Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BR5861

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
12-07-2011
Datum publicatie
26-08-2011
Zaaknummer
AWB 09/1288
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de architectentitel; verzoek om ontheffing van het afleggen van het examen voor architecten; criterium van uitzonderlijke bekwaamheid

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1288 12 juli 2011

33000 Wet op de architectentitel

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: mr. J. de Vet, werkzaam bij D.A.S. Nederlandse Rechtsbijstand Verzekeringsmaatschappij N.V.,

tegen

de Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, verweerder,

gemachtigde: mr. I.M. Pieters, werkzaam bij verweerders ministerie.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 6 oktober 2009, bij het College binnengekomen op 7 oktober 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 28 augustus 2009. Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant, gericht tegen de afwijzing van zijn verzoek om op grond van artikel 9, eerste lid, onder g, van de Wet op de Architectentitel ontheffing te verlenen van het afleggen van een examen voor architecten, ongegrond verklaard. Bij brief van 2 november 2009 heeft appellant de gronden van het beroep aangevuld.

Bij brief van 1 december 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 2 november 2010 heeft appellant een repliek ingediend.

Voorts heeft appellant in die brief aangekondigd dat naar de zitting C als deskundige zal worden meegebracht.

Op 15 maart 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Tevens is verschenen C. Voor verweerder is zijn gemachtigde verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de preambule van Richtlijn 85/384/EEG van de Raad van 10 juni 1985 (PB L 223 van 21.8.1985; hierna: de Richtlijn) inzake de onderlinge erkenning van de diploma’s, certificaten en andere titels op het gebied van de architectuur, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten, is onder meer het volgende overwogen:

“Overwegende dat er in sommige Lid-Staten bepalingen bestaan die de mogelijkheid bieden om, in uitzonderlijke gevallen en in afwijking van de gewoonlijk voor de toegang tot de wettige beroepstitel van architect gestelde opleidingseisen, deze titel te verlenen aan een, overigens zeer klein aantal kunstenaars, wier werk blijk geeft van buitengewoon talent op het gebied van de architectuur; dat voor deze architecten in deze richtlijn een regeling moet worden getroffen, te meer omdat zij vaak een internationale faam hebben”.

De artikelen 1 en 5 van de Richtlijn luidden ten tijde en voor zover van belang als volgt:

“HOOFDSTUK 1

WERKINGSSFEER

Artikel 1

1. Deze richtlijn is van toepassing op de werkzaamheden op het gebied van de architectuur.

2. In de zin van deze richtlijn worden onder werkzaamheden op het gebied van de architectuur de werkzaamheden verstaan die gewoonlijk onder de beroepstitel van architect worden verricht.

Artikel 5

1. De onderdanen van een Lid-Staat die gerechtigd zijn de beroepstitel van architect te voeren uit hoofde van een wet waarbij aan de bevoegde instantie van een Lid-Staat de bevoegdheid wordt gegeven deze titel te verlenen aan de onderdanen van de Lid-Staten die zich in het bijzonder hebben onderscheiden door de kwaliteit van hun prestaties in de architectuur, worden geacht te voldoen aan de voorwaarden die worden gesteld voor het uitoefenen van de in artikel 1 bedoelde werkzaamheden onder de beroepstitel van architect.”

De Wet van 7 juli 1987, houdende regelen omtrent de bescherming van de titels architect, stedebouwkundige, tuin- en landschapsarchitect en interieurarchitect (Wet op de architectentitel; hierna: de Wet) luidde ten tijde en voor zover hier van belang als volgt:

“ Hoofdstuk II Het architectenregister

Artikel 2

1. Er is een architectenregister, in deze wet verder aan te duiden als het register.

2. In het register wordt op verzoek ingeschreven als architect, als stedenbouwkundige, als tuin- en landschapsarchitect of als interieurarchitect degene die voldoet aan de bij of krachtens deze wet gestelde eisen.

3. Onze Minister kan, in overeenstemming met Onze Ministers van Landbouw, Natuur en van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap, voorschriften geven omtrent de inrichting van het register.

