Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BR5410

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-06-2011
Datum publicatie
19-08-2011
Zaaknummer
AWB 09/1301
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Spoedeisend opleggen van bestuursdwang wegens overtreding artikel 36 en 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren. Kan het bestuursdwangbesluit aan de nieuwe eigenaar, in de hoedanigheid van overtreder, worden geadresseerd?

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/269 met annotatie van F.R. Vermeer
O&A 2012/12
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1301 27 juni 2011

11201 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. L.C.M. Harteveld en mr. drs. A.J. van Doorn, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 4 oktober 2009, bij het College binnengekomen op 7 oktober 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 augustus 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant tegen de brief van 31 maart 2009 – waarin verweerder appellant als overtreder van meerdere bepalingen van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren aanmerkt en appellant de aan de inbeslagname van 14 schapen en een rund verbonden kosten in rekening brengt – ongegrond verklaard.

Bij brief van 3 december 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 21 februari 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en de gemachtigden van verweerder zijn verschenen. Tevens zijn verschenen C namens appellant en D, toezichthoudend dierenarts bij de Voedsel en Waren Autoriteit (hierna: VWA), namens verweerder.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht) bepaalt:

"Artikel IV

Indien een bestuurlijke sanctie wordt opgelegd wegens een overtreding die plaatsvond voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing."

De Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bepaalde, ten tijde en voor zover hier van belang:

" Artikel 5:21

Onder bestuursdwang wordt verstaan: het door feitelijk handelen door of vanwege een bestuursorgaan optreden tegen hetgeen in strijd met bij of krachtens enig wettelijk voorschrift gestelde verplichtingen is of wordt gedaan, gehouden of nagelaten.

Artikel 5:24

1. Een beslissing tot toepassing van bestuursdwang wordt op schrift gesteld. De schriftelijke beslissing is een beschikking.

2. De beschikking vermeldt welk voorschrift is of wordt overtreden.

3. De bekendmaking geschiedt aan de overtreder, aan de rechthebbenden op het gebruik van de zaak ten aanzien waarvan bestuursdwang zal worden toegepast en aan de aanvrager.

4. In de beschikking wordt een termijn gesteld waarbinnen de belanghebbenden de tenuitvoerlegging kunnen voorkomen door zelf maatregelen te treffen. Het bestuursorgaan omschrijft de te nemen maatregelen.

5. Geen termijn behoeft te worden gegund, indien de vereiste spoed zich daartegen verzet.

6. Indien de situatie dermate spoedeisend is dat het bestuursorgaan de beslissing tot toepassing van bestuursdwang niet tevoren op schrift kan stellen, zorgt het alsnog zo spoedig mogelijk voor de opschriftstelling en voor de bekendmaking.

Artikel 5:25

1. De overtreder is de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

2. De beschikking vermeldt dat de toepassing van bestuursdwang op kosten van de overtreder plaatsvindt.

3. Indien echter de kosten geheel of gedeeltelijk niet ten laste van de overtreder zullen worden gebracht, wordt zulks in de beschikking vermeld.

4. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden begrepen de kosten verbonden aan de voorbereiding van bestuursdwang, voor zover deze kosten zijn gemaakt na het tijdstip waarop de termijn, bedoeld in artikel 5:24, vierde lid, is verstreken.

5. De kosten zijn ook verschuldigd indien de bestuursdwang door opheffing van de onwettige situatie niet of niet volledig is uitgevoerd.

6. Onder de kosten, bedoeld in het eerste lid, worden tevens begrepen de kosten voortvloeiende uit de vergoeding van schade ingevolge artikel 5:27, zesde lid.

Artikel 5:29

1. Tot de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang behoort het meevoeren en opslaan van daarvoor vatbare zaken voor zover de toepassing van bestuursdwang dit vereist.

2. Indien zaken zijn meegevoerd en opgeslagen, doet het bestuursorgaan dat bestuursdwang heeft toegepast daarvan proces-verbaal opmaken, waarvan afschrift wordt verstrekt aan degene die de zaken onder zijn beheer had.

