Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BR6868

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
30-08-2011
Datum publicatie
07-09-2011
Zaaknummer
AWB 09/533
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2009:BH5019, Overig
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Douane-expediteur is belanghebbende bij besluit tot weigering invoer partij garnalen; voldoende aannemelijk dat organoleptisch onderzoek zorgvuldig is verricht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/533 30 augustus 2011

17000 Warenwet

Uitspraak in de zaak van:

Voedsel en Waren Autoriteit, te Den Haag, appellante,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam (hierna: rechtbank) van 3 maart 2009 met kenmerk AWB 08/942 (www.rechtspraak.nl LJN: BH5019) in het geding tussen

appellante

en

Jac. Meisner International Expeditiebedrijf B.V., te Rotterdam, hierna: Meisner,

en

Froconsur B.V., te Leeuwarden, hierna: Froconsur.

Gemachtigde van appellante: mr. B.J. Drijber, advocaat te Den Haag.

Gemachtigde van Meisner en Froconsur: mr. ing. B.J.B Boersma, werkzaam bij Customs Knowledge te Langezwaag.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 10 april 2009, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, hoger beroep ingesteld tegen voornoemde uitspraak van de rechtbank (hierna: de aangevallen uitspraak).

Bij brief van 18 juni 2009 heeft appellante de gronden van het hoger beroep aangevuld en tevens een nieuwe beslissing op bezwaar van 6 mei 2009 overgelegd.

Bij griffiersbrief van 19 juni 2009 heeft het College bericht dat deze nieuwe beslissing op bezwaar bij de behandeling van het hoger beroep zal worden meegenomen.

Bij brief van 28 augustus 2009 hebben Meisner en Froconsur een reactie op het hoger beroepschrift ingediend.

Op 16 juni 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.C. van Engelen, kantoorgenote van mr. Drijber voornoemd, en mr. A.A. ten Cate, werkzaam bij appellante. Namens appellante is tevens verschenen G. Reinholz, keuringsdierenarts bij appellante. Meisner en Froconsur zijn vertegenwoordigd door mr. ing. Boersma voornoemd. Namens Meisner zijn voorts verschenen M. Peereboom en D.A. Weijgertze en namens Froconsur A. Papa.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 1:2

1. Onder belanghebbende wordt verstaan: degene wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

(…).”

De Warenwetregeling Veterinaire controles (derde landen) (hierna: Warenwetregeling) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 2

Het binnen Nederlands grondgebied brengen van eet- en drinkwaren, afkomstig uit een land dat niet behoort tot de Europese Unie, en het vervolgens verhandelen daarvan, geschiedt met inachtneming van de ter zake bij of krachtens richtlijn 97/78/EG gestelde bepalingen.

(…)

Artikel 4

Als bevoegde autoriteit, bedoeld in richtlijn 97/78/EG, wordt aangewezen de Voedsel en Waren Autoriteit.”

Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (hierna: Richtlijn 97/78) luidt, voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 2

(…)

2. Voorts wordt verstaan onder

(…)

e) „belanghebbende bij de lading”: elke natuurlijke of rechtspersoon die overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautaire douanewetboek verantwoordelijk is voor het verloop van de in die verordening bedoelde situaties waarin de partij kan verkeren, alsmede de in artikel 5 van die verordening bedoelde vertegenwoordiger en die de verantwoordelijkheid op zich neemt met betrekking tot de gevolgen van de door deze richtlijn voorgeschreven controles;

(…)

Artikel 4

1. Elke partij wordt in de in artikel 3, lid 2, bedoelde grensinspectiepost veterinair gecontroleerd door het overeenkomstig artikel 6, lid 1, onder b), onder de verantwoordelijkheid van de officiële dierenarts geplaatste personeel van de bevoegde autoriteit.

(…)

4. Met uitzondering van de in de artikelen 9 tot en met 15 bedoelde specifieke gevallen, verricht de officiële dierenarts:

(…)

b) een materiële controle van iedere partij om:

i) zich ervan te vergewissen dat de producten voldoen aan de eisen van de communautaire wetgeving en geschikt zijn om te worden gebruikt voor de in het begeleidend certificaat of document aangegeven doeleinden.

