Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BS7573

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
31-08-2011
Datum publicatie
13-09-2011
Zaaknummer
AWB 09/504 t/m AWB 09/506
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Doorberekening van kopersdeel bij verkoop bloemkwekerijproducten op Duitse veilingen niet mogelijk

Handel in dat geval zwaarder belast dan binnenlandse handel

Verboden fiscale discriminatie

Ten onrechte gehele heffingspercentage in rekening gebracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/504 t/m 09/506 31 augustus 2011

4240 Heffing

Bloemkwekerijheffing

Uitspraak in de zaken van:

Central Africa Roses Marketing Services Ltd. (CARMS), te De Kwakel, appellante,

gemachtigde: mr. G.P. van Malkenhorst, werkzaam bij Bakkerberaad, te Utrecht,

tegen

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigden: mr. M.L. Batting en mr. R.J.M. van de Tweel, beiden advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 2 april 2009, bij het College binnengekomen op 3 april 2009, beroep ingesteld tegen drie besluiten van verweerder van 24 februari 2009.

Bij deze besluiten heeft verweerder bezwaren van appellante tegen haar over de jaren 2005, 2006 en 2007 opgelegde vakheffingen bloemkwekerijproducten ongegrond verklaard.

Verweerder heeft op 9 juli 2009 een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 20 oktober 2010 heeft verweerder de besluiten van 24 februari 2009 ingetrokken en opnieuw beslist op de bezwaren van appellante. Op grond van artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht worden de beroepen van appellante geacht mede te zijn gericht tegen dit besluit.

Bij brief van 5 mei 2011 heeft appellante de beroepsgronden aangevuld.

Op 17 mei 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij namens appellante gemachtigde en de heer A zijn verschenen. Namens verweerder zijn verschenen gemachtigden, alsmede mr. Th. Keizer en de heer P.B.J. Huisman.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Verordening PT vakheffing bloemkwekerijproducten (hierna: Verordening) 2005 bepaalt, voor zover hier van belang:

?Artikel 2

1. De kweker, onderscheidenlijk de importeur, is over de door hem verhandelde, voor zover door hem gekweekte, onderscheidenlijk door hem geïmporteerde bloemkwekerijproducten of geïmporteerd uitgangsmateriaal, een heffing verschuldigd.

2. De heffing als bedoeld in het eerste lid, is aan het productschap verschuldigd over het jaar 2005, (…).

(…)

Artikel 3

1. Ter uitvoering van artikel 2 doet de kweker of importeur bij het productschap aangifte van de door hem verhandelde, voor zover door hem gekweekte, onderscheidenlijk door hem geïmporteerde bloemkwekerijproducten of geïmporteerd uitgangsmateriaal.

2. De opgave als bedoeld in het eerste lid, wordt gedaan op een door het productschap te verstrekken aangifteformulier (…).

(…)

Artikel 4

1. De heffing die de kweker of importeur is verschuldigd, wordt opgelegd naar de omzet onderscheidenlijk het totaalbedrag van de invoerwaarde, gerealiseerd in het jaar waarover de heffing verschuldigd is.

(…)

Artikel 12

Een kweker, onderscheidenlijk een importeur van bloemkwekerijproducten wordt geacht, indien hij door hem gekweekte, onderscheidenlijk geïmporteerde bloemkwekerijproducten door tussenkomst van een veiling verhandelt, aan zijn verplichtingen als bedoeld in artikel 2 ten aanzien van de op vorenbedoelde wijze verhandelde producten te hebben voldaan, indien hij de desbetreffende veiling heeft gemachtigd namens hem aan het productschap de door hem verschuldigde heffing te voldoen en deze heffing door het productschap is ontvangen.

Artikel 13

1. De verkoper van bloemkwekerijproducten heeft het recht aan de afnemers van door hem gekweekte bloemkwekerijproducten onderscheidenlijk van door hem rechtstreeks doorverhandelde bloemkwekerijproducten, het hieronder genoemde heffingspercentage van het verkoopbedrag der door hem aan die afnemers verhandelde bloemkwekerijproducten in rekening te brengen van: 0,485%.