(...)

Hoofdstuk IV De inschrijving in het register

Artikel 9

1. Inschrijving in het register als architect wordt verleend aan degene die voldoet aan een van de volgende eisen:

(…)

g. met goed gevolg hebben afgelegd een overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk VI ingericht en afgenomen examen voor architecten of daarvan, wegens ten genoegen van Onze Minister aangetoonde uitzonderlijke bekwaamheid, van Onze Minister ontheffing hebben verkregen

(...)

Hoofdstuk IVb Inschrijving en doorhaling in het register

Artikel 21

1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

Hoofdstuk V Titelbescherming

Artikel 23

1. Gerechtigd tot het voeren van de titel architect, (….) of een afkorting van die titel, hetzij zonder nadere aanduiding, hetzij in woordsamenstellingen waarin de titel of een afkorting daarvan voorkomt, is uitsluitend hij die onder deze titel in het register staat ingeschreven.”

Het Besluit mandaat Rijksbouwmeester (Stcrt. 25 mei 2005, nr. 98, blz. 18) luidde ten tijde en voor zover hier van belang als volgt:

“Artikel 1

In dit besluit wordt verstaan onder:

a. mandaat: bevoegdheid om in naam van de minister besluiten te nemen;

b. minister: Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer;

c. Rijksbouwmeester: Rijksbouwmeester, bedoeld in artikel 13 van het Besluit Rijksgebouwendienst 1999;

d. wet: Wet op de architectentitel.

Artikel 2

Aan de Rijksbouwmeester wordt mandaat verleend tot het nemen van besluiten met betrekking tot:

a. het verlenen van ontheffing wegens “uitzonderlijke bekwaamheid”, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder g, van de wet;

(...)”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- In 1992 zijn op verzoek van de toenmalige Minister van Volkshuisvesting Ruimtelijke Ordening en Milieu (hierna: de minster van VROM) door de Stichting Bureau Architectenregister (hierna: SBA) criteria opgesteld voor de toepassing van het begrip uitzonderlijke bekwaamheid, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, van de Wet. Deze criteria, zoals weergegeven in een brief van SBA aan de Minister van VROM van 15 januari 1992, luidden:

- Er zal sprake moeten zijn van een intensieve vakpraktijk van tenminste 10 jaar.

- Publicaties in vakbladen zullen meer dan eens het uitzonderlijk niveau moeten melden.

- De georganiseerde beroepsgemeenschap zal het werk moeten aanmerken als van grote betekenis voor de ontwikkeling van de architectuur.

- Het werk zal constant van hoog niveau moeten zijn, een autonome visie moeten tonen op ruimtelijke vormgeving en moeten aantonen dat de ontwerper beschikt over het vereiste conceptueel vermogen en de vereiste ontwerpvaardigheden.

- Omvang en breedte van de vakpraktijk zal toereikend moeten zijn geweest om te garanderen dat via de scholing van die praktijk de vereiste kennis, kunde en inzicht is verworven om te kunnen functioneren als bekwaam ontwerper.”

- Verweerder heeft appellant desgevraagd een Memo van het Atelier Rijksbouw-meester van 31 januari 2008 toegezonden. In dit memo worden vier criteria onderscheiden voor de beoordeling van een verzoek om ontheffing van een examen voor architecten wegens uitzonderlijke bekwaamheid:

“ - Er is sprake van een intensieve vakpraktijk op het gebied van de architectuur van tenminste tien jaar [hierna: criterium 1];

- In vakbladen is aandacht besteed aan het werk dan wel het werk wordt aangemerkt als van betekenis voor de ontwikkeling van architectuur [hierna: criterium 2];

- Het werk is constant van hoog niveau, vertoont een autonome visie op ruimtelijke vormgeving en toont aan dat de ontwerper beschikt over het vereiste conceptueel vermogen en de vereiste ontwerpvaardigheden [hierna: criterium 3];

- Omvang en breedte van de vakpraktijk zijn toereikend om in de praktijk als bekwaam ontwerper te kunnen functioneren [hierna: criterium 4].”