3. Het bestuursorgaan draagt zorg voor de bewaring van de opgeslagen zaken en geeft deze zaken terug aan de rechthebbende.

4. Het bestuursorgaan is bevoegd de afgifte op te schorten totdat de ingevolge artikel 5:25 verschuldigde kosten zijn voldaan. Indien de rechthebbende niet tevens de overtreder is, is het bestuursorgaan bevoegd de afgifte op te schorten totdat de kosten van bewaring zijn voldaan."

De Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwd) bepaalde, ten tijde en voor zover hier van belang:

"Artikel 1

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

houder: eigenaar, houder of hoeder;

(…)

Artikel 36

1. Het is verboden om zonder redelijk doel of met overschrijding van hetgeen ter bereiking van zodanig doel toelaatbaar is, bij een dier pijn of letsel te veroorzaken dan wel de gezondheid of het welzijn van een dier te benadelen.

(…)

3. Een ieder is verplicht hulpbehoevende dieren de nodige zorg te verlenen.

Artikel 37

Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.

Artikel 106

Onze Minister is bevoegd tot toepassing van bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 21 januari 2009 heeft de Algemene Inspectiedienst (hierna: AID) een onderzoek uitgevoerd bij het bedrijf met 40 runderen en 14 schapen van E te F (hierna: E). Uit het naar aanleiding van het onderzoek opgestelde toezichtsrapport blijkt dat onder meer is geconstateerd dat de dieren niet goed gehuisvest zijn, dat er dieren zijn die niet over een droge ligplaats beschikken, dat er dieren zijn die zich ernstig kunnen verwonden aan scherpe delen en dat het water en het voer vuil kunnen worden. Tevens is geconstateerd dat E heeft nagelaten tijdig (medische) zorg te geven aan bovengenoemde dieren.

- Bij brief van 29 januari 2009 heeft verweerder een vooraankondiging bestuursdwang naar E verzonden, waarbij hem is verzocht om tien maatregelen uit te voeren.

- Op 13 februari 2009 heeft de AID een hercontrole uitgevoerd. Uit het toezichtrapport Gwd dat naar aanleiding van deze hercontrole is opgesteld, blijkt dat is geconstateerd dat het merendeel van de maatregelen uit de vooraankondiging niet is uitgevoerd. Voorts blijkt uit het toezichtrapport dat de Dienst Regelingen naar aanleiding van het uitblijven van de maatregelen heeft besloten dat de dieren meegevoerd moesten worden. Nadat de AID E op de hoogte heeft gesteld van deze maatregel, heeft E te kennen gegeven dat de runderen verkocht waren en op 18 februari 2009 opgehaald worden. De Dienst Regelingen heeft daarop verklaard af te zien van het meevoeren van de dieren, mits ook de schapen uiterlijk op 18 februari 2009 het bedrijf verlaten zouden hebben. Voorts is aan E meegedeeld dat op 19 februari 2009 een hercontrole zal plaatsvinden om na te gaan of alle dieren afgevoerd zijn en, zo dit niet het geval is, alsnog herstelmaatregelen genomen zullen worden.

- Op 19 februari 2009 heeft de AID tijdens een tweede hercontrole geconstateerd dat er veertien schapen en één rund op het bedrijf van E aanwezig waren en dat de maatregelen die op 29 januari 2009 door de Dienst Regelingen zijn verzocht, nog steeds niet waren uitgevoerd. Blijkens een daartoe opgemaakt proces-verbaal met nummer 53758, zijn deze dieren met spoed meegevoerd en opgeslagen door de Dienst Regelingen. E was niet aanwezig tijdens de controle en het meevoeren van de dieren.

- Uit eerdergenoemd proces-verbaal blijkt tevens dat de AID op 19 februari 2009 telefonisch contact heeft gehad met appellant, die verklaarde rechthebbende te zijn op het rund en de veertien schapen, maar dat de AID hier nog geen bewijs van heeft gezien.

- Bij brief van 20 februari 2009 heeft appellant aan verweerder onder meer te kennen gegeven dat hij de eigenaar van de dieren is en heeft hij verzocht om het vee vrij te geven. Appellant heeft bij deze brief de factuur van aankoop van de dieren gevoegd.