2. Indien een verkoper van bloemkwekerijproducten, van het hem in het vorige lid toegekende recht gebruik maakt, zijn de desbetreffende afnemers verplicht het aan hen krachtens het bepaalde in het vorige lid in rekening gebracht, aan die verkoper te voldoen.?

De Verordeningen 2006 en 2007/2 bevatten soortgelijke bepalingen, met dien verstande dat zij betrekking hebben op respectievelijk het jaar 2006 en het jaar 2007. De Verordeningen over 2005, 2006 en 2007 zullen in het navolgende gezamenlijk worden aangeduid als: Verordeningen.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante klaart bloemen uit Afrika in in Nederland.

- Bij nota’s heeft verweerder aan appellante heffingen opgelegd op grond van de Verordeningen over de jaren 2005 (nota van 27 juni 2007, nr. 699904), 2006 (nota van 21 september 2007, nr. 708699) en 2007 (nota van 17 december 2008, nr. 773902). De heffingen over 2005 en 2006 zijn opgelegd na een boekencontrole, de heffing over 2007 is een ambtshalve schatting, gebaseerd op de cijfers verkregen bij de boekencontrole.

- Tegen deze nota’s heeft appellante bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder de beslissingen op bezwaar - die zijn gewijzigd bij besluit van 20 oktober 2010 (hierna: bestreden besluit) - genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

In het bestreden besluit heeft verweerder zich, voor zover van belang na de wijziging en samengevat weergegeven, op het volgende standpunt gesteld.

3.1 Voor de grief over het ontbreken van de ministeriële goedkeuring verwijst verweerder naar twee uitspraken van het College (van 4 juni 2008, LJN: BD4081 en 26 november 2008, LJN: BG8046) waaruit volgt dat het bezwaar ongegrond is.

Ten aanzien van de grief inzake de inzet van de heffingsopbrengst voor onderzoek, is verweerder van mening dat niet regelend wordt opgetreden met betrekking tot de inhoud van het onderzoek en dat de heffing voor het financieren van het onderzoek op grond van de Verordening rechtsgeldig mag worden opgelegd. De onduidelijkheid in de heffingssystematiek die appellante stelt, is verweerder niet gebleken. De manier van heffen is duidelijk omschreven in de Verordening; de heffing wordt geïnd bij de verkoper, die de heffing doorberekent aan de koper. Deze mogelijkheid van doorberekening is volgens het College niet onrechtmatig. Anders dan appellante stelt, gold deze mogelijkheid gelet op de terugwerkende kracht voor het gehele oogstjaar en niet slechts vanaf het moment van publicatie van de Verordening. De stelling dat appellante niet op de hoogte was van de betalingsverplichting kan niet slagen, nu onbekendheid met de regelgeving niemand ontslaat van een in de regelgeving opgenomen betalingsplicht. Bovendien heeft appellante onder de vorige eigenaren vakheffingen afgedragen.

Ook de stelling dat appellante een bemiddelingsbureau is doet aan haar betalingsverplichting niet af: de heffingsplichtige importeur is degene die importhandelingen verricht en producten inklaart.

3.2 In het verweerschrift heeft verweerder nog het volgende aangevoerd. Van strijd met artikel 11 EVRM is geen sprake; verweerder is immers een publiekrechtelijk lichaam en dat een publiekrechtelijk lichaam niet kan worden aangemerkt als een vereniging in de zin van artikel 11 EVRM is bevestigd in de uitspraak van het College van 16 november 2006 (in de zaak AWB 05/408).

De Verordeningen 2005 en 2007 zijn, zoals appellante terecht heeft opgemerkt, tijdens het heffingsjaar gepubliceerd. Aangezien de Verordeningen jaarlijks gelijkluidend zijn en alleen het tarief wijzigt, is de inhoud geen verrassing voor heffingsplichtigen. De heffing wordt, op basis van een aangifte, pas aan het eind van het jaar opgelegd. Op dat moment is er een geldige, gepubliceerde verordening.

Ten slotte is van discriminatie tussen kopers en importeurs geen sprake. De importeur wordt in de Verordening gelijkgesteld met de kweker, omdat de bedoeling is aan het begin van de keten de heffing op te leggen. Aan de handelaar, de volgende schakel, wordt geen heffing opgelegd. De kweker/importeur kan een deel van de opgelegde heffing doorberekenen aan de handelaar.