(…)

Artikel 6

1. De grensinspectiepost moet:

(…)

b) onder het gezag staan van een officiële dierenarts die feitelijk de verantwoordelijkheid voor de controles draagt. De officiële dierenarts mag zich door speciaal daartoe opgeleide hulpkrachten laten bijstaan.

(…)

Artikel 17

(…)

5. Alle kosten in verband met de terugzending of vernietiging van de partij of het gebruik van het product voor andere doeleinden komen ten laste van de belanghebbende bij de lading of zijn vertegenwoordiger.

(…)

Artikel 22

(…)

2. Wanneer bij een van de bij deze richtlijn vastgestelde controles blijkt dat een partij producten een gevaar kan vormen voor de gezondheid van mens of dier, neemt de bevoegde veterinaire autoriteit onmiddellijk de volgende maatregelen:

- beslag op en vernietiging van de betrokken partij,

(…)

Artikel 25

(…)

2. Deze richtlijn doet geen afbreuk aan de krachtens de wetgeving van de lidstaten bestaande rechtsmiddelen tegen de besluiten van de bevoegde autoriteiten.

Elk door de bevoegde autoriteit genomen besluit en de redenen daarvoor worden meegedeeld aan de bij dat besluit betrokken belanghebbende bij de lading of zijn vertegenwoordiger.

Indien de belanghebbende bij de lading of zijn vertegenwoordiger daarom verzoekt, moet het met redenen omklede besluit hem schriftelijk worden medegedeeld met opgave van de rechtswegen die de wetgeving van de lidstaat die de controle verricht, voor hem openstelt, alsmede van de vorm waarin en de termijnen waarbinnen van deze rechtswegen gebruik moet worden gemaakt.

(…).”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Meisner heeft als douane-expediteur, in opdracht van importeur Froconsur, een uit China afkomstige partij garnalen, bekend onder GDB-nummer 06052050, voor invoer in de Europese Unie (hierna: EU) aangemeld.

- Op 18 december 2006 heeft een organoleptisch onderzoek plaatsgevonden van deze partij garnalen door een keuringsdierenarts (G. Reinholz), een keurmeester (B. van Kooij) en twee onbekende medewerkers van appellante. De resultaten van dit onderzoek zijn neergelegd in het “registratieformulier D-, O- en M-controles van producten” van 18 december 2006, dat is ondertekend door Reinholz, Van Kooij en de twee onbekende medewerkers. In dit registratieformulier is onder Bevindingen vermeld: “sterke ammoniakgeur en rioollucht”.

- Bij faxbericht van 18 december 2006, gericht aan Meisner, heeft appellante het voornemen bekend gemaakt de partij garnalen vanwege de volksgezondheid te weigeren voor invoer in de EU.

- Bij faxbericht van 19 december 2006 heeft Meisner gereageerd op dit voornemen.

- Bij besluit van 20 december 2006, gericht aan Meisner, heeft appellante medegedeeld dat de partij garnalen vanwege de diergezondheid geweigerd wordt voor invoer in de EU en ter destructie bestemd is.

- Bij brief van 28 januari 2007 heeft Meisner bezwaar gemaakt tegen dit besluit.

- Bij faxbericht van 7 februari 2007, gericht aan Meisner, heeft appellante medegedeeld dat de partij garnalen vanwege de volksgezondheid geweigerd wordt voor invoer in de EU en ter destructie bestemd is.

- Bij brief van 7 februari 2007 hebben Meisner en Froconsur bezwaar gemaakt tegen dit faxbericht.

- Bij uitspraak van 9 maart 2007 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het verzoek om voorlopige voorziening van Froconsur niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om voorlopige voorziening van Meisner afgewezen.

- Op 20 maart 2007 heeft een hoorzitting plaatsgehad.

- Bij beslissing op bezwaar van 1 februari 2008 heeft appellante de bezwaren van Meisner en Froconsur niet-ontvankelijk verklaard.

- Tegen dit besluit hebben Meisner en Froconsur beroep ingesteld bij de rechtbank.

- Vervolgens heeft de rechtbank de aangevallen uitspraak gedaan, waarbij – onder meer – het beroep van Meisner gegrond is verklaard, het besluit van 1 februari 2008 ten dele is vernietigd en appellante is opgedragen een nieuwe beslissing op het bezwaar van Meisner te nemen.

