Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BT5903

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-09-2011
Datum publicatie
29-09-2011
Zaaknummer
AWB 09/908 AWB 09/9009
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Zowel de oorspronkelijk klaagster als betrokkene hebben beroep ingesteld tegen de uitspraak van de raad van tucht (rvt). Het door de aandeelhouders van klaagster ingestelde beroep is niet-ontvankelijk, aangezien alleen de oorspronkelijk klaagster beroep kan instellen. Van klachtwaardig handelen in het kader van de samenstellingswerkzaamheden kan slechts sprake zijn wanneer is komen vast te staan dat betrokkene daarbij is geconfronteerd met informatie die bij hem vragen had moeten oproepen. Klaagster heeft eechter nagelaten om te adstrueren welke informatie precies aan betrokkene is verstrekt ten behoeve van de door hem te verrichten werkzaamheden en zij heeft niet onderbouwd dat en waarom die informatie vragen had moeten oproepen. De rvt heeft deze klacht terecht ongegrond verklaard. Met betrekking tot de door betrokkene aan de uittredende partners van klaagster verleende diensten is het College van oordeel dat deze verder gaan dan hetgeen tijdens het bestaan van de vaste cliëntrelatie met klaagster was toegelaten. De rvt heeft deze klacht terecht gegrond verklaard en een maatregel opgelegd. Het College verwerpt beide beroepen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/908 en 09/909 15 september 2011

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

1. A B.V., gevestigd te Amsterdam,

2. B, aandeelhouder van A B.V.,

3. C, aandeelhouder van A B.V.,

gemachtigde: mr. R.W.J.M. te Pas, advocaat te Rotterdam, en

4. D RA te Utrecht,

gemachtigde: mr. J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam,

appellanten van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en

Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht),

gewezen op 12 mei 2009, met kenmerk R 649.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 12 mei 2009, heeft de raad van tucht aan appellanten sub 1 en 4 afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 16 juni 2008 door appellante sub 1 (hierna ook: klaagster) ingediend tegen appellant sub 4 (hierna ook: betrokkene).

Appellanten sub 1, 2 en 3, respectievelijk appellant sub 4 hebben tegen die beslissing beroep ingesteld bij het College. Het College heeft de beide beroepschriften ontvangen op 10 juli 2009.

De raad van tucht heeft bij brief van 7 augustus 2009 de stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 2 oktober 2009 hebben appellanten sub 1, 2 en 3 gereageerd op het beroepschrift van appellant sub 4.

Bij brief van 7 oktober 2009 heeft appellant sub 4 gereageerd op het beroepschrift van appellanten sub 1, 2 en 3.

Appellanten sub 1, 2 en 3 hebben voorts bij brieven van 15 juli 2009, respectievelijk

15 juni 2011 afschriften overgelegd van brieven van mr. F.G.H. Snippers, curator in het faillissement van klaagster, van 10 juli 2009 en 7 oktober 2010.

Op 23 juni 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden van appellanten zijn verschenen. Tevens zijn appellanten sub 2, 3 en 4 in persoon verschenen. Aan de zijde van appellant sub 4 was tevens aanwezig F.G.M. Vestergaard RA, een kantoorgenoot.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden beslissing heeft de raad van tucht het klachtonderdeel 1 ongegrond en klachtonderdeel 2 gegrond verklaard en betrokkene de maatregel van een schriftelijke waarschuwing opgelegd.

Ter zake van de exacte formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier en ingelast wordt beschouwd.

3. De beroepen

3.1 Appellanten sub 1, 2 en 3 hebben tegen de beslissing van de raad van tucht de navolgende grieven voorgedragen.

Grief 1 houdt in dat de raad van tucht klachtonderdeel 1, inhoudende dat betrokkene bij de uitvoering van zijn werkzaamheden is ontgaan dat door de twee voormalige aandeelhouders van klaagster ontoelaatbare privé-uitgaven zijn gedaan ten laste van klaagster, als gevolg waarvan betrokkene heeft verzuimd de andere aandeelhouders van klaagster hiervan op de hoogte te stellen, ten onrechte ongegrond heeft verklaard.