- Bij brief van 1 augustus 2008 heeft appellant de Minister van VROM verzocht om hem op grond van artikel 9, eerste lid, onder g, van de Wet ontheffing te verlenen van het afleggen van het examen voor architecten wegens uitzonderlijke bekwaamheid.

- Op 2 september 2008 heeft verweerder een ontvangstbevestiging van het verzoek verzonden.

- Bij brief van 19 oktober 2008 heeft appellant gevraagd naar de stand van zaken van zijn verzoek. Verweerder heeft bij brief van 27 januari 2009 op deze brief gereageerd. Daarbij is onder meer meegedeeld dat op 5 maart 2009 een commissie bij elkaar zal komen die zich zal uitspreken over het verzoek om ontheffing en dat het oordeel van de commissie na genoemde datum aan appellant kenbaar zal worden gemaakt.

- Bij brief van 30 januari 2009 heeft appellant verweerder eraan herinnerd beschikbaar te zijn voor een nadere toelichting op het verzoek om ontheffing. Voorts heeft appellant gevraagd of hij in de gelegenheid wordt gesteld om te reageren op het oordeel van de Commissie.

- Op 3 maart 2009 heeft een Commissie van deskundigen (hierna: de Commissie), bestaande uit M. Zwarts en D. Bakker, het verzoek om ontheffing beoordeeld. Blijkens het verslag van 10 maart 2009 is de Commisie met toepassing van de criteria uit het memo van 31 januari 2008 tot het oordeel gekomen dat appellant niet in aanmerking komt voor vrijstelling van het architectenexamen op grond van uitzonderlijke bekwaamheid. In het verslag is opgemerkt dat het volgens de Commissie niets toevoegt indien appellant wordt gehoord, omdat het oordeel van de Commissie evident is.

- Bij besluit van 1 april 2009 heeft verweerder het verzoek om ontheffing, op basis van de bevindingen van de Commissie, afgewezen. Daarbij is onder meer overwogen dat de Commissie heeft geconstateerd dat:

- appellant meer dan 10 jaar werkzaamheden op het gebied van de architectuur heeft verricht. Aard en omvang van de door appellant geproduceerde werken zijn in principe voldoende breed;

- er een duidelijke lacune bestaat ten aanzien van de hoeveelheid publicaties. In de verschillende vakbladen is nauwelijks of geen aandacht besteed aan zijn werk en behalve de aanbevelingsbrieven die zijn overgelegd komt vrijwel niet de bekendheid dan wel de waardering tot uiting van zijn werk zoals is beoogd met het uitzonderlijkheidscriterium. Gezien de afwezigheid van aandacht van de vakpers voor zijn werk acht de Commissie het zeer twijfelachtig dat het werk als zijnde van betekenis voor de architectuur kan worden aangemerkt.

- het werk van appellant van een redelijk niveau is, maar dat een duidelijke autonome visie op de architectuur ontbreekt.

- Tegen dit besluit heeft appellant op 12 mei 2009 bezwaar gemaakt.

- Op 25 mei 2009 heeft verweerder appellant bericht dat zijn bezwaarschrift in behandeling is genomen.

- Bij brief van 3 juni 2009 heeft appellant gereageerd op de brief van 25 mei 2009.

- Appellant is op 30 juni 2009 omtrent zijn bezwaren gehoord door mr. I.M. Pieters, werkzaam bij het Ministerie van VROM, en twee deskundigen: Ir. N.C. van Vugt en Ir. P.G. Vermeulen.

- Appellant heeft bij brief van 22 juli 2009 een verslag van de hoorzitting ingediend.

- Verweerder heeft op 23 juli 2009 het verslag van de hoorzitting vastgelegd.

- Op dit verslag heeft appellant bij brief van 31 juli 2009 gereageerd.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en nadere standpunten van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Daartoe heeft verweerder onder meer het volgende overwogen.