- Bij besluit van 6 mei 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft appellante, ter uitvoering van de aangevallen uitspraak, een nieuwe beslissing op het bezwaar van Meisner genomen.

3. De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van Meisner tegen de beslissing op bezwaar van 1 februari 2008 gegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank allereerst overwogen dat Meisner als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb moet worden aangemerkt en dat het in het faxbericht van 20 december 2006 vervatte besluit op juiste wijze bekend is gemaakt. Het bezwaar van Meisner tegen dit besluit is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank heeft vervolgens naar aanleiding van het subsidiaire standpunt van appellante, dat het bezwaar, indien wel ontvankelijk, ongegrond is, aanleiding gezien zich inhoudelijk over de zaak te buigen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het standpunt dat appellante ten onrechte niet heeft toegestaan een contra-expertise te doen verrichten niet kan slagen en voorts dat appellante in beginsel kon volstaan met organoleptisch onderzoek omdat uit Richtlijn 97/78 niet volgt dat in een geval als het onderhavige daarmee niet zou kunnen worden volstaan. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het onderzoek zorgvuldig is geweest en is verricht door gekwalificeerde controleurs. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellante het “verslag van bevindingen” niet in de procedure heeft gebracht, terwijl daar naar het oordeel van de rechtbank reden toe beston, temeer nu volgens appellante een gestandaardiseerde methode voor organoleptisch onderzoek ontbrak. De rechtbank heeft de beslissing op bezwaar van 1 februari 2008 vernietigd en appellante opgedragen opnieuw op het bezwaar van Meisner te beslissen.

De rechtbank heeft het beroep van Froconsur tegen de beslissing op bezwaar van 1 februari 2008, voor zover dat ziet op het besluit van 20 december 2006, niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij destijds geen bezwaar heeft gemaakt tegen dit besluit en artikel 6:13 Awb eraan in de weg staat dat Froconsur in beroep komt tegen dit besluit.

Voorts heeft de rechtbank overwogen dat het faxbericht van 7 februari 2007 niet een op rechtsgevolg gericht besluit behelst en dat de bezwaren van Meisner en Froconsur tegen dit faxbericht derhalve terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard. De rechtbank heeft het beroep van Meisner en Froconsur in zoverre ongegrond verklaard.

4. Het standpunt van appellante en het bestreden besluit

Appellante voert in hoger beroep aan op goede gronden te hebben besloten dat Meisner, in zijn hoedanigheid van douane-expediteur, niet als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb kan worden aangemerkt bij het besluit van 20 december 2006. Het belang van Meisner is een belang dat is afgeleid van het belang van Froconsur, en daarmee niet aan te merken als een rechtstreeks belang. De bestaande jurisprudentie van de rechtbank hierover is niet eenduidig, aldus appellante.

Volgens appellante heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat niet is aangetoond dat het onderzoek zelf zorgvuldig is geschied. Appellante heeft, naast de informatie die in het besluit van 20 december 2006 en het faxbericht van 7 februari 2007 staat opgenomen, het voornemen tot weigering van 18 december 2006, het “Gemeenschappelijk Document van Binnenkomst”, het “registratieformulier D-, O-, en M-controles voor producten” en het “controlerelaas bij weigering producten & levende dieren” in de procedure bij de rechtbank ingebracht. Dat zij het genoemde registratieformulier – dat ook wel het “verslag van bevindingen” wordt genoemd – volgens de rechtbank niet zou hebben verstrekt, ziet appellante dan ook niet. Zij heeft bovendien alle haar ter beschikking staande stukken overgelegd die betrekking hebben op de wijze waarop het onderzoek is verricht. Voor zover er al sprake was van een zorgvuldigheidsgebrek is dit inmiddels hersteld, aldus appellante. Bovendien heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat niet is aangetoond dat het onderzoek bevoegdelijk is geschied. In het algemeen geldt als uitgangspunt dat het door appellante uitgevoerde onderzoek op zorgvuldige wijze en door daartoe bevoegde medewerkers is uitgevoerd, behoudens door betrokkene(n) te stellen en aannemelijk te maken aanwijzingen voor het tegendeel. Van dergelijke aanwijzingen is in het onderhavige geval niet gebleken, aldus appellante. Bovendien waren bij het onderzoek vier medewerkers betrokken. Over de kwalificatie van G. Reinholz, keuringsdierenarts, en B. van Kooij, keurmeester, kan volgens appellante in ieder geval geen enkele onzekerheid bestaan, aangezien van hen beiden het functiestempel op het registratieformulier aanwezig is. Tegen deze achtergrond is het vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid niet relevant dat de namen en functies van de andere twee medewerkers niet bekend zijn gemaakt. Het is immers niet vereist dat een onderzoek door meer dan twee ambtenaren van appellante wordt verricht. De inschakeling van één bevoegde dierenarts en één bevoegde controleur volstaat. Op grond van het registratieformulier kan dus reeds worden vastgesteld dat het onderzoek bevoegdelijk – en daarmee zorgvuldig – is geschied, aldus appellante.