De raad van tucht heeft ten onrechte overwogen dat klaagster heeft nagelaten het tegen betrokkene gerezen bezwaar te concretiseren en te onderbouwen en aldus niet heeft voldaan aan haar substantiëringsplicht.

Grief 2 houdt in dat de raad van tucht klachtonderdeel 2, inhoudende dat betrokkene in het kader van het uittreden van een tweetal aandeelhouders van klaagster heeft gehandeld in strijd met de van hem te verlangen integriteit en onafhankelijkheid, weliswaar gegrond heeft verklaard, doch ten onrechte heeft geoordeeld dat kan worden volstaan met het opleggen van een schriftelijke waarschuwing.

3.2 Betrokkene heeft, samengevat weergegeven, tegen de bestreden tuchtbeslissing de navolgende grieven voorgedragen.

Grief 1 houdt in dat de raad van tucht het klachtonderdeel 2 ten onrechte gegrond heeft verklaard.

De raad van tucht heeft ten onrechte overwogen dat het op grond van de destijds van toepassing zijnde regelgeving een accountant niet vrij stond om onder de gegeven omstandigheden dit type opdracht te aanvaarden.

De raad van tucht heeft ten onrechte overwogen dat betrokkene zich er onvoldoende uitvoerig en zorgvuldig rekenschap van heeft gegeven dat hij met het geven van zijn algemene adviezen zou handelen in strijd met de bepalingen betreffende onafhankelijkheid. De raad van tucht heeft ten onrechte overwogen dat klaagster, tegenover de gemotiveerde betwisting door betrokkene, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

Subsidiair heeft betrokkene in grief 2 aangevoerd dat de raad van tucht ten onrechte een maatregel heeft opgelegd.

4. De beoordeling van de beroepen

4.1 Alvorens de ingediende grieven te behandelen zal het college ingaan op het door betrokkene gevoerde preliminaire verweer. Betrokkene stelt dat B en C (hierna: B en C) geen beroep kunnen instellen aangezien zij in eerste aanleg geen partij waren. Dit verweer slaagt. Nu op grond van artikel 52, eerste lid, van de Wet RA het instellen van beroep tegen een beslissing van de raad van tucht uitsluitend is voorbehouden aan de betrokken registeraccountant, de oorspronkelijk klager, dan wel het bestuur van het Nederlands Instituut van Registeraccountants (hierna: Nivra), en niet in geschil is dat B en C niet de oorspronkelijke klagers waren, zullen zij in hun beroep niet-ontvankelijk worden verklaard.

Betrokkene stelt voorts dat appellante sub 1 op 2 december 2008 failliet is verklaard en B en C appellante niet rechtsgeldig kunnen vertegenwoordigen bij gebreke van een volmacht. Dit verweer faalt. Hiertoe overweegt het College het volgende. Daargelaten de vraag of appellante sub 1 de instemming van de curator nodig heeft voor het instellen van de onderhavige tuchtprocedure, volgt naar het oordeel van het College uit de in dit verband door appellante overgelegde brieven van de curator van 10 juli 2009, respectievelijk 7 oktober 2010 dat de curator die instemming heeft gegeven, nu de curator daarin met zoveel woorden verklaart dat aan B en C de gevraagde volmacht wordt gegeven. Het College volgt betrokkene niet in diens betoog dat niet is voldaan aan de door de curator aan zijn instemming verbonden voorwaarde. B en C zijn immers overeenkomstig de gestelde voorwaarde, voor zover dat mogelijk is, als appellanten opgevoerd. Het feit dat B en C in hun beroep niet-ontvankelijk zullen worden verklaard doet daaraan niet af.