- Naar aanleiding van een in opdracht van AID uitgevoerde taxatie op 20 februari 2009 heeft beëdigd taxateur G verklaard dat het rund € 275,-- waard is en dat de schapen € 910,-- waard zijn.

- Bij brief van 25 februari 2009 heeft verweerder appellant meegedeeld dat de op 20 februari 2009 door hem overgelegde documenten niet bewijzen dat appellant de eigenaar is van de in bewaring genomen dieren.

- Bij brief van 28 februari 2009 heeft appellant verweerder aanvullende gegevens en verklaringen over de meegevoerde dieren verstrekt onder meer om aan te tonen dat hij de eigenaar is. Een van deze verklaringen is een brief van dierenarts

H, die verklaart dat 29 runderen (nader gespecificeerd aan de hand van ID-codes) op 26 februari 2009 bij de bedrijven van appellant de beschikking hebben over ruim voldoende voer en water, in schone stallen verblijven, een heel gemiddelde conditie hebben en geen tekenen van verwaarlozing vertonen.

- Bij brief van 28 februari 2009 heeft I, dierenarts van J, verklaard over de gezondheidstoestand van de dieren op het bedrijf van E tijdens zijn bezoeken op 21 januari 2009, 22 januari 2009, 13 februari 2009 en 19 februari 2009.

- Bij brief van 9 maart 2009 heeft verweerder appellant laten weten dat de door hem toegezonden documenten niet bewijzen dat appellant rechthebbende is op de in bewaring genomen dieren.

- Bij brief van 15 maart 2009, door verweerder ontvangen op 20 maart 2009, heeft E verweerder laten weten dat hij op 12 februari 2009 al het vee verkocht heeft aan appellant.

- Bij besluit van 26 maart 2009 heeft verweerder de toepassing van bestuursdwang op 19 februari 2009 op schrift gesteld en dit besluit op 30 maart 2009 aan E gestuurd. Tegen dit besluit heeft E bezwaar aangetekend, welk bezwaar op 20 oktober 2009 door verweerder ongegrond is verklaard. E heeft tegen deze beslissing op bezwaar geen beroep bij het College ingesteld.

- Bij brief van 31 maart 2009 heeft appellant verweerder wederom te kennen gegeven dat hij de eigenaar van de dieren is. Tevens heeft hij aangegeven dat de taxatie van de dieren van 20 februari 2009 niet juist is en heeft hij om schadevergoeding verzocht.

- Bij aangetekende brief van 31 maart 2009 heeft verweerder appellant meegedeeld dat verweerder veertien schapen en een rund met spoed in bewaring heeft genomen vanwege het feit dat de nodige verzorging aan de dieren is onthouden. Verweerder heeft gesteld dat appellant meerdere bepalingen van de Gwd voor dieren heeft overtreden en heeft hem de geschatte kosten van het vervoer, de taxatie, de opvang, de verzorging en de behandeling van de dieren gedurende de periode 19 februari 2009 tot 1 april 2009 in rekening gebracht.

- Bij brieven van 8 en 9 april 2009 heeft appellant hiertegen bezwaar aangetekend.

- Bij brief van 23 april 2009 heeft verweerder in reactie op de brieven van appellant een toelichting gegeven op de gang van zaken met betrekking tot de in bewaring genomen dieren.

- Bij brief van 12 mei 2009 heeft verweerder appellant een brief gestuurd met een factuur van de gemaakte kosten van de bestuursdwang voor de periode 19 februari 2009 tot en met 31 maart 2009 ten bedrage van € 3.921,36.

- Bij brief van 14 mei 2009 heeft verweerder appellant een brief gestuurd met een factuur van de gemaakte kosten van de bestuursdwang voor de periode 1 april 2009 tot 1 mei 2009 ten bedrage van € 1.856,40.

- Op 14 juli 2009 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe het volgende overwogen.

