoogd geen grond voor het oordeel dat de op 14 december 2006 afgegeven machtiging van Cementbouw aan appellante ontoereikend is. Er is derhalve geen grond aanwezig voor een niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar.

Het beroep van appellante is derhalve gegrond. Het besluit van verweerder van 29 februari 2008 dient wegens strijd met artikel 7:11 Awb te worden vernietigd.

Het College ziet aanleiding met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb in samenhang met artikel 19 van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe het volgende.

3.2 Het College is van oordeel dat bij gebreke van een nadere toelichting op de door verweerder overgelegde brief van de directeur van Vliegasunie B.V. van 10 augustus 2009 niet duidelijk is welke betekenis aan deze brief moet worden toegekend en hoe hetgeen in die brief is vermeld zich verhoudt tot hetgeen is bepaald in de artikelen 8.1 en 8.2 van de samenwerkingsovereenkomst.

In artikel 7.1 van de samenwerkingsovereenkomst is weliswaar bepaald dat de transportkosten voor de bouwgrondstoffen onderdeel uitmaken van de vergoedingen door Vliegasunie B.V. aan VCN B.V. te betalen, maar blijkens het bepaalde in de artikelen 8.1 en 8.2 van de overeenkomst zijn de vergoedingen door Vliegasunie B.V. verschuldigd aan VCN B.V., genoemd in bijlage 10 van de overeenkomst, gebaseerd op het feit dat VCN B.V. alle kosten, met inbegrip van de desbetreffende transportkosten, draagt, respectievelijk alle opbrengsten ontvangt die voortvloeien uit de levering van de bouwgrondstoffen. Volgens de samenwerkingsovereenkomst komen de transportkosten dus feitelijk voor rekening en risico van VCN B.V. en betaalt Vliegasunie B.V. aan VCN B.V. een vergoeding, zoals in bijlage 10 bij de overeenkomst is bepaald.

Gelet hierop en in aanmerking nemende dat verweerder zijn stelling dat VCN B.V. geen schade heeft geleden niet nader heeft toegelicht of onderbouwd, ziet het College geen grond om terug te komen van het uitgangspunt, zoals verwoord in de

heropeningsbeslissing, dat VCN B.V. dan wel haar rechtsopvolger Cementbouw schade

heeft geleden.

3.3 Verweerder heeft in de brief van 21 december 2010 tevens aangevoerd dat appellante heeft nagelaten maatregelen te nemen om de schade te beperken of te voorkomen. Verweerder stelt in dit verband dat appellante de minister in kennis had moeten stellen van het feit dat de vliegas op het moment van ontvangst van het besluit reeds werd vervoerd.

Het College stelt vast dat uit de aanvraag blijkt dat het vervoer van vliegas reeds plaatsvond. Deze stelling mist derhalve feitelijke grondslag.

3.4 Het College komt thans toe aan een begroting van de schade.

Zoals het College heeft overwogen in de heropeningsbeslissing en in de nadere beslissing kan de schade worden begroot op het verschil tussen de kosten van het vervoer die Cementbouw heeft moeten maken omdat ten onrechte geen toestemming is verkregen om vrije tarieven overeen te komen, en de kosten die zij zou hebben gemaakt wanneer die toestemming wel was verkregen.

3.5 Appellante heeft voor een overzicht van de in de relevante periode feitelijk betaalde transportkosten verwezen naar het overzicht van de gemaakte reizen met bijbehorende documenten, dat zij eerder in het geding heeft gebracht. Uit deze stukken kan worden afgeleid dat in totaal 222.386 ton is vervoerd en dat voor deze transporten

fl 1.977.170,04 is betaald. Dit betekent dat de gemiddelde berekende vrachtprijs voor deze transporten fl 8,891 per ton bedraagt, zoals appellante ook heeft gesteld. Het totaal van 222.386 ton vervoerde lading en de gemiddelde berekende vrachtprijs van fl 8,891 worden blijkens de brief van verweerder van 21 december 2010 door verweerder niet bestreden, zodat het College deze gegevens hierna als uitgangspunt zal nemen bij het begroten van de schade.

