Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BR6583

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-08-2011
Datum publicatie
02-09-2011
Zaaknummer
AWB 09/118
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Heffingen Pbo

Termijnoverschrijding in bezwaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/118 26 augustus 2011

4242 Heffing

Vakheffing bloembollen

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigden: mevrouw C en de heer D, werkzaam bij appellante,

tegen

het Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigden: mr. R.J.M. van den Tweel en mr. M.L. Batting, beiden advocaat te Den Haag.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 19 januari 2009, bij het College binnengekomen op 20 januari 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 december 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen opgelegde vakheffingen bloembollen leverbaar over de jaren 2001 tot en met 2008 niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 8 mei 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 30 maart 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij gemachtigden van appellante zijn verschenen. Namens verweerder zijn verschenen gemachtigden en mr. C.J.A. Groenewoud, de heer P.B.J. Huisman en ir. J.J.J. Langeslag.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1:3

1. Onder besluit wordt verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

(…)

Artikel 6:6

Het bezwaar kan niet-ontvankelijk worden verklaard, indien:

a. niet is voldaan aan (…) enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, (…)

Artikel 6:7

De termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift bedraagt zes weken.

(…)

Artikel 6:10

1. Ten aanzien van een voor het begin van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien het besluit ten tijde van de indiening:

a. wel reeds tot stand gekomen was, of

b. nog niet tot stand was gekomen, maar de indiener redelijkerwijs kon menen dat dit reeds het geval was.

(…)

Artikel 6:11

Ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift blijft niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest."

Op grond van de Verordeningen PT vakheffing bloembollen leverbaar 2001 tot en met 2008 (hierna: de Verordeningen) zijn koper en verkoper van bloembollen leverbaar een heffing verschuldigd. Die heffing bedraagt een percentage van het factuurbedrag. Dit factuurbedrag is het bedrag van de factuur exclusief de behandelingskosten en de kosten kleinverpakkingsmateriaal.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante is teler en verkoper van bloembollen.

- Op 8 september 2008 heeft appellante een brief gestuurd aan verweerder waarin zij - onder bijvoeging van een specificatie - heeft aangegeven dat over de jaren 2001 tot en met 2008 ten onrechte heffingen zijn geïnd over te hoge factuurbedragen (inclusief behandelingskosten). Deze brief is door verweerder opgevat als bezwaarschrift tegen nota’s van verweerder, waarbij aan appellante vakheffingen zijn opgelegd in de periode 2001 tot 8 september 2008.

- Bij brief van 1 oktober 2008 heeft verweerder op de brief van appellante gereageerd.

- Bij brief van 7 oktober 2008 heeft appellante een gewijzigde specificatie van de teveel geïnde bedragen aan verweerder toegezonden.

- Op 11 december 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. In de periode van zes weken voorafgaand aan 8 september 2008 zijn door verweerder geen voor bezwaar vatbare besluiten genomen.

De bezwaren met betrekking tot de periode 2001 tot en met 2006 zijn te laat ingediend. Er is volgens verweerder geen sprake van een verschoonbare termijnoverschrijding.

Voor 2007 en 2008 is overwogen dat die nota’s nog niet waren opgelegd ten tijde van de indiening van het bezwaarschrift. Derhalve zijn deze bezwaarschriften prematuur ingediend. Er was ten tijde van het bezwaar geen sprake van een reeds tot stand gekomen besluit, noch mocht appellante ervan uitgaan dat het besluit al was genomen.

Ter zitting heeft verweerder daaraan toegevoegd dat zij coulancehalve over een aantal jaren de heffingen die appellante te veel heeft afgedragen in heeft gerestitueerd. Daartegen is geen bezwaar gemaakt.

4. Het standpunt van appellante

Appellante voert aan dat de heffing over de jaren 2001 tot en met 2008 is geheven over het factuurbedrag inclusief behandelingskosten, terwijl de behandelingskosten op grond van de Verordeningen als aftrekpost zijn aan te merken. Naar aanleiding van een naheffing als gevolg van een boekencontrole is appellante er achter gekomen dat in de Verordeningen staat dat zij recht heeft op aftrek van behandelingskosten. Deze aftrekpost dient alsnog te worden toegepast.

Ook met de coulancehalve toegepaste aftrek van 12% van de totale omzet voor behandelingskosten is appellante niet akkoord. Dit percentage dekt niet de werkelijke behandelingskosten.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 In de onderhavige procedure heeft appellante op 8 september 2008 bezwaar gemaakt tegen de nota’s die aan haar werden opgelegd over de jaren 2001 tot en met 2008.

5.2 Met betrekking tot het bezwaar tegen de nota’s die zijn opgelegd over de periode 2001 tot en met 2006, overweegt het College het volgende. In de Awb is een termijn voorgeschreven van zes weken voor het indienen van bezwaar. In de periode van zes weken voorafgaand aan 8 september 2008 is geen voor bezwaar vatbaar besluit genomen dan wel bekend gemaakt ten aanzien van appellante over de in geding zijnde jaren. Derhalve kan ingevolge artikel 6:11 Awb slechts sprake zijn van een ontvankelijk bezwaar als redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante in verzuim is geweest. Appellante heeft in dit verband aangevoerd dat zij niet eerder op de hoogte was van het recht op aftrek van behandelingskosten en daarom eerst nu bezwaar heeft gemaakt. Deze omstandigheid komt voor rekening en risico van appellante en kan niet leiden tot het oordeel dat in het onderhavige geval sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding. Het College is dan ook van oordeel dat verweerder de bezwaren die betrekking hebben op de nota’s waarbij heffingen zijn opgelegd over de jaren 2001 tot en met 2006 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.3 Met betrekking tot het bezwaar tegen de nota’s over de jaren 2007 en 2008 overweegt het College als volgt. Deze nota’s waren ten tijde van het bezwaar nog niet opgelegd aan appellante. Ook was geen sprake van de situaties als beschreven in het eerste lid, onder a of b, van artikel 6:10 Awb. Ook het bezwaar tegen deze besluiten is derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

5.4 Tegen de besluiten waarbij de teveel afgedragen heffingen coulancehalve aan appellante zijn gerestitueerd heeft appellante geen bezwaar gemaakt. Aan een bespreking van die besluiten komt het College dan ook niet toe. Volledigheidshalve merkt het College op dat appellante bij brief van 19 januari 2009 beroep heeft ingesteld tegen een besluit van verweerder van 18 december 2008 over de berekening van de omzet over 2004 en 2005, mede gelet op de aftrek van behandelingskosten. Dit beroep is geregistreerd onder zaaknummer AWB 09/119.

5.5 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

5.6 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M.M. Smorenburg, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. J.A. de Koning als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 augustus 2011.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. J.A. de Koning