In 1972 is op verzoek van de Minister van VROM door een commissie onder voorzitterschap van prof. mr. A. Kleijn (hierna: de Commissie Kleijn) een voorstel voor een wet ter bescherming van de architectentitel ontworpen. De Commissie Kleijn heeft de uitzonderlijke bekwaamheidsclausule omschreven als een “speciale voorziening voor de enkeling die van een zo singuliere begaafdheid heeft blijk gegeven dat hij ondanks een onvoldoende theoretische vooropleiding een sieraad voor de architectenstand vormt.”

In 1992 zijn voor de toepassing van de uitzonderlijke bekwaamheidsregeling criteria opgesteld. Volgens vaste jurisprudentie van het College is het hanteren van deze criteria niet in strijd met de tekst, het doel of de strekking van de wet. Ten aanzien van de criteria 1 en 4 heeft verweerder opgemerkt dat appellant aan deze criteria voldoet, zodat zijn bezwaren terzake geen verdere bespreking behoeven.

Met betrekking tot de bezwaren die zijn gericht tegen het oordeel dat niet is voldaan aan criterium 2 heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat:

- het artikel over Le Corbusier wellicht vanuit historisch perspectief van belang is, maar dat daarmee geen uitzonderlijke architectonische kwaliteiten van appellant zelf zijn aangetoond; het is meer een beschrijving van een proces;

- het ontwerp van de woningbouw in Hoorn van Niels Sigsgaard is en dus diens concept is; in de pers is alleen een melding gemaakt van de betrokkenheid van appellant bij dit project.

Voorts heeft verweerder op dit punt overwogen: “Het feit dat u concepten van anderen, als ware u de architect, naar behoren heeft uitgewerkt en ook mee heeft gedacht in de ontwerpfase, leidt nog niet tot de vaststelling van de aanwezigheid van de vereiste uitzonderlijke bekwaamheid. Als van uitzonderlijke bekwaamheid sprake zou zijn, had dit moeten blijken uit de reactie van de beroepspraktijk op uw werk. Niet in de zin dat uw vakgenoten menen dat u als een volwaardig architect kun optreden, waarop in uw aanbevelingsbrieven wordt gedoeld, en u het als geregistreerd architect goed zou doen, zoals u zelf stelt, maar dat vanuit de deskundigheid die in de beroepspraktijk en de vakpers aanwezig is, wordt geoordeeld dat sprake is van werk dat verre uitstijgt boven het gemiddelde niveau dat van een architect verwacht mag worden en dat als zodanig van betekenis is voor de ontwikkeling van de architectuur. Hiervan is in uw geval niet gebleken.”

Met betrekking tot het derde criterium heeft verweerder overwogen: “ (…) naar de mening van de vakdeskundigen, uw visie waarin u de mens als gebruiker van de grond, van de plek en van het gebouw centraal stelt, de plekgevoeligheid, geen bijzondere visie is. Deze visie is door menig ander ontwerper uitgedragen en is niet nieuw, zoals u zelf ook heeft gesteld. Bovendien komt in het werk waaraan u op verschillende bureaus heeft meegewerkt, dan wel uit de opgevoerde werken die aantoonbaar tot een eindresultaat hebben geleid, deze visie niet als zodanig naar voren. Uw overgelegde studies inzake Spiral betreffen een aantal (ruwe) schetsen die slechts deelaspecten bevatten van een ontwerp en die verder niet zijn uitgewerkt en derhalve niet op hun merites kunnen worden beoordeeld.”

Tot slot heeft verweerder opgemerkt dat het moet gaan om erkenning vanuit de beroepspraktijk van een uitzonderlijke bekwaamheid. De regeling is niet bedoeld om te dienen als een escape-clausule voor de beroepsoefenaars die op grond van individuele belangen zich willen registreren als architect. In het verweerschrift heeft verweerder daar nog aan toegevoegd dat de ontheffing niet bedoeld is voor personen die al jaren in de architectuur werkzaam zijn en in de ogen van hun werkgevers of opdrachtgever dan wel vakgenoten als bekwaam ontwerper kunnen functioneren. Voorts is het om een ontheffing te kunnen rechtvaardigen tegenover degenen die wel de benodigde examens hebben gedaan, billijk dat hoge eisen worden gesteld aan het verkrijgen van die ontheffing.