Appellant heeft in strijd gehandeld met artikel 36 en 37 van de Gwd door als eigenaar van de dieren – veertien schapen en één rund – na te laten voor goede huisvesting van de dieren te zorgen, noch de dieren te voorzien van voldoende water en voeding. Hierdoor heeft appellant de gezondheid en welzijn van de dieren benadeeld. Ook heeft appellant de dieren medische zorg onthouden.

Dat appellant zoals hij stelt, dertig runderen en veertien schapen in goede staat van gezondheid heeft gekocht blijkt volgens verweerder niet uit de verklaring van de VWA. Uit die verklaring blijkt dat de dieren zich al op 13 februari 2009 in een verwaarloosde toestand bevonden en dat deze situatie heeft voortgeduurd tot 19 februari 2009. De dieren waren slecht gehuisvest en kregen niet voldoende water en voeding. Bovendien is aan veertien schapen en één rund de nodige medische zorg onthouden. Voorts stelt verweerder dat appellant met de verklaring van dierenarts H van 26 februari 2009 niet kan aantonen dat er op 19 februari 2009, de dag dat de dieren zijn meegevoerd, geen situatie van verwaarlozing was, aangezien het bezoek van de dierenarts na het moment van meevoering ligt. Bovendien betreft de verklaring geheel andere locaties en spreekt de dierenartsverklaring niet over de meegevoerde schapen en rund.

Verweerder merkt op dat hij, omdat er sprake is van een overtreding van artikel 36 en 37 van de Gwd, bevoegd was tot het toepassen van bestuursdwang. Het spoedheidshalve toepassen van bestuursdwang was gerechtvaardigd omdat het uitblijven van handhavend optreden tot gevolg zou hebben gehad dat de verwaarlozing van de hulpbehoevende schapen en rund in stand zou worden gehouden en de gezondheid en welzijn van deze dieren zou zijn verslechterd. Het rund maakte een zeer verzwakte indruk en had veel pijn. Aan alle klauwen zat een dikke laag, harde en opgedroogde mest. Aan de kroonrand van de klauwen was de huid warm en verdikt. Dierenarts D concludeerde dat het rund een zoolzweer en een klauwontsteking had. Ook zag dierenarts D diverse schaafwonden aan het achterbeen van het rund. De veertien schapen hadden in totaal ongeveer vijf sneden brood als voer tot hun beschikking, welke sneden op de grond in de mest lagen. Voorts waren de twee voergoten leeg. Ook lagen er op de grond enkele balen beschimmeld en bedorven hooi, verdeeld als strooisel. Op de balen lagen een handzaag, diverse obstakels van metaal, plastic, glas en puin. Verder lagen er enkele losgescheurde zakken met daarin ongebluste kalk. Dierenarts D constateerde dat de schapen van het beschimmelde en bedorven hooi en het met mest besmeurde brood aten. Er stond een bak met water in de stal, maar voor deze bak stond een trekker geparkeerd om te voorkomen dat een roldeur opengeschoven kon worden. De huisvesting van de dieren voldeed aldus niet aan de eisen.

Verder merkt verweerder op dat appellant, op grond van artikel 1 van de Gwd, als eigenaar van de dieren tevens houder van de dieren is. Daarom is verweerder van mening dat appellant als overtreder kan worden aangemerkt. Op grond van artikel 5:25, eerste lid, Awb, is de overtreder de kosten verbonden aan de toepassing van de bestuursdwang verschuldigd, tenzij de kosten redelijkerwijs niet of niet geheel ten laste van appellant behoren te komen. Verweerder is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan de kosten niet op appellant verhaald zouden mogen worden. Appellant is hoofdelijk aansprakelijk.

Over de bezwaren van appellant aangaande de hoogte van de kosten merkt verweerder het volgende op. Bij besluit van 31 maart 2009 is appellant verzocht om de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang te betalen. Tegen een dergelijk dwangbevel staat op grond van artikel 5:26 Awb verzet open, zodat dit bezwaar van appellant thuishoort in het domein van het privaatrecht.

