Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BR6945

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
AWB 09/1039
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBHAA:2009:BJ2116, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Hoger beroep, meststoffenwet, bestuurlijke boete

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1039 26 augustus 2011

16005 Meststoffenwet

Bestuurlijke boete

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, te B, appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem (hierna: rechtbank) van 29 juni 2009,

kenmerk AWB 08/5112, in het geding tussen appellant

en

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie,

voorheen de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit (hierna: verweerder),

gemachtigde: mr. L.C. Commandeur, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 3 augustus 2009, bij de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: Afdeling) binnengekomen op 5 augustus 2009, hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor vermelde, op 1 juli 2009 aan partijen verzonden, uitspraak van de rechtbank (www.rechtspraak.nl, LJN: BJ2116).

Bij brief van 5 augustus 2009 heeft de Afdeling, met toepassing van artikel 6:15 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), het hoger beroepschrift aan het College doorgezonden.

Bij brief van 7 september 2009 heeft verweerder een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Op 16 maart 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De grondslag van het geschil

Bij besluit van 16 april 2008 heeft verweerder appellant een bestuurlijke boete opgelegd van € 200,- wegens het niet volledig en inzichtelijk bijhouden van zijn administratie in het kader van de Meststoffenwet. Bij brief van 3 mei 2008 heeft appellant tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 27 juni 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en de bestuurlijke boete gehandhaafd.

Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, voor zover niet bestreden, wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.

3. De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 27 juni 2008 gerichte beroep van appellant bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder terecht heeft besloten tot het opleggen aan appellant van een boete van

€ 200,- wegens het, in strijd met het bepaalde in de artikelen 34 en 35 van de Meststoffenwet, de artikelen 32, eerste lid, 36, onderdeel b en 69, tweede lid, van het Uitvoeringsbesluit Meststoffenwet (hierna: Uitvoeringsbesluit) en de artikelen 40 en 124, eerste lid, van de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet (hierna: Uitvoeringsregeling), niet volledig en inzichtelijk bijhouden van zijn administratie. Hiertoe heeft de rechtbank onder meer het volgende overwogen:

“ (..)

2.4 De rechtbank overweegt dat eiser op grond van de Meststoffenwet en de bij of krachtens deze wet gestelde regelgeving verplicht is een veesaldoregistratie bij te houden. Dat eiser van deze administratieplicht niet op de hoogte was en hij niet langer voldoet aan de derogatievoorwaarden doen daar niet aan af. Nu eiser niet beschikte over een volledig bijgehouden en inzichtelijke veesaldoregistratie voor het jaar 2007, is er sprake van overtreding van artikel 32 van het Uitvoeringsbesluit.

2.5 Ingevolge de beleidsregel legt verweerder in dat geval een boete op van € 200,-. Dit beleid is niet kennelijk onredelijk. Er is niet gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in afwijking van het beleid van boeteoplegging had moeten afzien. Het ontbreken van officiële formulieren voor het opgeven van de veesaldoregistratie kan niet als bijzondere omstandigheid worden aangemerkt. Verweerder heeft derhalve terecht besloten tot het opleggen van een boete van € 200,-.”

4. De standpunten van partijen in hoger beroep

4.1 Appellant kan zich niet verenigen met de uitspraak van de rechtbank en stelt ook in hoger beroep dat hij niet op de hoogte was van de administratieplicht. Officiële formulieren voor het opgeven van deze administratie ontbraken. Bovendien, zo heeft appellant aangevoerd, voldoet hij niet aan de voorwaarden voor derogatie, waardoor hij automatisch valt onder de gebruiksnorm voor dierlijke mest van 170 kg stikstof per hectare en dus niet verplicht is een administratie bij te houden. Ter zitting heeft appellant daarnaast nog aangevoerd dat hij, ten tijde van de inspectie, wel degelijk formulieren met betrekking tot het jaar 2007 heeft overgelegd.

4.2 Verweerder heeft het volgende naar voren gebracht.

Tijdens een controlebezoek aan het bedrijf van appellant heeft de Algemene Inspectiedienst geconstateerd dat appellant niet beschikte over een volledig bijgehouden en inzichtelijke veesaldoregistratie over 2007. Hiermee heeft appellant niet voldaan aan de verplichting tot het bijhouden van een inzichtelijke administratie. Appellant heeft ten tijde van de controle een overzicht overgelegd, bestaande uit kolommen waarin uitsluitend is aangegeven of dieren zijn geboren, verkocht of dood zijn. Verweerder stelt dat deze informatie onvoldoende is, nog los van het feit dat het op het verkeerde jaar 2006 betrekking had. De controle had namelijk betrekking op het jaar 2007.

Voor zover appellant stelt dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor derogatie en dus niet verplicht is een administratie bij te houden, stelt verweerder dat het volledig bijhouden van een inzichtelijke administratie een verplichting is, die niets met derogatie te maken heeft, maar voor iedere landbouwer geldt. Schending hiervan levert een afzonderlijke boete op.

Naar aanleiding van hetgeen appellant ter zitting heeft aangevoerd, namelijk dat hij, ten tijde van de inspectie, formulieren betreffende het jaar 2007 heeft overgelegd, stelt verweerder dat appellant ook met het overleggen van deze I&R (identificatie en registratie) formulieren inzake meststoffen niet heeft voldaan aan het vereiste tot het bijhouden van een inzichtelijke en volledige administratie.

5. De beoordeling van het geschil in hoger beroep

5.1 Ter beoordeling van het College staat de vraag of de rechtbank terecht het beroep van appellant ongegrond heeft verklaard.

5.2 Het College beantwoordt deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

5.3. Met de rechtbank is het College van oordeel dat het feit dat appellant niet van de administratieplicht op de hoogte zou zijn en hij niet langer voldoet aan de derogatievoorwaarden niet afdoet aan de administratieplicht als neergelegd in (onder meer) artikel 32 van het Uitvoeringsbesluit. Ook de ter zitting overgelegde I&R (identificatie en registratie) formulieren inzake meststoffen leiden niet tot de conclusie dat appellant heeft voldaan aan de verplichting per kalenderjaar een inzichtelijke administratie bij te houden. Het College is van oordeel dat deze formulieren geen informatie bevatten waaruit blijkt wat de gemiddelde veebezetting was over 2007. De rechtbank is dan ook terecht tot het oordeel gekomen dat in dit geval sprake is van een overtreding van artikel 32 van het Uitvoeringsbesluit.

5.4 Voorts overweegt het College dat de hoogte van de boete conform verweerders beleid is, als neergelegd in de beleidsregel bestuurlijke boetes Meststoffenwet (Stcrt. 19 december 2005, 246). Het College is met de rechtbank van oordeel dat dit beleid niet kennelijk onredelijk is en dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden die tot afwijking van het beleid aanleiding hadden behoren te geven. Verweerder heeft dan ook terecht besloten tot het opleggen van een boete van € 200,-.

5.5 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, leidt dit tot de slotsom dat het hoger beroep ongegrond is. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. E. Dijt in tegenwoordigheid van mr. L.B.J. Leunissen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2011.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. L.B.J. Leunissen