Ten aanzien van de bezwaren die de formele kant van de procedure betreffen, heeft verweerder overwogen dat de Rijksbouwmeester bij het Mandaatbesluit is gemandateerd om namens de Minister te beslissen op het ontheffingsverzoek. Voorts is het vast beleid dat de Rijksbouwmeester zich bij de beoordeling van een verzoek als hier in geding laat bijstaan door twee deskundigen. Zij zijn vanwege hun gerespecteerde deskundigheid op het terrein van de architectuur en hun jarenlange ervaring in het vak aangetrokken. Daardoor kunnen zij aanvragen als die van appellant op hun merites beoordelen. De twijfel die appellant heeft bij de heer Zwarts, omdat lang geleden aan een van zijn medewerkers de gevraagde ontheffing voor het architectenexamen is verleend, deelt verweerder niet. Verweerder heeft er voorts op gewezen dat appellant in bezwaar door twee andere deskundigen is gehoord, zodat een zo objectief mogelijke heroverweging plaats zou kunnen vinden.

Het advies van de deskundigen naar aanleiding van een bijeenkomst, waaraan de Rijksbouwmeester niet deel heeft genomen, is door de Rijksbouwmeester in het besluit van 1 april 2009 overgenomen.

Het standpunt van appellant dat bij hem de verwachting is gewekt dat hij in de gelegenheid zou worden gesteld op het oordeel van de Commissie te reageren, deelt verweerder niet.

Verweerder heeft ter zitting desgevraagd verklaard dat tot 2000 tien verzoeken om ontheffing zijn ingediend, maar dat geen enkel verzoek is ingewilligd. De destijds ontwikkelde criteria waren dusdanig geformuleerd dat niemand daaraan kon voldoen. Om die reden zijn op initiatief van de Rijksbouwmeester de criteria handzamer gemaakt, zij het dat – uiteraard – nog steeds sprake moet zijn van uitzonderlijke bekwaamheid. Vanaf 2000 wordt getoetst aan de nieuwe, enigszins lichtere criteria en zijn drie van de zes ingediende verzoeken ingewilligd. Het verzoek van appellant is aan deze criteria getoetst.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder hem ontheffing had moeten verlenen voor het architectenexamen, omdat hij voldoet aan het criterium van uitzonderlijke bekwaamheid. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant – samengevat weergegeven – het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft bij de behandeling van zijn verzoek om ontheffing ten onrechte getoetst aan criteria, zoals die zij neergelegd in een niet-ondertekende memo van 31 januari 2008. Dit memo kan reeds op formele gronden niet geldig worden geacht, nu niet is gebleken dat de Minister de Rijksbouwmeester heeft gemandateerd ten aanzien van de gehanteerde criteria. Verweerder had volgens appellant toepassing moeten geven aan de criteria zoals die zijn neergelegd in een brief van de SBA van 15 januari 1992. Die criteria zijn een uitvloeisel van de benadering van de SBA dat ontheffing van de exameneis door de beroepsgemeenschap wordt ervaren als een bevestiging van het geconstateerde hoge niveau van de aanvrager. Dit past volgens appellant bij de titelbeschermende functie van het architectenregister.

Appellant heeft voorts betwist dat hij niet heeft voldaan aan criteria 2 en 3.

Allereerst heeft verweerder het begrip “werk” uit deze criteria onjuist gedefinieerd en is deze definitie niet terug te vinden in het wettelijk kader. Volgens appellant behelst het begrip “werk” ook de werkzaamheden die als architect worden verricht.