3.3 Ter zitting heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een importheffing, zodat strijd met de conventies van Lomé/Cotonou niet aan de orde is. Ook strijd met het bepaalde in artikel 10, tweede lid, Verordening (EEG) 234/68 is niet aan de orde; verweerder verwijst in dat verband naar uitspraken van het College.

Ten aanzien van de stelling van appellante dat de nota’s navorderingsaanslagen zijn en dat daaraan voorafgaand een primitieve aanslag had moeten worden opgelegd, merkt verweerder op dat hij niet eerder een heffing kon opleggen, omdat appellante heeft nagelaten aangifte te doen. In een dergelijk geval is verweerder bevoegd om een navordering te doen. Verweerder heeft de heffing gebaseerd op een boekencontrole teneinde voldoende onderbouwing voor de heffing te verkrijgen. Er is geen sprake van een navordering waarbij een verhoging van de heffing van maximaal 10% plaatsvindt. Niet valt in te zien wat het belang van appellante is bij een primitieve aanslag.

Wat betreft de stelling dat de heffingssystematiek in strijd is met het legaliteitsbeginsel heeft verweerder nog het volgende aangevoerd. Het College heeft al geoordeeld dat een systeem waarbij alleen de kweker en importeur heffingsplichtig zijn, niet in strijd is met het legaliteitsbeginsel. Anders dan appellante stelt, ontbreekt niet een grondslag voor het opleggen van de heffing aan een importeur. Sinds jaar en dag is de importeur heffingsplichtig. Dit volgt duidelijk uit de verordeningen, bijvoorbeeld artikel 4, eerste lid, waaruit expliciet volgt dat de importeur heffing is verschuldigd over de invoerwaarde. Voor zover het de restitutie voor handelaren betreft, verwijst verweerder naar een uitspraak van het College waaruit zijns inziens kan worden afgeleid dat deze restitutie niet afdoet aan de rechtmatigheid van de heffingssystematiek. De stelling dat kwekers de heffing niet zouden kunnen doorberekenen is niet aan de orde, nu appellante niet als kweker kan worden aangemerkt.

Ten slotte kan de stelling dat de HbAG-heffing die via de veiling wordt geheven niet aan appellante is gerestitueerd niet slagen nu die heffing rechtstreeks bij de koper in rekening is gebracht. Appellante heeft deze heffing niet afgedragen.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft tegen het bestreden besluit het volgende aangevoerd.

4.1 Appellante is niet aan te merken als importeur van bloemkwekerijproducten en dus niet heffingsplichtig. Zij handelt niet voor eigen rekening en wordt op geen enkel moment eigenares van de bloemen. Uit de tekst van de Verordening blijkt niet dat voor de vaststelling wie importeur is, bepalend is wie de goederen heeft ingeklaard. Inklaren betreft met name een aantal administratieve handelingen en wordt in de praktijk vaak gedaan door gespecialiseerde bedrijven die geen bedrijfsgenoot zijn van het productschap Tuinbouw.

Indien appellante door het College wel als heffingsplichtige wordt beschouwd, voert appellante tevens de volgende gronden aan.

4.2 Het feit dat appellante verplicht bij verweerder is aangesloten en daarvoor heffing moet betalen is in strijd met artikel 11 EVRM. De verordeningen zijn niet tijdig door alle betrokken ministers goedgekeurd. De heffing is mede een bestemmingsheffing waarmee, in strijd met artikel 12 van het Instellingsbesluit, opbrengsten worden gegenereerd ten behoeve van onderzoek.