Over de eis van appellant dat de meegevoerde dieren niet verkocht, dan wel vernietigd mogen worden en het voornemen van appellant om een schadeclaim in te dienen indien dit wel gebeurd is, merkt verweerder het volgende op. In artikel 5:30, eerste lid, Awb is bepaald dat wanneer in het kader van de uitoefening van bestuursdwang de meegevoerde en opgeslagen zaak niet binnen dertien weken aan de rechthebbende kan worden teruggeven, het bestuur gerechtigd is deze te verkopen, af te geven of te laten vernietigen. Volgens verweerder blijkt uit de stukken in het dossier dat de veertien schapen en het rund niet binnen dertien weken na de meevoering van de dieren konden worden teruggeven, vanwege de kritieke medische toestand waarin de dieren zich nog bevonden, waardoor het nog niet verantwoord was om de dieren terug te geven. Verweerder heeft de dieren inmiddels verkocht. Verweerder wijst appellant erop dat hij als eigenaar gedurende drie jaar recht heeft op het eventuele batige saldo van de opbrengst van de verkoop na aftrek van de kosten in verband met toepassing van bestuursdwang en de kosten van verkoop.

In het verweerschrift heeft verweerder daaraan toegevoegd dat pas na het meevoeren en opslaan van de dieren vast is komen te staan dat appellant de eigenaar van deze dieren is. Appellant is pas op 31 maart 2009 als overtreder aangemerkt zodat taxatie en onderzoek op dat moment niet meer maatgevend waren voor de situatie ten tijde van de hercontrole op 19 februari 2009. Voorts stelt verweerder dat uit het beroepschrift van appellant blijkt dat hij wist dat het rund in een slechte situatie was en haar, wetende dat het dier hulpbehoevend was, de nodige medische verzorging heeft onthouden.

Ter zitting heeft verweerder verklaard dat het telefonische contact tussen verweerder en appellant op 19 februari 2009 plaats heeft gevonden nadat het besluit tot het toepassen van spoedeisende bestuursdwang reeds was genomen en de vrachtwagen, waarmee de dieren zouden worden meegevoerd, al bij het bedrijf van E klaar stond.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft tegen het bestreden besluit het volgende aangevoerd.

Appellant merkt op dat hem nooit verzocht is om maatregelen ter voorkoming van bestuursdwang uit te voeren. Hij acht het waarschijnlijk dat E is verzocht is om dergelijke maatregelen uit te voeren. Appellant is nooit over dergelijke maatregelen ingelicht. Tevens geeft hij aan dat aan hem nooit bestuursdwang is opgelegd.

Appellant heeft de dieren te goeder trouw gekocht. Hij heeft 29 runderen op 18 februari 2009 van het bedrijf van E opgehaald. Appellant heeft één rund laten staan omdat zij dan niet tegen een hoge vrachtwagen hoefde op te lopen. Appellant zou dit dier ophalen met een lage kar. Appellant zou de schapen, in verband met de 21-dagen wachtregeling, op 20 februari 2009 ophalen, omdat hij zelf schapen had verkocht die pas op 18 februari 2009 van zijn bedrijf weggingen.

Appellant stelt dat hij op 19 februari 2009 contact heeft gehad met de AID die verklaarde niets met appellant te maken te hebben. Voorts voert appellant aan dat de AID wist dat appellant de dieren gekocht had. Desondanks heeft verweerder de dieren meegevoerd omdat de stal en het voer niet goed zouden zijn; appellant stelt dat de dieren gezond waren en er goed uitzagen.

Verder stelt appellant dat de dierenarts van VWA niet bekwaam is. Appellant heeft herhaaldelijk om een contrataxatie en een onderzoek door een onafhankelijk praktiserend dierenarts gevraagd maar dat nooit gekregen. Voorts geeft appellant aan dat hij zich niet bij een onafhankelijke instantie heeft kunnen verdedigen. Daarnaast verzoekt appellant om schadevergoeding.