3.6 Appellante heeft ten behoeve van het berekenen van de gemiddelde vrachtprijs die zou zijn betaald indien toestemming was verleend om vrije tarieven overeen te komen (hierna: de gemiddelde vrachtprijs na toestemming), bij brief van 10 december 2010 de volgende stukken overgelegd:

- INKOOP VRACHTUNIE SCHEEPVAART EXPLOITATIE vanaf 1 oktober 1998,

geldende voor de schepen Elisabeth/Factotum, Willie/Catharina en Matheus;

- een bevestiging voor de huur van ms “Torina” van 8 oktober 2001;

- een bevestiging voor de huur van ms “Ora et Labora” van 8 maart 2000; en

- een bevestiging voor de huur van ms “Remaro” van 13 augustus 1999.

Appellante komt op basis van deze stukken uit op een gemiddelde vrachtprijs van fl 3,57 per ton voor de periode na 30 oktober 1997, en daarmee op een verschil van fl 5,321 met de hiervoor genoemde gemiddelde berekende vrachtprijs van

fl 8,891 per ton in de relevante periode.

3.7 Het College stelt vast dat appellante en verweerder in hun brieven van respectievelijk 10 december 2010 en 21 december 2010 voor het berekenen van de gemiddelde vrachtprijs na toestemming beide zijn uitgegaan van de volgende kostenposten: (1) het totaal van de kosten van de daghuur van de schepen, (2) de vuilgoedtoeslag (fl 0,10 per ton) en (3) het zogenoemde tongeld (een vast bedrag van fl 2,15 per ton vervoerde lading), vermeerderd met (4) een percentage van 30% van het totaal van deze bedragen voor de kosten voor gas-, smeerolie en havengelden.

3.8 Appellante stelt in haar berekening dat is vervoerd op basis van een daghuur van fl 0,50 per ton per dag, waarbij appellante is uitgegaan van een gemiddeld tonnage per dag van 505,42 ton. Verweerder heeft er echter terecht op gewezen dat uit de door appellante overgelegde - hiervoor onder 3.6 genoemde - stukken, blijkt dat het huurtarief van

fl 0,50 is overeengekomen per ton laadvermogen per dag. De berekening van de daghuur door appellante is derhalve niet juist.

Verweerder is in zijn berekening van de daghuur uitgegaan van de inzet van twee schepen: één met 2000 ton laadvermogen en één met 1750 ton laadvermogen. Dit uitgangspunt komt overeen met het door NEA in haar rapport gekozen uitgangspunt, dat door appellante in haar brief van 9 november 2009 als niet onredelijk is aangemerkt. Ook het College komt dit uitgangspunt niet onredelijk voor.

Verweerder stelt in zijn reactie van 21 december 2010 dat voor de berekening van de daghuur moet worden uitgegaan van het aantal dagen in de relevante periode, gebaseerd op 6 werkdagen per week en gecorrigeerd voor feestdagen die op werkdagen vallen. Het totaal aantal dagen waarover huur moet worden betaald bedraagt volgens verweerder dan 370.

Hoewel dit aantal afwijkt van het aantal van 440 dagen dat door NEA in haar rapport is gehanteerd en in eerste instantie in navolging daarvan ook door verweerder en - later, in de brief van 10 december 2010 - ook door appellante is gebruikt, komt deze uitleg van verweerder het College juist voor.

Het vorenstaande betekent dat het bedrag voor de daghuur als volgt kan worden berekend:

fl 0,50 x 370 dagen x (2000+1750 ton laadvermogen) = fl 693.750,--.

3.9 Het College stelt vast dat de hoogte van de bedragen voor de vuilgoedtoeslag (fl 0,10 per ton en het tongeld (een vast bedrag van fl 2,15 per ton vervoerde lading) tussen partijen niet in geding is. Het College ziet ook geen aanleiding voor het hanteren van andere bedragen. Dit betekent, uitgaande van 222.386 ton vliegas die is vervoerd, dat voor de vuilgoedtoeslag en het tongeld een bedrag van fl 22.238,60 respectievelijk fl 478.129,90 in aanmerking moet worden genomen.

3.10 Ten aanzien van de kosten voor gas-, smeerolie en havengelden heeft verweerder - ter

zitting - aangevoerd dat de factor brandstofkosten, die door appellante zou zijn geschat op 30% van de kosten, een zeer onnauwkeurige benadering van deze kosten betreft. Het College overweegt daaromtrent als volgt.