4.3 De in de heffingsverordeningen gevolgde systematiek is zodanig willekeurig, onduidelijk en onbegrijpelijk dat verweerder geacht moet worden een heffing te hebben ingesteld die de wetgever met het toekennen van de heffingsbevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad en die in strijd is met het legaliteitsbeginsel. De gedachte achter de productschappen is immers dat alle ondernemingen meebetalen. Op grond van de Verordening worden echter alleen kwekers en importeurs aangeslagen. Voorts bevatten de verordeningen nog een groot aantal gebreken op grond waarvan geconcludeerd zou moeten worden dat de gewijzigde verordeningen in strijd zijn met algemene rechtsbeginselen zoals het legaliteitsbeginsel of het rechtszekerheidsbeginsel. Het gaat dan om de volgende gebreken:

a) Kwekers kunnen het kwekersgedeelte niet doorberekenen. Handelaren kunnen het handelsgedeelte wel doorberekenen en kunnen zelfs beter worden van de doorverkoop. Het systeem leidt er toe dat kopers/handelaren er beter van worden. Via het restitutiestelsel wordt namelijk niet de betaalde heffing gerestitueerd, maar het heffingspercentage over het verkoopbedrag en dat is meer dan het betaalde bedrag, uitgaande van het feit dat er met de transactie winst wordt gemaakt. Hetzelfde geldt voor de doorberekening: de “heffing” wordt betaald over het aankoopbedrag, de doorberekening betreft een percentage van het verkoopbedrag. Daarnaast is er een aanzienlijk tariefverschil tussen heffingen voor kwekers enerzijds en handelaren anderzijds.

b) Importeurs worden qua tarief gelijkgesteld met kwekers, terwijl zij feitelijk handelaren zijn.

c) De bevoegdheid van de verkoper om een percentage van het factuurbedrag door te berekenen roept problemen op. Verkopers dragen bij buitenlandse verhandeling het kopersgedeelte zelf, zodat de last voor de verkoper bij binnenlandse verhandeling lager is dan die bij buitenlandse verhandeling. Dat is in strijd met het Europees Recht.

d) Bij de Verordeningen van 2005 en 2007 was er bij aanvang van het heffingsjaar geen sprake van een verbindende verordening. De kweker/importeur kon op dat moment dus niet rechtsgeldig doorberekenen.

Appellante werd pas in de loop van 2007 door verweerder op de hoogte gesteld van het feit dat zij heffingsplichtig is. Onbekendheid met regelgeving ontslaat niemand van de betalingsplicht, maar dan moet de regelgeving wel op de juiste wijze worden afgekondigd. Daarvan is in casu geen sprake. De verordening discrimineert tussen kopers en importeurs, terwijl het in beide gevallen om “handelaren” gaat waartussen het enige verschil is dat de importeurs de bloemkwekerijproducten in het buitenland kopen.

4.4 Tenslotte zijn er verschillen tussen de in het Mededelingenblad voorgehangen tekst en de in het Verordeningenblad gepubliceerde tekst.

4.5 In het nadere beroepschrift en ter zitting heeft appellante nog gesteld dat het HbAG-gedeelte dat via de veiling is ingehouden niet is gerestitueerd. Daarnaast mag volgens de conventies van Lomé geen heffing worden geheven over producten uit de landen waaruit de beheven bloemkwekerijproducten afkomstig zijn. Verder voert appellante aan dat de heffing voor importeurs anders dan eerder is geoordeeld, wel moet worden beschouwd als een discriminerende heffing, onder meer omdat de heffingsverordening wel restitutieregelingen kent voor handelaren en kwekers, maar niet voor importeurs, zodat de heffing uiteindelijk voor importeurs hoger is. Tenslotte heeft appellante aangevoerd dat er geen primitieve aanslagen zijn geweest, enkel naheffingen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Bij het besluit van 20 oktober 2010 heeft verweerder de besluiten van 24 februari 2009 ingetrokken, de bezwaren voor zover gericht tegen het HbAG-gedeelte van de heffing gegrond verklaard en de overige bezwaren ongegrond verklaard. De beroepen worden op grond van artikel 6:19 Awb (mede) geacht gericht te zijn tegen dit nieuwe besluit. Voor zover de beroepen gericht zijn tegen de ingetrokken besluiten van 24 februari 2009, dienen ze niet-ontvankelijk verklaard te worden.