Met betrekking tot criterium 2 heeft appellant zich op het standpunt gesteld dat verschillende vakbladen meer dan eens aandacht besteedden aan zijn werk en dat daarmee is voldaan aan het criterium. Voorts bestaat er geen norm voor het aantal publicaties. Appellant acht het verder onjuist dat aandacht in de vakbladen een noodzakelijke voorwaarde is om van betekenis te kunnen zijn voor de architectuur. Bij beroepsgenoten ervaart appellant waardering voor de betekenis van zijn werk voor de ontwikkeling van de architectuur. Dit blijkt bijvoorbeeld uit de overgelegde aanbevelingsbrieven. Daarnaast ligt het volgens appellant in de rede dat aan een kwart eeuw onafgebroken, intensieve en brede ervaring met uiteenlopende architectonische opdrachten een zekere betekenis voor de ontwikkeling van de architectuur wordt toegekend.

Met betrekking tot criterium 3 heeft verweerder volgens appellant ten onrechte overwogen dat een “duidelijk autonome visie op architectuur “ wordt gemist, terwijl dit criterium gaat over een autonome visie op ruimtelijke vormgeving. Voorts is niet vereist dat sprake moet zijn van een nieuwe visie. Uit de aanbevelingsbrieven, die het beeld schetsen van een herkende, gewaardeerde en bruikbare visie, blijkt dat hij voldoet aan dit criterium. Dat verweerder zijn werk als van een redelijk niveau heeft bestempeld, maar dat daarmee niet is voldaan aan het uitzonderlijke niveau, acht appellant een onrechtmatige vermeerdering van de in criterium 3 neergelegde eis dat sprake moet zijn van werk van constant hoog niveau.

Appellant heeft aanvullend op het vorenstaande – samengevat weergegeven – nog een aantal gronden aangevoerd die betrekking hebben op de procedurele aspecten van de procedure.

Appellant voelt zich diep gekrenkt door het feit dat de Commissie hem niet in de gelegenheid heeft gesteld zijn verzoek om ontheffing toe te lichten. Voorts acht appellant deze handelwijze in strijd met het motiveringsbeginsel.

De afwijzingsbrief van 1 april 2009 kan volgens appellant niet als een besluit worden aangemerkt, omdat de brief geen dictum bevat. Voor zover het College tot het oordeel komt dat die brief wel een besluit betreft, stelt appellant zich op het standpunt dat sprake is van een niet rechtsgeldig besluit. De Rijksbouwmeester maakte immers deel uit van de Commissie. Met betrekking tot de Commissie heeft appellant aangevoerd dat hij twijfelt aan de onafhankelijkheid van de deskundigen.

Appellant, van oordeel dat hij voldoet aan alle criteria, heeft het College verzocht om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) zelf in de zaak te voorzien door hem alsnog de gevraagde ontheffing te verlenen.

De deskundige C heeft ter zitting onder meer verklaard dat hij als partner van een architectenbureau in de periode 1999-2004 met appellant heeft samengewerkt. Appellant, die de functie van projectleider uitoefende, heeft hem ondersteund in de conceptuele fase door een vertaling naar de praktijk te maken. Naar de mening van de deskundige bestaat “de architect” niet maar zijn er meerdere typen. Appellant behoort tot het type ambachtelijk meester. Appellant is uitstekend in staat in de luwte te sleutelen aan modellen. Daarbij heeft hij zijn inspiratie opgedaan bij Le Corbusier. Dit heeft geleid tot de visie van de geomantische architectuur. De door appellant ontwikkelde modellen vormen een interessante bijdrage aan de discussie omtrent duurzaamheid in de architectuur. De deskundige is van mening dat appellant de kans verdient om uit de niche te komen om zich verder te ontwikkelen op theoretisch en conceptueel niveau. Ook de architectuur is gebaat bij erkenning van appellant als architect. Appellant heeft een bovengemiddeld talent en er is sprake van vakmanschap. Werk van constant hoog niveau is een relatief begrip. De vraag kan worden gesteld waartegen een hoog niveau wordt afgezet: de wereldberoemde architect, de hts’er of de gemiddelde architect. Bezien vanuit het niveau van de gemiddelde hts’er is bij appellant sprake van een uitzonderlijk niveau.