Voorop dient te worden gesteld dat het in de stukken genoemde percentage van 30% van het totaal van de kosten van de daghuur, de vuilgoedtoeslag en het tongeld, niet alleen ziet op de brandstofkosten maar ook op de havengelden. Verweerder heeft dit percentage zelf ook toegepast in zijn berekening in de brief van 21 december 2010. De stelling van appellante - eveneens ter zitting geuit - dat de aanname dat de variabele kosten 30% bedragen van de kosten van de daghuur, de vuilgoedtoeslag en het tongeld, gebruikelijk is in de binnenvaart, is door verweerder niet gemotiveerd weersproken. Het College ziet onder deze omstandigheden geen aanleiding om uit te gaan van een ander percentage. Dit

betekent dat het bedrag voor de kosten voor gas-, smeerolie en havengelden als volgt kan worden berekend: 30% van

(fl 693.750,-- + fl 22.238,60 + fl 478.129,90) = fl 358.235,55.

3.11 Verweerder heeft in de brief van 21 december 2010 voorts nog aangevoerd dat appellante een aantal factoren die kostenverhogend werken ten onrechte buiten beschouwing heeft gelaten in de berekening van de schade.

3.11.1 Verweerder heeft allereerst aangevoerd dat, hoewel bij de berekening ervan uit is gegaan dat het vervoer van de lading vliegas met twee schepen zou kunnen worden uitgevoerd, uit de ontwerp-overeenkomst blijkt dat door appellante rekening werd gehouden met een derde schip. Verweerder stelt dat een derde schip prijsverhogend werkt en dit ten onrechte niet is opgenomen in de berekening.

Het College stelt vast dat in de ontwerp-overeenkomst slechts is vermeld dat eventueel een derde schip zou worden ingezet. In aanmerking nemende dat volgens NEA voor het betreffende ladingpakket inzet van twee schepen mogelijk zou zijn ziet het College geen aanleiding om in de berekening uit te gaan van een derde schip.

3.11.2 Verweerder heeft voorts aangevoerd dat appellante in de laatste berekening er vanuit gaat dat er geen overwerk heeft plaatsgevonden, en ook geen marge is opgenomen ten aanzien van het in te schakelen tonnage, terwijl in de brief van appellante van 30 mei 2003 staat vermeld dat voor overwerk een marge is aangehouden van fl 2,29 per ton. Het College overweegt hieromtrent het volgende.

In de ontwerp-overeenkomst is omtrent overwerk niet meer opgenomen dan ‘op verzoek nader af te stemmen’. Appellante heeft zich in de brief van 30 mei 2003 bereid verklaard om in plaats van de door haar berekende fl 3,71 per ton uit te gaan van een kostprijs van fl 6,-- per ton ‘teneinde discussie te voorkomen en rekening houdend met een aan te houden marge ten aanzien van het in te schakelen tonnage, overwerk etcetera’. In haar brief van 18 februari 2004 heeft appellante ten aanzien van dit punt opgemerkt dat ‘hoewel op geen enkele wijze vaststaat dat er sprake zou zijn geweest van overwerk, terwijl het ook geenszins nodig is om met een marge ten aanzien van het in te schakelen tonnage rekening te houden’ zij ‘bereid is teneinde discussie te voorkomen een ruime marge op te nemen en uit te gaan van een kostprijs van fl 6,-- per ton.’

Het College leidt uit deze brieven af dat de door appellante destijds aangehouden marge losstaat van de vraag of daadwerkelijk overwerk is verricht maar kennelijk was bedoeld om met verweerder tot een vergelijk te kunnen komen omtrent de geleden schade. Anders dan verweerder kennelijk meent kan deze marge naar het oordeel van het College dan ook niet gelden als in aanmerking te nemen vergoeding voor overwerk.

Aangezien verweerder op geen enkele wijze aannemelijk heeft gemaakt dat daadwerkelijk overwerk is verricht en het College daarvan ook niet is gebleken, bestaat er geen aanleiding dit bij de berekening te betrekken.