5.2 Het College overweegt dat ingevolge artikel 2 van de Verordening de importeur, naast de kweker, een heffing is verschuldigd over de door hem verhandelde, voor zover door hem geïmporteerde bloemkwekerijproducten. De importeur wordt in artikel 1, derde lid, onder e, gedefinieerd als: de ondernemer die bloemkwekerijproducten of uitgangsmateriaal (in 2007/2: teeltmateriaal) invoert. Volgens de toelichting op het aangifteformulier is degene op wiens naam het product wordt ingeklaard en daarmee de goederen in het vrije verkeer van de EU brengt, aansprakelijk voor de afdracht van de vakheffing ongeacht of hij commissionair of bemiddelaar is. Uit de boekencontrole blijkt dat appellante de bloemkwekerijproducten inklaart. Op grond van deze omstandigheden en in lijn met de uitspraak van het College van 29 juni 2010 in de zaak AWB 09/525 (LJN: BN0342) oordeelt het College dat verweerder appellante terecht en in overeenstemming met voormelde Verordeningen en de nadere precisering in de toelichting als heffingsplichtige importeur van de bloemkwekerijproducten, zoals deze op de nota’s zijn vermeld, heeft aangemerkt. Voor de opvatting van appellante, dat de onderneming vanwege de diensten als commissionair niet heffingsplichtig is, biedt de Verordening geen steun, nu bepalend is dat de onderneming de goederen op haar naam heeft ingevoerd en niet doorslaggevend is dat - in dit geval - Afrikaanse bedrijven aan appellante een commissie betalen.

5.3 Het College acht de grief dat geen naheffing had mogen worden opgelegd omdat appellante niet in de gelegenheid is gesteld om aangifte te doen ongegrond. Verweerder is op grond van artikel 6 van de Verordeningen bevoegd een heffing op te leggen op basis van een raming van de omvang van de heffingsgrondslag indien blijkt dat de verstrekking van de gegevens (of een raming) niet in overeenstemming met de werkelijkheid is. De omstandigheid dat in dit geval geen gegevens zijn verstrekt op basis waarvan de heffingsgrondslag kon worden vastgesteld, kan eveneens aanleiding zijn tot raming van de omvang van de heffingsgrondslag. Dat appellante geen aangifteformulier heeft ontvangen en daarom geen gegevens heeft verstrekt, doet daaraan niet af. Daarbij neemt het College in aanmerking dat appellante zichzelf heeft laten uitschrijven bij het productschap. Dat verweerder appellante niet alsnog in de gelegenheid heeft gesteld zelf aangifte te doen, alvorens op basis van het eerder gehouden boekenonderzoek de omvang van de heffingsgrondslag te ramen, acht het College, in dit geval niet kennelijk onredelijk.

5.4 De grief dat sprake is van schending van het Verdrag van Lomé/Cotonou slaagt niet, nu geen sprake is van een invoerheffing.

5.5 Het College overweegt met betrekking tot de grief dat de onderhavige Verordeningen willekeurige, onduidelijke en onredelijke heffingen bevatten, het volgende. Aan een algemeen verbindend voorschrift kan slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig geacht moeten worden met een hogere – algemeen verbindende – regeling, dan wel indien met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever en derhalve met terughoudendheid toetsend geoordeeld moet worden dat het voorschrift een toetsing aan algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan. Bij de beoordeling of dit het geval is, is van belang of sprake is van een willekeurige en onredelijke heffing en zich strijd met het legaliteitsbeginsel voordoet. Gelet op de uitspraak van 17 december 2009 in de zaak AWB 06/707 (LJN: BL3965) en anders dan door appellante uit de uitspraak van 7 mei 2010 is afgeleid, overweegt het College dienaangaande het volgende. Van groot belang is de vraag of het algemeen verbindend voorschrift aan de heffingsplichtige voldoende inzicht geeft in de daaruit voor hem voortvloeiende rechten en verplichtingen. De beantwoording van die vraag dient zich toe te spitsen op de voorschriften die de grondslag vormen van de opgelegde heffing en de hieruit voortvloeiende rechten en plichten. In het onderhavige geval betekent dit dat het College met betrekking tot de grief dat er sprake is van een willekeurige en onduidelijke heffing alleen die onderdelen zal beoordelen die betrekking hebben op de in de onderhavige zaken opgelegde heffing voor de verkoop door de importeur.