Tot slot betoogt appellante dat artikel 7:2, eerste lid, Awb geen algemene verplichting bevat tot het opnieuw horen van een belanghebbende bij het nemen van een nieuw besluit op bezwaar ter voldoening aan een uitspraak van een bestuursrechtelijk college waarbij het eerdere besluit op bezwaar is vernietigd. Slechts indien sprake is van nieuw bekend geworden feiten en omstandigheden, die voor het opnieuw op het bezwaar te nemen besluit van aanmerkelijk belang kunnen zijn, is het vanuit het oogpunt van zorgvuldigheid van belang om een belanghebbende opnieuw te horen. Naar de mening van appellante is geen sprake van nieuwe feiten en omstandigheden indien het standpunt van een belanghebbende voldoende bekend is. Bij afwezigheid van nieuw gebleken feiten of omstandigheden heeft appellante bij de vaststelling van de nieuwe beslissing op bezwaar terecht van een aanvullende hoorzitting afgezien.

Het bestreden besluit, waarbij de bezwaren van Meisner tegen het besluit van 20 december 2006 ongegrond zijn verklaard, berust op overwegingen die overeenkomen met hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd.

5. Het standpunt van Meisner en Froconsur

Meisner en Froconsur stellen zich in de eerste plaats op het standpunt dat de rechtbank Meisner terecht als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb heeft aangemerkt. Zij verwijzen daartoe naar hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen en naar een arrest van de Hoge Raad van 1 december 2006 (www.rechtspraak.nl, LJN: AR4027).

Voorts zijn Meisner en Froconsur van mening dat de resultaten van het microbiologische onderzoek een rol kunnen spelen in deze procedure. De stelling dat microbiologisch onderzoek niet kan bijdragen aan enige conclusie is thans immers achterhaald. Appellante schrijft bovendien op geen enkele wijze voor hoe een organoleptisch onderzoek moet worden uitgevoerd en aan welke voorwaarden het moet voldoen. Dergelijke onderzoeken zijn naar hun aard subjectief en de resultaten zijn afhankelijk van diverse omstandigheden en voorwaarden. Het uitvoeren van een organoleptisch onderzoek is om die reden niet eenvoudig. Het is daarom des te meer van belang dat er alles aan wordt en is gedaan om zorg te dragen voor een juist, representatief en reproduceerbaar oordeel, waaruit blijkt dat met al die omstandigheden en voorwaarden rekening is gehouden. Appellante heeft dat in dit geval nagelaten, aldus Meisner en Froconsur. Meisner en Froconsur menen voorts dat niet iedereen zomaar geschikt is om organoleptische onderzoeken uit te voeren. Zij vragen zich af of de bewuste medewerkers in dit geval voldoende gekwalificeerd waren. Louter het feit dat iemand keuringsdierenarts is, betekent niet dat deze per definitie expert is op het gebied van vis en schaaldieren. Het door appellante gestelde kan er dan ook niet toe leiden dat de onderzoeken zijn verricht door voldoende gekwalificeerde medewerkers.