4.2 Het College zal thans de grieven van appellante sub 1 met betrekking tot het door de raad van tucht gegeven oordeel behandelen. In paragraaf 4.3 zal het de grieven van betrokkene bespreken.

4.2.1 Bij de beoordeling van grief 1 van appellante sub 1 komt in de eerste plaats aan de orde of de raad van tucht in de bestreden beslissing terecht heeft geconcludeerd dat appellante sub 1 heeft nagelaten het tegen betrokkene gerezen bezwaar te concretiseren en te onderbouwen.

Het College stelt vast dat betrokkene een opdracht tot het samenstellen van een verklaring ten aanzien van de jaarrekening over 2005 heeft gekregen.

De aan betrokkene verweten gedragingen hebben plaatsgevonden in de periode tot 22 juni 2006 (datum afgifte samenstellingsverklaring), zodat op dit handelen van betrokkene de Verordening gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994) van toepassing is, zoals deze luidde tot 1 januari 2007.

Op een samenstellingsopdracht als door betrokkene ten behoeve van appellante uitgevoerd, zijn de richtlijnen voor accountantscontrole 4410 (hierna RAC 4410) van toepassing, welke, voor zover hier van belang, als volgt luiden:

“Uit te voeren werkzaamheden

(...)

13. Tenzij elders in deze Richtlijn vermeld, wordt in het algemeen van de accountant niet verwacht dat hij:

a. bij de leiding van de huishouding inlichtingen inwint om de betrouwbaarheid en volledigheid van de versterkte informatie te beoordelen;

b. de maatregelen van interne beheersing beoordeelt en toetst;

c. verkregen informatie verifieert; of

d. ontvangen toelichtingen verifieert.

14. Indien de accountant constateert dat de door de leiding van de huishouding verstrekte gegevens onjuist, onvolledig of anderszins onbevredigend zijn, dient de accountant te overwegen om de hiervoor (paragraaf 13) genoemde werkzaamheden alsnog uit te voeren en de leiding van de huishouding aanvullende informatie te vragen. Indien de leiding van de huishouding weigert deze informatie te verstrekken, dient de accountant zijn opdracht terug te geven en de opdrachtgever op de hoogte te stellen van de reden van de teruggave van de opdracht.

(...)”

Het College is van oordeel dat gelet op de artikelen 13 en 14 van RAC 4410, in beginsel geen verificatieplicht bestaat bij het opstellen van een samenstellingsverklaring als waar het hier om gaat. Zoals het College al eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 19 augustus 2008, LJN:BF0236 en van 17 mei 2011, LJN:BQ6503) ligt de verantwoordelijkheid voor de juistheid van de in de samenstellingsverklaring neergelegde informatie primair bij de opdrachtgever daarvan. Betrokkene heeft hiervan ook melding gemaakt in de opdrachtbevestiging van 20 december 2005.

Appellante sub 1 stelt weliswaar dat er aanleiding was voor betrokkene om te twijfelen aan de juistheid van de aangeleverde informatie, maar zij onderbouwt die stelling in het geheel niet met concrete feiten. Dit klemt te meer nu, zoals betrokkene onbestreden heeft uiteengezet, hij ten behoeve van het uitvoeren van de samenstellingsopdracht, zoals bij

dergelijke opdrachten te doen gebruikelijk, grotendeels geaggregeerde cijfers kreeg aangeleverd (waaruit dus geen individuele posten waarneembaar zijn), op basis waarvan de jaarrekening is samengesteld.

Appellante sub 1 heeft in het klaagschrift gesteld dat ontoelaatbare privé-uitgaven zijn gedaan, maar iedere feitelijke onderbouwing van deze stelling ontbreekt. Ook voor de door appellante sub 1 ter zitting van de raad van tucht genoemde posten geldt dat appellante sub 1 geen stukken geeft overgelegd waaruit deze uitgaven en posten blijken, laat staan dat appellante sub 1 in concreto heeft toegelicht wanneer en op grond van welke feiten het bestaan van dergelijke posten aan betrokkene bekend kon zijn.