3.11.3 Ter zitting heeft verweerder voorts nog aangevoerd dat in de schadeberekening van appellante ten onrechte geen rekening is gehouden met de garantiebesomming. Appellante heeft ter zitting echter verklaard dat de overeenkomst is uitgevoerd zonder dat daarbij gebruik behoefde te worden gemaakt van de in de garantiebesomming opgenomen regeling. Bij gebreke van nadere andersluidende gegevens van verweerder ziet het College geen grond de garantiebesomming bij de berekening te betrekken.

3.12 Gelet op het voorgaande kunnen naar het oordeel van het College de transportkosten die zouden zijn gemaakt als appellante toestemming had gekregen om buiten de beurs het vliegas te vervoeren, worden begroot op de volgende bedragen:

daghuur: fl 693.750,00

vuilgoedtoeslag: fl 22.238,60

tongeld: fl 478.129,90

gas-, smeerolie en havengelden: fl 358.235,55

Totaal fl 1.552.354,05

Uitgaande van deze bedragen is de gemiddelde vrachtprijs voor het vervoer van 222.386 ton vliegas na toestemming

fl 6,980 per ton. Rekening houdende met de bevrachtingsprovisie van 5%, welk percentage door appellante is genoemd in de bij de aanvraag van 6 juni 1996 gevoegde ontwerp-overeenkomst en door zowel NEA als verweerder in de berekening is gehanteerd en niet door appellante is bestreden, kan als gemiddelde vrachtprijs voor het vervoer van 222.386 ton vliegas na toestemming een bedrag van fl 7,329 per ton in aanmerking worden genomen.

3.13 Uit het voorgaande volgt dat de schade van Cementbouw, die zoals reeds is overwogen kan

worden begroot op het verschil tussen de kosten van het vervoer die Cementbouw heeft moeten maken omdat ten onrechte niet van meet af aan toestemming is gegeven om vrije tarieven overeen te komen (fl 8,891 per ton) en de kosten die zij zou hebben gemaakt wanneer die toestemming wel was verkregen (volgens bovenstaande berekening fl 7,329 per ton), fl 1,562 per ton bedraagt. Uitgaande van 222.386 ton vervoerde lading betekent dat een schade van fl 347.366,93, of te wel € 157.628,24, te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag vanaf 10 december 1997, zijnde de dag waarop appellante schadevergoeding van verweerder heeft gevorderd, tot aan de dag van voldoening.

3.14 Omtrent het verzoek van appellante om toekenning van een schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn bedoeld in artikel 6 EVRM, overweegt het College als volgt.

3.14.1 Ingevolge artikel 6, eerste lid, EVRM heeft een ieder bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen recht op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechter. De onderhavige procedure waarbij schadevergoeding is gevorderd, waarbij ook betrokken dienen te worden de eerdere door appellante hierover bij het College gevoerde procedures, zijn begrepen onder de werkingssfeer van artikel 6 EVRM.

Het College dient te beoordelen of de hiervoor bedoelde redelijke termijn is overschreden, zoals door appellante is gesteld. Daarbij geldt, zoals ook uit de jurisprudentie van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt, dat de redelijkheid van de termijn niet in abstracto kan worden bepaald maar steeds moet worden beoordeeld in het licht van de omstandigheden van het specifieke geval, waarbij onder meer in aanmerking moet worden genomen de ingewikkeldheid van de zaak, het processuele gedrag van partijen en het belang dat in het geding is.

3.14.2 Het College is van oordeel dat de datum van 8 december 2000, zijnde de datum van de

beslissing op bezwaar waarbij verweerder de bij de aanvraag van 6 juni 1996 gevoegde aanvraag alsnog heeft goedgekeurd, maar - zoals is geoordeeld in de uitspraak van het College van 22 mei 2002 - ten onrechte heeft nagelaten te beslissen op de vordering tot schadevergoeding, als begin van de termijn dient te worden aangemerkt. Partijen hebben ter zitting van 13 januari 2011 verklaard daarmee in te stemmen.

3.14.3 Verweerder heeft vervolgens bij besluit van 13 december 2004 en - na vernietiging van dat besluit bij uitspraak van het College van 11 juli 2006 - bij besluit van 29 februari 2008, opnieuw op de bezwaren van appellante beslist, zonder dat daarbij inhoudelijk op de vordering van appellante om schadevergoeding is ingegaan. Daarmee heeft verweerder naar het oordeel van het College de redelijke termijn overschreden.