Ter zitting heeft appellant het volgende verklaard. Tijdens het hercontrolebezoek van de AID op 13 februari 2009, heeft E appellant benaderd met de vraag of hij de dieren van E wilde kopen. Appellant is op dat aanbod ingegaan en heeft met E afgesproken dat de runderen op dinsdag 17 februari 2009 en de schapen op zaterdag 21 februari 2009 zouden worden opgehaald. De schapen konden pas op 21 februari 2009 terecht bij appellant, omdat hij andere schapen op zijn bedrijf had gehad en de termijn van 21 dagen, die in acht moet worden genomen voordat nieuwe schapen op een locatie mogen worden toegelaten, pas op de 21e zou aflopen. Appellant heeft voorts deze afspraak met E doorgebeld aan de AID. Conform afspraak heeft appellant op 17 februari 2009 de runderen bij E opgehaald, met uitzondering van 1 koe, die vanwege gewrichtsontsteking niet kon worden vervoerd met de toen aanwezige veewagen. Afgesproken werd om deze koe met een andere veekar op te halen op 21 februari 2009, samen met de schapen. E heeft toen aangekondigd een paar dagen weg te gaan en de zorg voor de overgebleven dieren overgedragen aan appellant.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College ziet aanleiding allereerst in te gaan op het rechtskarakter van de brief van 31 maart 2009 aan appellant. Naar het oordeel van het College is deze brief, in combinatie met het aan appellant gezonden afschrift van het aan E gerichte bestuursdwangbesluit, op te vatten als de bekendmaking op grond van artikel 5:24, zesde lid, Awb van de beslissing tot toepassing van bestuursdwang op 19 februari 2009, waartegen appellant het bezwaar heeft gemaakt dat tot het bestreden besluit heeft geleid.

5.2 Vervolgens komt het College toe aan de vraag of verweerder op 19 februari 2009 bevoegd was om spoedeisende bestuursdwang toe te passen ten aanzien van het rund en de veertien schapen die zich bevonden op het bedrijf van E te F. Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Uit de rapportages van de AID naar aanleiding van de controles van 21 januari 2009, 13 februari 2009 en 19 februari 2009 en het onder ambtseed opgemaakte proces-verbaal van meevoeren en opslaan van 19 februari 2009 blijkt dat sprake was van een voortdurende toestand van slechte huisvesting en tekortschietende (medische) verzorging van het rund en de veertien schapen. Het College ziet geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van deze rapportages en het onder ambtseed opgemaakt proces-verbaal. De door appellant ingebrachte verklaring van dierenarts I geeft geen aanleiding tot een ander oordeel. De in deze verklaring opgenomen beschrijving van de toestand van de dieren, die minder gedetailleerd is, komt in grote lijnen overeen met de in de rapportages en het proces-verbaal opgenomen bevindingen. De beschrijving in de rapportages van de toestand van de stallen wordt door I niet weersproken. Gelet hierop heeft verweerder terecht geconstateerd dat sprake was van overtreding van artikel 36 en 37 Gwd.

Het College overweegt voorts dat E heeft nagelaten om in deze toestand verandering te brengen, terwijl hem daartoe tweemaal – bij de vooraankondiging tot toepassen van bestuursdwang van 29 januari 2009 en de afspraak op 13 februari 2009 – de gelegenheid was geboden. Gelet hierop heeft verweerder in redelijkheid tot de conclusie kunnen komen dat zicht op legalisatie ontbrak. De ernst van de overtreding, zoals deze blijkt uit genoemde rapportages en proces-verbaal, rechtvaardigde voorts het onverwijld meevoeren van de dieren. In deze omstandigheden heeft verweerder in het feit dat appellant zich die dag telefonisch als eigenaar van de dieren had aangediend geen aanleiding behoeven te zien om van het meevoeren van de dieren af te zien.

5.3 Het bestuursdwangbesluit is op 30 maart 2009 gezonden aan E. Daarbij is hij aangemerkt als overtreder van onder meer artikel 36 en 37 Gwd en is vermeld dat de kosten van de bestuursdwang op hem zullen worden verhaald. Verweerder heeft - zo blijkt uit het besluit ten aanzien van appellant van 31 maart 2009 - appellant als eigenaar van de dieren eveneens aangemerkt als overtreder van artikel 36 en 37 Gwd en hem naast E aansprakelijk gesteld voor de aan de bestuursdwang verbonden kosten.