Appellante sub 1 heeft op geen enkel moment in de procedure kenbaar heeft gemaakt niet over specifieke informatie te kunnen beschikken. Ook overigens heeft appellante sub 1 geen verklaring gegeven voor het niet eerder op substantiële wijze concretiseren van de klacht.

Onder deze omstandigheden is een voor het eerst ter zitting van het College gedaan niet nader gespecificeerd aanbod om bewijsstukken in het geding te brengen en getuigen te horen, in strijd met het beginsel van een goede procesorde.

Uit het vorenoverwogene volgt dat de raad van tucht het eerste klachtonderdeel terecht ongegrond heeft verklaard, zodat grief 1 van appellante sub 1 faalt.

4.2.2 Grief 2 van appellante sub 1 ter zake van het tweede klachtonderdeel is gericht tegen de, naar de mening van appellante sub 1, geringe zwaarte van de maatregel die de raad van tucht heeft opgelegd. Het College stelt voorop dat aan de klager ingevolge het bepaalde in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet op de Registeraccountants, slechts de mogelijkheid tot het instellen van beroep is gegeven, indien zijn bezwaar geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard. Het instellen van beroep bij het College staat voor hem derhalve niet open, indien de klacht (of het klachtonderdeel) geheel gegrond is verklaard maar de klager zich niet kan vinden in de door de raad van tucht aan de betrokken accountant opgelegde maatregel. Nu de betreffende grief van appellante sub 1 niet is gericht tegen een onderdeel van de bestreden beslissing waarbij een bezwaar van klaagster geheel of gedeeltelijk ongegrond is verklaard, oordeelt het College dat deze grief buiten behandeling moet blijven.

4.3 Het College komt nu toe aan een bespreking van de grieven van betrokkene welke uitsluitend het tweede klachtonderdeel betreffen.

Het tweede klachtonderdeel ziet op gedragingen van betrokkene die, naar ter zitting is komen vast te staan, dateren uit de periode van 23 november 2006 tot medio januari 2007, zodat op dit klachtonderdeel de GBR-1994 van toepassing is, alsook de met ingang van 1 januari 2007 in werking getreden Verordening gedragscode (hierna: VGC) van toepassing is.

4.3.1 Betrokkene heeft zich in beroep op het standpunt gesteld dat hem geen tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Voor zover betrokkene daartoe stelt dat het hem in beginsel vrijstond een opdracht van de uittredende partners van appellante sub 1 te aanvaarden en dat hij zich terdege bewust is geweest van de precaire karakter van de situatie en daarnaar heeft gehandeld, volgt het College betrokkene niet in zijn betoog. Nu, zoals door betrokkene is bevestigd ter zitting van de raad van tucht, een permanente cliëntrelatie tussen klaagster en betrokkene bestond op het moment dat betrokkene voor advies werd benaderd door de uittredende partners, stond het betrokkene in beginsel niet vrij om gelijktijdig ook aan hen diensten te verlenen. Het enkele feit dat betrokkene in de periode waarin voornoemde advieswerkzaamheden plaatsvonden geen directe werkzaamheden voor klaagster verrichtte doet daaraan niet af. Voor zover betrokkene aanvoert dat hij zich heeft beperkt tot het beantwoorden van vragen van algemene aard, door betrokkene aangeduid als “startersadviezen” en de betreffende uittredende partners voor de overige ten behoeve van hen te verrichten werkzaamheden heeft doorverwezen naar een collega, miskent betrokkene, zoals de raad van tucht ook met juistheid heeft overwogen, dat zijn dienstverlening - welke onder meer heeft bestaan in het bijstaan van de uittredende partners in contacten met de Rabobank over het verkrijgen van een financiering voor de door hen te starten onderneming, alsook het adviseren over de door de bank verlangde zekerheden, respectievelijk over een eventuele toetreding van een vierde partner tot genoemde nieuwe onderneming- verder ging dan het geven van zogenoemde startersadviezen. Betrokkene heeft voorts gesuggereerd dat bij aanvang van de bewuste advieswerkzaamheden de uittreding van de desbetreffende partners als vaststaand feit bekend was bij klaagster, maar tegenover de uitvoerig gemotiveerde betwisting door appellante, die onder meer heeft gewezen op een e-mailbericht van betrokkene van 20 december 2006, welke volgens appellante sub 1 bewijst dat betrokkene wist dat zij niet op de hoogte was van het aanstaand vertrek van voornoemde partners en hun verdere plannen, heeft betrokkene zijn stellingname niet nader met feiten onderbouwd, zodat daaraan wordt voorbij gegaan.