5. De beoordeling van het geschil

5.1. Ter beoordeling staat of verweerder terecht zijn weigering heeft gehandhaafd om appellant, op grond van artikel 9, eerste lid, onder g, van de Wet, wegens uitzonderlijke bekwaamheid ontheffing te verlenen voor het examen voor architecten.

5.2. Verweerder verleent deze ontheffing indien is voldaan aan de vier criteria die voor de toepassing van dit artikel zijn opgesteld. Zoals verweerder ter zitting heeft verklaard werden tot het jaar 2000 de criteria uit de brief van SBA van 15 januari 1992 toegepast. Vanwege het feit dat geen enkel verzoek om ontheffing de toets aan deze criteria kon doorstaan, heeft in het jaar 2000 op onderdelen enige versoepeling van de criteria plaatsgevonden. Het verzoek van appellant is getoetst aan de nieuwe criteria, zoals die zijn vermeld in het memo van de Rijksbouwmeester van 31 januari 2008. Het College ziet niet in dat verweerder het verzoek van appellant had moeten toetsen aan de oude criteria uit de brief van 15 januari 1992, zoals appellant betoogt. Appellant heeft daar ook geen belang bij, aangezien de nieuwe criteria enigszins lichter zijn geformuleerd dan de oude en deze de inwilliging van het verzoek van appellant op zichzelf dus dichterbij brengen.

5.3 Ten aanzien van de criteria uit de brief van SBA van 15 januari 1992 heeft het College in zijn uitspraken van 1 maart 2000 en 19 april 2000 (www.rechtspraak.nl; LJN: ZG1755 en ZG1837) geoordeeld dat het hanteren daarvan niet in strijd is met de tekst, het doel of de strekking van de Wet. Ten aanzien van de thans toegepaste, enigszins lichter geformuleerde criteria komt het College niet tot een ander oordeel. De wijze waarop verweerder een nadere invulling heeft gegeven aan het wettelijk criterium van uitzonderlijke bekwaamheid acht het College evenzeer in overeenstemming met de tekst, het doel of de strekking van de Wet.

5.4 De stelling van appellant dat de Rijksbouwmeester geen mandaat heeft om de criteria uit het memo van 31 januari 2008 toe te passen is onjuist. Op grond van artikel 2, aanhef en onder a, van het Besluit mandaat Rijksbouwmeester is de Rijksbouwmeester bevoegd om in naam van de Minister te beslissen op een ontheffingsverzoek. Deze bevoegdheid brengt, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, mee dat de Rijksbouwmeester ook bevoegd is om bij de beoordeling van dat verzoek voornoemde criteria te hanteren.

5.5 Verweerder heeft geoordeeld dat appellant niet heeft voldaan aan de criteria 2 en 3 uit het Memo van 31 januari 2008, hetgeen door appellant wordt betwist.

Het College stelt voorop dat toetsing aan de criteria moet worden bezien in het licht van het uitzonderlijke bekwaamheidscriterium van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder g van de Wet. In dit verband acht het College het, anders dan appellant, juist dat verweerder criterium 2 aldus heeft uitgelegd dat sprake moet zijn van publicaties waarin het werk van appellant zelf wordt besproken. Uit de door appellant overgelegde bijlagen behorende bij zijn verzoek om ontheffing is het College gebleken dat in de vakbladen twee artikelen van appellant over Le Corbusier zijn verschenen. Voorts worden in de vakbladen werken genoemd van het architectenbureau waar appellant op dat moment werkzaam was. Die artikelen hebben echter geen betrekking op werken die appellant zelf heeft ontworpen. Verweerder heeft naar het oordeel van het College op basis van de overwegingen, zoals hiervoor in rubriek 3 van deze uitspraak weergegeven, dan ook kunnen concluderen dat niet is voldaan aan criterium 2.