Alhoewel ter zitting vast is komen te staan dat appellant vanaf 12 (volgens E) dan wel 13 (eigen verklaring) februari 2009 eigenaar van de dieren was geworden, kon van hem – gelet op het feit dat verweerder E een termijn tot en met 18 februari 2009 had gegund om de dieren van zijn bedrijf te verwijderen – naar het oordeel van het College niet eerder dan op 19 februari 2009 gevergd worden de dieren van het bedrijf van E te verwijderen. Op het moment van contact tussen appellant en verweerder op 19 februari 2009 heeft verweerder appellant geen mogelijkheid geboden om op dat moment zelf maatregelen ter voorkoming van bestuursdwang te nemen. Dat dit kennelijk was ingegeven door het ontbreken van bewijs van de eigendomsoverdracht van de dieren aan appellant, neemt niet weg dat appellant door de feitelijke gang van zaken niet in staat is geweest om de dieren op 19 februari 2009 zelf mee te nemen.

Het College stelt voorts vast dat appellant na 19 februari 2009, ondanks zijn herhaald verzoek daartoe, niet in de gelegenheid is gesteld om te overleggen over de teruggave van de dieren.

Het College is van oordeel dat verweerder in deze omstandigheden en de omstandigheid dat op 30 maart 2009 aan E reeds een bestuursdwangbesluit is verzonden waarin deze aansprakelijk is gesteld voor de kosten van de bestuursdwang, aanleiding had moeten zien om gebruik te maken van de in artikel 5:25, eerste lid, Awb neergelegde bevoegdheid om de kosten verbonden aan de toepassing van bestuursdwang niet ten laste van appellant te brengen.

5.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit moet worden vernietigd. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb, in samenhang met artikel 22 Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie, zelf in de zaak te voorzien en het besluit van 31 maart 2009 te herroepen.

5.5 Appellant heeft het College verzocht verweerder te veroordelen in de schade die hij als gevolg van het te herroepen besluit van 31 maart 2009 heeft geleden. De gestelde schade bestaat, globaal omschreven, uit de schade die appellant heeft geleden ten gevolge van het feit dat verweerder de in beslag genomen dieren niet (overeenkomstig artikel 5:29 Awb) aan hem heeft (terug)gegeven. Zoals hiervoor overwogen heeft verweerder, ondanks herhaald verzoek daartoe van appellant, aan hem geen gelegenheid geboden voor overleg over de mogelijkheid van teruggave van de dieren. In zoverre heeft verweerder naar het oordeel van het College onzorgvuldig gehandeld jegens appellant en is de hierdoor geleden schade in de bijzondere omstandigheden van dit geval in beginsel toe te rekenen aan het besluit van 31 maart 2009. Op basis van de stukken en het verhandelde ter zitting is de omvang van de schade niet voldoende komen vast te staan. Ter voorbereiding van een nadere uitspraak daarover, zal het College, met toepassing van het bepaalde in artikel 8:73, tweede lid, Awb, het onderzoek heropenen. Appellant dient uiterlijk zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een memorie in te dienen waarbij hij de door hem geleden schade die een gevolg is van het besluit van 31 maart 2009 concretiseert en met objectieve, verifieerbare bewijsstukken onderbouwt. Vervolgens zal verweerder hierop binnen zes weken na toezending van die memorie dienen te reageren. Daarna zal het College het verdere verloop van de procedure bepalen.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- herroept het besluit van 31 maart 2009;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-- (zegge: honderdvijftig

euro) vergoedt;

- heropent het onderzoek ter voorbereiding van een nadere uitspraak over de omvang van de mogelijk aan appellant te

vergoeden schade als gevolg van het besluit van 31 maart 2009;

- bepaalt dat appellant uiterlijk zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een memorie indient waarbij hij de

door hem geleden schade concretiseert en met bewijsstukken onderbouwt, dat verweerder hierop binnen zes weken

reageert, waarna het College het verdere verloop nader zal bepalen.

Aldus gewezen door mr. M.M. Smorenburg, mr. M. van Duuren en mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. F.E. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 juni 2011.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. F.E. Mulder