Het College is van oordeel dat in de gegeven omstandigheden van dit geval de door de raad van tucht geformuleerde, door de accountant te volgen gedragslijn niet onjuist is. Nu vaststaat dat betrokkene deze gedragslijn niet heeft gevolgd, heeft de raad van tucht daaraan terecht de conclusie verbonden dat betrokkene dientengevolge heeft gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel 5 GBR-1994. Voor zover de betreffende gedragingen hebben plaatsgevonden in 2007 heeft betrokkene naar het oordeel van het College gehandeld in strijd met het bepaalde in artikel A-150.1 VGC.

De grief van betrokkene slaagt niet.

4.3.2 Betrokkene heeft zich in grief 2 subsidiair op het standpunt gesteld dat de opgelegde schriftelijke waarschuwing in het licht van de verwijten disproportioneel is.

Het College volgt betrokkene hierin niet. Naar het oordeel van het College heeft de raad van tucht, gelet op de aard en ernst van het verwijt en de omstandigheden van het geval, terecht de maatregel van een schriftelijke waarschuwing opgelegd.

Ook in zoverre slaagt het beroep van betrokkene niet.

4.4 Uit al hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat appellanten sub 2 en 3 in hun beroep

niet-ontvankelijk worden verklaard en de beroepen van appellante sub 1 en betrokkene als zijnde ongegrond worden verworpen.

4.5 De in rubriek 5 van deze uitspraak te melden beslissingen berusten op titel II van de Wet RA, zoals deze wet luidde tot 1 mei 2009, en de artikelen 5 GBR-1994 en A-150.1 VGC.

5. De beslissingen

Het College:

- verklaart het beroep van appellanten sub 2 en 3 in de zaak met nummer AWB 09/908 niet-ontvankelijk;

- verwerpt het beroep van appellante sub 1 in de zaak met nummer AWB 09/908;

- verwerpt het beroep van betrokkene in de zaak met nummer AWB 09/909.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M.M. Smorenburg en mr. J.A.M. van den Berk, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 september 2011.

w.g. J.L.W. Aerts De griffier is verhinderd

de uitspraak te ondertekenen

R a a d van T u c h t

voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten

te Amsterdam

BESLISSING van 12 mei 2009 in de zaak met nummer R 649 van

A B.V.,

gevestigd te Amsterdam,

K L A A G S T E R

t e g e n

D,

registeraccountant,

kantoorhoudende te Utrecht,

B E T R O K K E N E.

1. Het verloop van de procedure

1.1 De Raad van Tucht heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken, waaronder:

(a) het klaagschrift van 16 juni 2008, met bijlagen; en

(b) het verweerschrift van 24 september 2008, met bijlage.

1.2 De Raad van Tucht heeft de klacht behandeld ter openbare zitting van 25 november 2008 waar aanwezig waren – aan de zijde van klaagster – haar vertegenwoordigers C en B alsmede de huidige administrateur van klaagster E, bijgestaan door mr. R.W.J.M. te Pas, advocaat te Rotterdam en zijn collega mr. M.R. Kooi, en – aan de zijde van betrokkene – D RA in persoon, bijgestaan door mr. J.W. van Rijswijk, advocaat te Amsterdam.

