Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BR3305

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-07-2011
Datum publicatie
27-07-2011
Zaaknummer
AWB 11/506
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

voorlopige voorziening Winkeltijdenwet

kennelijk ongegrond

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 11/506 21 juli 2011

12500 Winkeltijdenwet

Uitspraak in de zaak van:

VOF A, Keurslagerij en Catering, te B, verzoekster

gemachtigde: mr. B. Smit, werkzaam bij Arag rechtsbijstand,

tegen

burgemeester en wethouders van Cuijk, verweerders,

gemachtigde: mr. R.J. Zwiebel, werkzaam bij de gemeente Cuijk.

1. Het procesverloop

Bij brief van 27 juni 2011 heeft verzoekster bij verweerders bezwaar gemaakt naar aanleiding van een bericht in de Gelderlander van 21 juni 2011 dat verweerders de openstelling van C B.V. (hierna: C) op zondagmiddag en –avond gedogen tot eind augustus 2011.

Bij brief van 27 juni 2011 heeft verzoekster de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen, inhoudende dat verweerders wordt opgedragen per direct handhavend op te treden tegen iedere zondag waarop C geopend is.

Verweerders hebben bij brief van 11 juli 2011 een reactie op het verzoek ingediend.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) juncto artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist. Artikel 8:83, derde lid, Awb, gelezen in samenhang met het eerste lid, bepaalt dat de voorzieningenrechter, indien de voorzieningenrechter kennelijk onbevoegd is of het verzoek kennelijk niet-ontvankelijk, kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond, uitspraak kan doen zonder zitting.

2.2 Eerdergenoemd bericht in de Gelderlander is opgesteld naar aanleiding van de uitspraak van het College van 10 juni 2011 (AWB 10/79 en 10/153; <www.rechtspraak.nl>, LJN: BQ7751), waarbij het beroep van verzoekster gegrond is verklaard en het besluit van verweerders van 27 oktober 2009 is vernietigd. Bij dit besluit hadden verweerders beslist op het bezwaar van verzoekster tegen het besluit van verweerders van 17 juni 2009, waarbij aan D B.V. en C ontheffing is verleend van de verboden als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onder a en b van de Winkeltijdenwet.

2.3 Verzoekster heeft uit meergenoemd krantenbericht afgeleid dat verweerders hebben besloten de eerder aan C verleende ontheffing in te trekken en de openstelling van C tot eind augustus 2011 te gedogen. Naar aanleiding van dit krantenbericht heeft verzoekster bezwaar gemaakt.

Verweerders hebben in reactie op het verzoek om voorlopige voorziening laten weten dat de uitspraak van het College van 10 juni 2011 nog niet heeft geleid tot een nieuwe beslissing op bezwaar en dat het krantenartikel slechts een suggestief artikel betreft zonder dat daaraan een besluit van verweerders ten grondslag ligt. Volgens verweerders is geen sprake van een besluit in de zin van de Awb.

2.4 Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder besluit verstaan een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Uitsluitend tegen besluiten staan de in de Awb voorziene rechtsmiddelen open.

Naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft verzoekster op 27 juni 2011 geen bezwaar gemaakt tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, nu verweerders het bestaan van een besluit ontkennen en verzoekster slechts het krantenartikel heeft overgelegd ter onderbouwing van haar stelling dat verweerders een besluit hebben genomen.

Uit de reactie van verweerders op het verzoek om voorlopige voorziening, leidt de voorzieningenrechter af dat verweerders het bezwaar van verzoekster van 27 juni 2011 niet-ontvankelijk zullen verklaren. Gelet op het vorenoverwogene acht de voorzieningenrechter het aannemelijk dat een eventueel beroep tegen een zodanig besluit van verweerder door het College ongegrond zal worden verklaard. Dit geeft aanleiding om met toepassing van artikel 8:83, derde lid, Awb, uitspraak te doen en het verzoek af te wijzen. Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek af.

Aldus gewezen door mr. R.F.B. van Zutphen, in tegenwoordigheid van mr. I.C. Hof als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2011.

w.g. R.F.B. van Zutphen w.g. I.C. Hof