Meisner en Froconsur zijn voorts van mening dat appellante hen ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld opnieuw te worden gehoord alvorens het bestreden besluit te nemen, ondanks een expliciet verzoek daartoe. Appellante had op grond van de uitspraak van de rechtbank aanvullende informatie dienen te overleggen waarover Meisner en Froconsur zich vervolgens zouden kunnen uitlaten, maar zij heeft dat niet gedaan omdat die volgens haar niet bestaat. Om hierover nader van gedachten te kunnen wisselen, was een hoorgesprek een eerste vereiste. Bovendien hadden ook Meisner en Froconsur tijdens dat gesprek nieuwe feiten en omstandigheden hebben kunnen aandragen. Het staat niet vast dat geen sprake was van nieuwe feiten en omstandigheden. Een hoorgesprek vormt volgens Meisner en Froconsur ook een onderdeel van het recht op verdediging, waarmee het een belangrijk algemeen beginsel van behoorlijk bestuur is.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Het College dient in hoger beroep in de eerste plaats de vraag te beantwoorden of de rechtbank Meisner terecht als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb heeft aangemerkt. Daartoe overweegt het College als volgt.

Tussen partijen is niet in geschil dat Meisner als “belanghebbende bij de lading” in de zin van artikel 2, tweede lid, onderdeel e, van Richtlijn 97/78 moet worden aangemerkt. Op grond van artikel 17, vijfde lid, van Richtlijn 97/78 komen de kosten van destructie van de partij garnalen voor rekening van Meisner. Voor Meisner wordt aldus een zelfstandig rechtsgevolg in het leven geroepen door het bij besluit van 20 december 2006 weigeren en ter destructie bestemmen van de partij garnalen. Dat Meisner de kosten van destructie mogelijk verhaalt op Froconsur op grond van een civielrechtelijke overeenkomst, doet hieraan niet af.

Uit artikel 25, tweede lid, Richtlijn 97/78 volgt voorts dat appellante elk genomen besluit en de redenen daarvoor meedeelt aan Meisner, als “belanghebbende bij de lading”, met opgave van de rechtswegen die voor Meisner zijn opengesteld. Het College stelt verder vast dat zowel het voornemen tot weigering van de partij garnalen van 18 december 2006, het besluit tot weigering van de partij garnalen van 20 december 2006, als het faxbericht van 7 februari 2007 is gericht aan Meisner, die als douane-expediteur namens Froconsur de bewuste partij garnalen ter invoer heeft aangemeld. Ter zitting van het College is daarnaast duidelijk geworden dat Meisner in opdracht van Froconsur alle administratieve, logistieke en praktische zaken regelt en coördineert met betrekking tot de invoer van (onder meer) de partij garnalen uit China, waardoor Meisner, in haar hoedanigheid van douane-expediteur, feitelijk als praktisch aanspreekpunt fungeert voor appellante in het kader van de invoer van (onder meer) deze partij garnalen en dat Froconsur als importeur niet tot nauwelijks in beeld is bij appellante.

Gelet op het voorgaande dient Meisner naar het oordeel van het College als belanghebbende bij het besluit van 20 december 2006 te worden aangemerkt.

Een dergelijk oordeel is bovendien in overeenstemming met de (in onder meer het reeds genoemde arrest neergelegde) opvatting van de Hoge Raad inzake de uitnodiging tot betaling aan douane-expediteurs.

De rechtbank heeft Meisner derhalve terecht als belanghebbende in de zin van artikel 1:2 Awb aangemerkt. In zoverre slaagt het hoger beroep van appellante niet.

6.2 Voor zover het hoger beroep van appellante is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat niet aannemelijk is gemaakt dat het onderzoek op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden omdat appellante niet alle relevante stukken met betrekking tot het onderzoek heeft overgelegd, overweegt het College als volgt.

Appellante heeft betoogd dat alle over het onderhavige organoleptisch onderzoek bestaande stukken zich bevinden in het procesdossier zoals dat door het College van de rechtbank is ontvangen. Het College heeft geen aanleiding daaraan te twijfelen. Voor zover de rechtbank haar oordeel heeft gebaseerd op de overweging dat appellante niet alle van belang zijnde stukken – in het bijzonder het “verslag van bevindingen” – zou hebben overgelegd, volgt het College dat oordeel dan ook niet, aangezien het kennelijk op een onjuiste feitelijke grondslag berust. Het hoger beroep van appellante slaagt derhalve en de aangevallen uitspraak dient om die reden te worden vernietigd.

6.3 Met betrekking tot het bestreden besluit overweegt het College het volgende.

Ingevolge de artikelen 6:18, eerste lid, 6:19, eerste lid, en 6:24, eerste lid, Awb wordt het hoger beroep van Meisner en Froconsur geacht van rechtswege te zijn gericht tegen het bestreden besluit.