1.3 Partijen hebben bij gelegenheid van voormelde zitting hun standpunten toegelicht – mede aan de hand van aan de Raad van Tucht overgelegde en voorgedragen pleitnota’s – en hebben geantwoord op vragen van de Raad van Tucht.

1.4 De inhoud van de voormelde gedingstukken, geldt als hier ingevoegd.

2. Bespreking van een gevoerd verweer

2.1 De raadsman van betrokkene heeft in het verweerschrift betoogd dat een aantal als bijlage aan het klaagschrift gehechte e-mails tussen betrokkene en voormalige partners van klaagster in de beoordeling van de onderhavige zaak geen rol mogen spelen. Het gaat, aldus de raadsman van betrokkene, om vertrouwelijke e-mails waarvan klaagster zich op onrechtmatige wijze bedient.

2.2 De Raad van Tucht verwerpt dit verweer. De enkele omstandigheid dat het gaat om e-mails met een in die zin vertrouwelijk karakter dat de correspondenten kennelijk hebben beoogd geen anderen van de inhoud van hun correspondentie kennis te laten nemen dan de geadresseerden ervan, brengt op zichzelf niet mee, dat wanneer die correspondentie buiten de kring van geadresseerden is geraakt, deze in een tuchtrechtelijke procedure als de onderhavige bij de beoordeling door de Raad van Tucht geen rol mogen spelen. Voorts is betrokkene in het kader van de behandeling van de onderhavige tuchtzaak in de gelegenheid geweest om inhoudelijk te reageren op die correspondentie en zo de Raad van Tucht in kennis te stellen van het perspectief waarin die correspondentie in zijn visie moet worden beschouwd.

3. De vaststaande feiten

3.1 Op grond van de inhoud van de gedingstukken en aan de hand van het verhandelde ter zitting stelt de Raad van Tucht het volgende vast.

3.2 Betrokkene is registeraccountant en als ‘director’ werkzaam bij PricewaterhouseCoopers Accountants N.V. (hierna: Pwc) te Utrecht. Sinds 1998 is hij eindverantwoordelijke voor de samenstellingsopdracht betreffende de jaarrekeningen van klaagster. In de periode van 2000 tot en met 2003 heeft de toenmalige afdeling Outsourcing van Pwc klaagster bijgestaan met administratieve dienstverlening. Daarbij speelde betrokkene geen rol.

Bij de jaarrekening van klaagster over 2005 heeft betrokkene op 22 juni 2006 een samenstellingsverklaring afgegeven. Sinds juni 2006 zijn door betrokkene geen werkzaamheden meer verricht ten behoeve van klaagster.

3.3 In november 2006 is betrokkene benaderd door F, betrokkenes vaste contactpersoon bij klaagster, die destijds evenals G als partner verbonden was aan klaagster. F heeft betrokkene toen geïnformeerd over het voornemen van hem en G om de samenwerking met de andere partners binnen klaagster te beëindigen en zelfstandig een onderneming te beginnen. Betrokkene heeft vervolgens advieswerkzaamheden verricht ten behoeve van F en G met betrekking tot de mogelijke financiering van de nieuw op te zetten onderneming. In dit verband heeft betrokkene hen ook bijgestaan in contacten met de Rabobank en heeft te zijnen kantore op 11 december 2006 een bespreking plaatsgevonden tussen betrokkene, H van Rabobank Utrecht en F en G, ter voorbereiding waarop betrokkene op 7 december 2006 aan H een prognose heeft doen toekomen betreffende de te beginnen onderneming.

3.4 Een e-mail van 20 december 2006 van betrokkene aan onder anderen F en G houdt onder meer in:

“Ik heb H vanmiddag gesproken. Hij was (nog steeds) positief over het gesprek en heeft de aanvraag inmiddels in de molen zitten (...)