5.5.1 Met betrekking tot de grieven die zien op de heffingssystematiek overweegt het College het volgende.

Verweerder hanteert voor kwekers en importeurs een gelijk heffingspercentage. De ratio voor de gelijkstelling is dat zowel de producten met binnenlandse oorsprong als de uit derde landen geïmporteerde bloemkwekerijproducten aan heffing worden onderworpen in hetzelfde handelsstadium, te weten het moment waarop deze producten in Nederland voor het eerst in de handel worden gebracht. Met inachtneming van de terughoudende toets die het College hier dient te hanteren, kan niet met succes worden betoogd dat verweerder niet in redelijkheid tot een gelijkstelling van de heffingspercentages voor kwekers en importeurs heeft kunnen besluiten. Ook de grief dat er ten onrechte een verschil bestaat tussen hetgeen de importeur betaalt (het heffingstarief van 1,10%) en hetgeen de handelaar via doorberekening betaalt (0,485%), kan niet slagen. Uit het voorgaande blijkt dat de positie van beiden niet hetzelfde is. Vanuit dit verschil kan het verschil in hetgeen zij moeten betalen, gerechtvaardigd worden. De stelling van appellante, ten slotte, dat sprake is van een discriminerende heffing omdat de heffingsverordening wel restitutieregelingen kent voor handelaren en kwekers, maar niet voor importeurs, is onjuist. Ook voor importeurs is voorzien in restitutiemogelijkheden die zijn afgestemd op de rol die de importeur in de handelsketen vervult.

5.5.2 Voor zover door appellante grieven worden geformuleerd die gericht zijn tegen de in de Verordening neergelegde mogelijkheid voor de kweker of importeur om een percentage van het factuurbedrag door te berekenen aan de buitenlandse koper, overweegt het College dat in het onderhavige geval niet is gesteld noch is gebleken dat sprake is geweest van verkoop door appellante aan een buitenlandse koper zodat deze grieven naar het oordeel van het College geen verdere bespreking behoeven.

5.5.3 Met betrekking tot de grief dat er geen grondslag was voor de doorberekening omdat er geen geldige Verordening was in 2005 en 2007 oordeelt het College dat een na aanvang van het heffingsjaar vastgestelde Verordening terugwerkende kracht kan hebben en aldus de doorberekening van een grondslag kan voorzien. De Verordeningen die betrekking hebben op het jaar 2005 en 2007 en die ten grondslag liggen aan de onderhavige heffingen zijn gepubliceerd op 6 mei 2005 en op 8 februari 2008. De ontwerpverordening voor het jaar 2005 is ruim voor het begin van het jaar gepubliceerd, te weten op 28 mei 2004. De ontwerpverordening van de verordening die ten grondslag ligt aan de opgelegde heffing over 2007 (Verordening 2007/2) is gepubliceerd op 3 augustus 2007. Deze verordening is voorafgegaan door een andere verordening voor het jaar 2007 die is gepubliceerd op 1 juni 2007. Hoewel die eerste Verordening gebrekkig is gepubliceerd, bevatte die gebrekkige publicatie wel een bepaling over de doorberekening. Hetzelfde geldt voor de ontwerpverordening die aan die gebrekkig gepubliceerde verordening voorafging (publicatie op 5 mei 2006). Ook de overige hiervoor genoemde ontwerpverordeningen bevatten een bepaling die de verkoper de mogelijkheid geven een bepaald (heffings)percentage bij de koper in rekening te brengen en een bepaling die de kopende partij verplicht het bij hem in rekening gebrachte te voldoen aan de verkoper. Het systeem van doorberekenen is in die jaren, alsmede het tussenliggende jaar, niet gewijzigd.

Het College begrijpt het betoog van appellante verder zo dat zij stelt dat zich met betrekking tot de doorberekeningsbepaling strijd met het rechtszekerheidsbeginsel voordoet nu de Verordeningen pas achteraf in werking treden voor een bepaald jaar. Dit betoog slaagt niet. Daarbij slaat het College acht op het feit dat de uiteindelijk afgekondigde Verordeningen in dit opzicht niet afwijken van de vooraf gepubliceerde ontwerpverordeningen en de systematiek op het punt van het in rekening brengen bij de koper door de verkoper in de betreffende jaren niet is gewijzigd, zodat deze mogelijkheid van doorberekening in hoge mate voorzienbaar was voor de verkoper. Daarbij komt dat appellante bovendien in voorgaande jaren (blijkens de boekencontrole) de verschuldigde heffing ook heeft afgedragen.