Ten aanzien van criterium 3 heeft appellant betoogd dat verweerder dit criterium onjuist heeft geïnterpreteerd door te stellen dat er sprake moet zijn van een nieuwe visie.

Het College is van oordeel dat verweerder met de, hiervoor in rubriek 3 van de uitspraak weergegeven, uitleg die hij aan dit criterium heeft gegeven, de reikwijdte van dit criterium niet heeft verlaten terwijl, gelet op hetgeen partijen op dit punt over en weer hebben aangedragen, er evenmin aanknopingspunten zijn gevonden om te komen tot het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid het standpunt heeft kunnen innemen dat aan dit, aldus uitgelegde, criterium hier niet is voldaan.

Aan de bij het ontheffingsverzoek overgelegde aanbevelingsbrieven behoefde verweerder niet de betekenis te hechten die appellant daaraan geeft.

In twee van de vijf aanbevelingsbrieven wordt weliswaar vermeld dat sprake is van een krachtige visie op de architectuur, maar verweerder behoefde deze kwalificatie niet gelijk te stellen met een, volgens dit criterium vereiste, autonome visie op de architectuur.

5.6 Het College komt, gezien het vorenstaande, tot de slotsom dat verweerder op goede gronden tot het oordeel is gekomen dat appellant niet voldoet aan criteria 2 en 3 uit het memo van 31 januari 2008 en dat derhalve geen sprake is van uitzonderlijke bekwaamheid als bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder g van de Wet. Dit brengt met zich mee dat verweerder de gevraagde ontheffing terecht heeft geweigerd.

5.7 Het betoog van appellant dat de Commissie in strijd met het motiveringsbeginsel heeft gehandeld door hem niet in de gelegenheid te stellen zijn verzoek om ontheffing mondeling toe te lichten, treft geen doel. Hoewel het College het op zichzelf begrijpelijk acht dat appellant zijn verzoek had willen toelichten behoefde deze omstandigheid verweerder, die appellant in de bezwaarprocedure de gelegenheid heeft geboden zijn bezwaren mede ten overstaan van deskundigen toe te lichten, niet te leiden tot het oordeel dat de gevraagde ontheffing alsnog zou moeten worden verleend.

5.8 Het standpunt van appellant dat het besluit van 1 april 2009 geen rechtsgeldig besluit betreft, volgt het College evenmin. De Rijksbouwmeester heeft blijkens het, tot de stukken behorende, verslag van 10 maart 2009 van de op 3 maart 2009 door de Commissie gehouden bijeenkomst niet deelgenomen aan die bijeenkomst en maakte, anders dan appellant stelt, geen deel uit van de Commissie. Dat in het besluit van 1 april 2009 niettemin wordt vermeld dat de Rijksbouwmeester deel uitmaakte van de Commissie moet, zoals door verweerder ook is bepleit, naar het oordeel van het College dan ook als een misslag worden beschouwd. Voorts is in het lichaam van het besluit duidelijk vermeld dat het verzoek om ontheffing wordt afgewezen. Dat het besluit die afwijzing niet als apart “dictum” vermeld, tast de begrijpelijkheid of het rechtsgevolg van dat besluit niet aan. Verweerder behoefde in een en ander derhalve evenmin aanleiding te zien de bezwaren van appellant gegrond te verklaren.

5.9 De deskundige C heeft ter zitting verklaard en toegelicht dat appellant beschikt over een bovengemiddeld talent. Daarmee is echter niet voldaan aan het criterium van de uitzonderlijke bekwaamheid, zoals bedoeld in artikel 9, eerste lid, onder g, van de Wet.

5.10 Gelet op het vorenstaande dient het beroep van appellant ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond

Aldus gewezen door mr. W.A.J. van Lierop, mr. R.R. Winter en dr. B. Hessel, in tegenwoordigheid van mr. N.W.A. Verrijt als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 12 juli 2011

w.g. W.A.J. van Lierop w.g. N.W.A. Verrijt