F (RvT: F), zou jij nog willen kijken of je betaling van onze nota’s bij PwP kunt verzorgen voordat de bom barst?”

3.5 In februari 2007 heeft betrokkene I, contactpersoon namens de nieuw te beginnen onderneming, in contact gebracht met een collega voor ‘internetaccounting’ en eventuele verdere (administratieve) begeleiding. Nadien heeft betrokkene geen bemoeienis meer gehad met werkzaamheden ten behoeve van de uitgetreden partners.

3.6 In maart 2007 is betrokkene door Axis Accountants geïnformeerd over een aan hen verstrekte opdracht onderzoek te doen in de administratie van klaagster naar vermeende door de uitgetreden partners gepleegde fraude.

3.7 In november 2007 is de relatie tussen betrokkene en klaagster wegens een gebrek aan wederzijds vertrouwen beëindigd.

4. De klacht

De klacht houdt kort samengevat in dat betrokkene:

(i) bij de uitvoering van zijn werkzaamheden is ontgaan dat door twee voormalige aandeelhouders van klaagster ontoelaatbare privé-uitgaven zijn gedaan ten laste van klaagster, als gevolg waarvan betrokkene heeft verzuimd de andere aandeelhouders van klaagster hiervan op de hoogte te stellen;

(ii) in het kader van het uittreden van een tweetal aandeelhouders van klaagster in strijd heeft gehandeld met de van hem te verlangen integriteit en onafhankelijkheid.

5. De gronden van de beslissing

5.1 Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Raad van Tucht als volgt.

5.2 De Raad van Tucht stelt voorop dat het in een tuchtprocedure als de onderhavige in beginsel aan klaagster is om feiten en omstandigheden te stellen en in geval van – gemotiveerde – betwisting aannemelijk te maken die tot het oordeel kunnen leiden dat de registeraccountant tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.

5.3 De Raad van Tucht verstaat de klacht aldus dat deze naar de kern genomen betrekking heeft op handelen van betrokkene dat plaatshad voor 1 januari 2007, zodat de Raad van Tucht dit zal toetsen aan de destijds geldende Verordening Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (GBR-1994).

5.4 Voor de beoordeling van het eerste klachtonderdeel is van belang dat, anders dan bij door een accountant te verrichten controlewerkzaamheden het geval is, bij samenstellingswerkzaamheden geldt dat de verantwoordelijkheid voor de juistheid en de volledigheid van de aangeleverde gegevens bij de opdrachtgever berust, in dit geval dus bij klaagster. In de door betrokkene in het geding gebrachte namens klaagster ondertekende opdrachtbevestiging betreffende de samenstelling van de jaarrekening van klaagster over 2005 is dit ook expliciet vermeld. Dat neemt vanzelfsprekend niet weg dat bij het verrichten van dergelijke werkzaamheden de accountant geconfronteerd kan worden met informatie die bij hem vragen oproept of zou moeten oproepen. Dat daarvan in het onderhavige geval sprake is geweest is niet aannemelijk geworden. Klaagster heeft eerst in het pleidooi ter zitting zijn aan dit klachtonderdeel ten grondslag liggende stellingen enigermate geconcretiseerd, maar een precieze en aannemelijke grondslag voor enig aan betrokkene te maken tuchtrechtelijk verwijt levert dit niet op. Het verweer van betrokkene ten aanzien van dit onderdeel van de klacht treft derhalve doel, ook voor zover daarin is betoogd dat de overeenkomst van 2 oktober 2000 waarop klaagster zich heeft beroepen, geen verband houdt met door betrokkene verrichte werkzaamheden.