6.4 Het College is, evenals de rechtbank en op dezelfde gronden, van oordeel dat het beroep van Froconsur tegen de beslissing op bezwaar van 1 februari 2008, voor zover het ziet op het besluit van 20 december 2006, niet-ontvankelijk is. In het verlengde hiervan moet worden geoordeeld dat het hoger beroep van Froconsur tegen het bestreden besluit eveneens niet-ontvankelijk is.

6.5 Het College verwerpt het standpunt van Meisner dat appellante haar voorafgaand aan het bestreden besluit opnieuw had moeten horen. Gelet op hetgeen onder 6.2 is overwogen, bestond voor een nieuwe hoorzitting in dit geval geen aanleiding.

6.6 Met betrekking tot het door verweerder verrichte onderzoek naar de partij garnalen overweegt het College als volgt.

Het College stelt vast dat het organoleptisch onderzoek is verricht door vier medewerkers van appellante, waaronder de officiële keuringsdierenarts G. Reinholz. Dit betekent dat het organoleptisch onderzoek is verricht in overeenstemming met het bepaalde in de artikelen 4 en 6 van Richtlijn 97/78.

Het aldus uitgevoerde organoleptisch onderzoek heeft een duidelijke waarneming van de vier betrokken controleurs opgeleverd, namelijk dat de partij garnalen een afwijkende geur had en sterk naar ammoniak en rioollucht rook. Deze waarneming is neergelegd in het door alle vier betrokken controleurs ondertekende “registratieformulier D-, O- en M-controles van producten”. Ter zitting van het College heeft keuringsdierenarts Reinholz verklaard dat zij geregeld keuringen van (vergelijkbare) partijen garnalen verricht en dat de onderhavige partij er duidelijk in negatieve zin uitsprong wat betreft de geur. Het College gaat uit van de deskundigheid van de officiële keuringsdierenarts en ziet geen aanleiding in dit geval daaraan te twijfelen. Gelet hierop ziet het College evenmin aanleiding te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het onderzoek, de betrouwbaarheid van het resultaat daarvan en van de daaruit getrokken conclusie dat de partij garnalen voor invoer in de EU diende te worden geweigerd. Het enkele feit dat de mogelijkheid van een contra-expertise destijds door appellante nog niet werd gegeven en daarom ook in het onderhavige geval niet heeft plaatsgevonden, doet aan deze conclusie niet af. Weliswaar heeft appellante in het kader van een screeningsprogramma ook enige monsters genomen van deze partij garnalen en deze microbiologisch onderzocht, maar vast staat dat dit op grond van Richtlijn 97/78 niet noodzakelijk was. Bovendien is niet in geschil dat destijds geen microbiologische normen bestonden waaraan de toestand van een partij garnalen als hier aan de orde kon worden getoetst. De resultaten van de op de afgenomen monsters uitgevoerde onderzoeken kunnen daarom niet afdoen aan het resultaat en de conclusie van het verrichte organoleptisch onderzoek.

Het hoger beroep van Meisner slaagt dan ook niet.

6.7 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Daarbij overweegt het College dat de rechtbank in het – door het College juist bevonden – subsidiaire standpunt van appellante in het besluit van 1 februari 2008 aanleiding had behoren te vinden bij de vernietiging te bepalen dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven. De vernietiging van de bestreden uitspraak zal daartoe beperkt blijven.

Het van rechtswege ontstane hoger beroep van Meisner, gericht tegen het bestreden besluit, dient ongegrond te worden verklaard.

Het eveneens van rechtswege ontstane hoger beroep van Froconsur, gericht tegen het bestreden besluit, is niet-ontvankelijk.

6.8 Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep bestaat geen aanleiding.

7. De beslissing

Het College:

- vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank daarin heeft nagelaten de rechtsgevolgen van het vernietigde

besluit van 1 februari 2008 in stand te laten;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 1 februari 2008, voor zover dit is vernietigd, in stand blijven;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- verklaart het hoger beroep van Meisner tegen het besluit van 6 mei 2009 ongegrond;

- verklaart het hoger beroep van Froconsur tegen het besluit van 6 mei 2009 niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. E. Dijt, mr. E.R. Eggeraat en mr. M.A. van der Ham, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 30 augustus 2011.

w.g. E. Dijt w.g. P.H. Broier