Het College is van oordeel dat in dit geval, waarin de vernietiging van de beslissing op bezwaar door het College tot twee maal toe heeft geleid tot het nemen van een nieuwe beslissing op bezwaar door verweerder die wederom door het College diende te worden vernietigd, de overschrijding van de redelijke termijn volledig aan verweerder moet worden toegerekend. Zoals ter zitting met partijen is besproken acht het College in verband hiermee een schadevergoeding van

€ 6.500,-- wegens overschrijding van de redelijke termijn door verweerder passend. Partijen hebben ter zitting verklaard met dit bedrag in te stemmen.

3.15 Appellante heeft verzocht bij veroordeling van verweerder in de kosten van het geding, verweerder tevens te veroordelen tot betaling van - naar redelijkheid en billijkheid te schatten - buitengerechtelijke kosten. Appellante heeft daarbij meer in het bijzonder gewezen op de kosten die zij heeft moeten maken in haar pogingen om tot een minnelijke regeling te komen, waaronder de kosten van de bespreking van 17 augustus 2009.

Het College overweegt hieromtrent het volgende.

3.15.1 Vooropgesteld dient te worden dat het Besluit proceskosten bestuursrecht voorziet in een forfaitair vergoedingenstelsel voor een aantal - in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht limitatief opgesomde - proceshandelingen. Werkzaamheden gericht op het bereiken van een minnelijke regeling zijn niet onder deze proceshandelingen begrepen en komen derhalve niet uit dien hoofde voor vergoeding in aanmerking. Evenmin is in dit geval sprake van kosten gemaakt voorafgaand aan de procedure.

Het College ziet evenwel aanleiding om appellante met toepassing van artikel 2, derde lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht een extra punt toe te kennen, in verband met de kosten die zij heeft moeten maken ten behoeve van de bespreking van 17 augustus 2009. Verweerder heeft nog op zeer korte termijn voor deze bespreking het door NEA opgestelde rapport toegezonden aan de gemachtigde van appellante, die er zonder nader bericht van verweerder vanuit diende te gaan dat dit rapport op 17 augustus 2009 zou worden besproken en zich hierop derhalve heeft moeten voorbereiden. In het overleg van 17 augustus 2009 heeft verweerder echter het standpunt betrokken dat er aan de zijde van appellante geen schade was, en is bespreking van het rapport achterwege gebleven. Door deze handelwijze heeft verweerder appellante onnodig kosten laten maken.

3.16 Verweerder zal gelet ook op het vorenstaande worden veroordeeld in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten van rechtsbijstand, die op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden vastgesteld op € 1288,--, namelijk 1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting bij het College op 27 november 2008, twee maal 0,5 punt voor de nadere zitting op 28 september 2010 respectievelijk 13 januari 2011, en 1 punt om reden zoals hiervoor in paragraaf 3.15.1 overwogen, met een wegingsfactor van 1 en een waarde per punt van € 322,--.

Tevens zal het griffierecht aan appellante moeten worden vergoed.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van verweerder van 29 februari 2008;

- bepaalt dat verweerder aan appellante een bedrag betaalt van € 157.628,24 (zegge: honderdzevenenvijftigduizend

zeshonderdachtentwintig euro en vierentwintig eurocent) te vermeerderen met de wettelijke rente over dit bedrag

vanaf 10 december 1997 tot aan de dag van algehele voldoening;

- bepaalt dat verweerder aan appellante tevens een bedrag betaalt van € 6.500,-- (zegge: zesduizendvijfhonderd euro);

- bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- veroordeelt verweerder tot vergoeding van de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte

proceskosten tot een bedrag van € 1.288,-- (zegge: twaalfhonderdachtentachtig euro);

- bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht ad € 288,-- (zegge: tweehonderdachtentachtig euro) aan

haar vergoedt.

Aldus gegeven door mr. W.A.J. van Lierop, mr. R.C. Stam en mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp als griffier, op 7 oktober 2011.

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. M.A. Voskamp