5.5 Uit het vorenstaande volgt dat het eerste klachtonderdeel faalt.

5.6 Wat betreft het tweede onderdeel van de klacht heeft betrokkene er in zijn verweer op gewezen dat hij sinds juni 2006 geen werkzaamheden meer had verricht ten behoeve van klaagster en dat de vraag of de opdracht zou worden gecontinueerd pas in het najaar van 2007 aan de orde zou komen, waarbij het betaalgedrag van klaagster een zwaarwegend punt zou zijn. Desalniettemin heeft betrokkene ter zitting de relatie tussen hem en klaagster als doorlopend (“een permanente cliëntrelatie”) gekenschetst.

5.7 De Raad van Tucht is van oordeel dat het in een situatie als de onderhavige, waarin de accountant door een aantal leden van een samenwerkingsverband, met welk samenwerkingsverband hij een doorlopende relatie heeft, wordt benaderd met vragen die verband houden met een door hen concreet beoogd uittreden uit dat samenwerkingsverband, zich bewust dient te zijn van het precaire karakter van deze situatie. Dat dient zich hierin te uiten dat de accountant in een dergelijk geval in beginsel de uittredende leden dient door te verwijzen naar een andere accountant, tenzij hij ofwel van alle betrokken leden van het samenwerkingsverband toestemming krijgt tot het verlenen van diensten aan de uittredende leden, ofwel eerst de relatie met het samenwerkingsverband beëindigt (waarna hij zich overigens vanwege zijn informatiepositie nog steeds in een lastig parket kan bevinden wat betreft zijn dienstverlening aan de uitgetreden leden van het samenwerkingsverband).

5.8 Betrokkene heeft voormelde gedragslijn niet gevolgd, maar heeft de uittredende leden onder meer bijgestaan in contacten met de Rabobank in het kader van een voor de door hen te beginnen onderneming te verkrijgen financiering. Dit handelen gaat naar het oordeel van de Raad van Tucht verder dan het geven van “enige algemene (“starters”-)adviezen”, zoals betrokkene het in zijn verweer heeft genoemd, en is in strijd met art. 5 GBR-1994.

In zoverre klachtonderdeel (ii) hierover klaagt, is het dan ook gegrond. Naar het oordeel van de Raad van Tucht kan worden volstaan met het opleggen van de hierna genoemde maatregel daar betrokkene niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld en niet aannemelijk is geworden dat betrokkene op enige wijze ten detrimente van klaagster heeft gehandeld. In dat verband verdient nog te worden opgemerkt dat het verzoek van betrokkene om voor betaling zorg te dragen in zijn e-mail van 20 december 2006 weliswaar op het eerste gezicht – mede door de gekozen bewoordingen en de combinatie van dat verzoek met een tekst die ziet op de financiering van de nieuw te beginnen onderneming – wat ongemakkelijk oogt, maar nu door klaagster niet is aangevoerd dat het om een in enig opzicht inhoudelijk onterecht verzoek ging, de betrokkene daarvan geen zelfstandig tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Deze e-mail moet – wat betreft de weinig fraaie combinatie van mededeling en verzoek – worden beschouwd als uitvloeisel van de ongewenste spagaat die betrokkene had moeten vermijden, en waarvan hem in het tweede klachtonderdeel naar het oordeel van de Raad van Tucht, zoals hiervoor is overwogen, terecht een verwijt is gemaakt.

5.9 Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

6. De beslissing

De Raad van Tucht:

- verklaart het eerste klachtonderdeel ongegrond;

- verklaart het tweede klachtonderdeel gegrond in voege als hiervoor vermeld en legt aan betrokkene te dier zake de maatregel op van een schriftelijke waarschuwing.

Aldus beslist door mr. J.P.A. Boersma, voorzitter, Tsj. Hotsma RA en J.W. Schallenberg RA, leden, in aanwezigheid van mr. R. Kuiper, adjunct-secretaris, en uitgesproken ter openbare zitting van de Raad van Tucht van 12 mei 2009.

_________ __________

secretaris voorzitter