De grief dat appellante onbekend was met de heffing en pas in 2007 op de hoogte werd gesteld van de heffingsplicht kan gelet op het voorgaande evenmin slagen.

5.5.4 Gelet op het hiervoor overwogene ziet het College in het door appellante aangevoerde geen aanleiding de in 5.5 geformuleerde vraag ontkennend te beantwoorden.

5.6 De grief dat kwekers een gedeelte niet kunnen doorberekenen valt gelet op het hiervoor onder paragraaf 5.5 overwogene buiten de omvang van het onderhavige geschil, aangezien de heffing is opgelegd aan een importeur. Hetzelfde geldt voor het gestelde verschil tussen kweker en handelaar.

De grief dat het via de veiling afgedragen HbAG-gedeelte van de heffing niet is gerestitueerd slaagt niet. Op de heffingsnota’s is bij ‘verkopen via de veiling’ een percentage van 0,625% vermeld. Daaruit blijkt dat het HbAG-gedeelte niet door de veiling bij appellante is ingehouden.

De in het beroepschrift gestelde grief over de verschillen tussen de voorgehangen tekst van de Verordening en de gepubliceerde tekst is verder niet geconcretiseerd. Ook de verwijzing naar de zaak AWB 09/592 e.v. kan niet als zodanig worden aangeduid, nu in die zaak de grief was toegesneden op verschillen voor de jaren 2003 en 2004. Onder deze omstandigheden zal het College deze grief onbesproken laten.

5.7 Over de overige door appellante aangedragen gronden oordeelt het College als volgt. Deze gronden en de onderbouwing daarvan komt overeen met de gronden die in andere, reeds door het College beoordeelde zaken waarbij appellante niet betrokken was, zijn aangevoerd. Het College volstaat met verwijzing naar het oordeel ter zake in eerder genoemde zaken.

Voor de beoordeling van de door appellante gestelde schending van artikel 11 EVRM verwijst het College naar overweging 5.1 in de uitspraak van het College van 30 juni 2010 in de zaak AWB 09/590 (LJN: BN0939). Voor de beoordeling van de grief dat de heffing mede dient voor onderzoek, welke activiteiten onder het verbod van regeling als bedoeld in artikel 93 Wbo vallen, verwijst het College naar overweging 5.2 van dezelfde uitspraak. Voor een bespreking van de grief dat de betrokken Verordeningen uitsluitend door de Minister van LNV en niet door de andere betrokken ministers zijn goedgekeurd, verwijst het College naar hetgeen zij hierover in overweging 2.3 in de uitspraak van 29 juni 2010 in de zaak AWB 09/525 (LJN: BN0342) heeft overwogen.

5.8 Het bovenstaande leidt tot de conclusie dat de beroepen ongegrond dienen te worden verklaard.

Met het besluit van 20 oktober 2010 is verweerder gedeeltelijk tegemoet gekomen aan de bezwaren van appellante. Het College acht derhalve termen aanwezig om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante. Aangezien het gaat om samenhangende zaken, worden deze voor de toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a van het Besluit proceskostenbestuursrecht, beschouwd als één zaak. Verweerder dient de kosten van de door gemachtigde van appellante beroepsmatig verleende rechtsbijstand, met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht, te vergoeden. Deze zijn vastgesteld op € 644,- (één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor de zitting die heeft plaatsgevonden, tegen een waarde van € 322,- per punt, betreffende een zaak van gemiddeld gewicht, met vermenigvuldigingsfactor 1).

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen voor zover gericht tegen de besluiten van 24 februari 2009 niet-ontvankelijk;

- verklaart de beroepen voor zover gericht tegen het besluit van 20 oktober 2010 ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten voor de behandeling van de beroepen van appellante tot een bedrag van

€ 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder het door appellante voor de behandeling van de beroepen betaalde griffierecht ad € 297,-- (zegge:

tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. J.A. de Koning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 31 augustus 2011.

w.g. M. Munsterman w.g. J.A. de Koning