Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BR3122

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-07-2011
Datum publicatie
26-07-2011
Zaaknummer
AWB 10/824
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

schadevergoeding

causaal verband

formele rechtskracht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/824 15 juli 2011

10500 Superheffing

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: C, werkzaam bij appellante,

tegen

het Productschap Zuivel, verweerder,

gemachtigde: mr. A.C.R. Geelen, werkzaam bij verweerder.

1. Het procesverloop

Appellante heeft bij brief van 6 augustus 2010, bij het College op dezelfde dag per fax ontvangen, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 juni 2010.

Bij dit besluit heeft verweerder de aan appellante met zijn besluit van

12 februari 2010 toegekende schadevergoeding ad € 53.612,- niet verhoogd.

Bij brief van 7 september 2010 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft de gedingstukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Op 13 mei 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde hun gemachtigde het woord hebben gevoerd.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten voor het College komen vast te staan.

Bij uitspraak van 9 september 2009 (AWB 08/1001, www.rechtspraak.nl, LJN: BJ8793) heeft het College, in een door appellante ingesteld beroep, het besluit van verweerder van 17 november 2008 betreffende de afwijzing van de registratie van de permanente overdracht met ingang van de heffingsperiode 2008/2009 van 20.000 kg fabrieksquotum met grond door appellante aan maatschap D en E (hierna: D) vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

Bij brief van 30 november 2009 heeft appellante verweerder verzocht de schade te vergoeden die het gevolg is van de afwijzing van de registratie van de overdracht van het melkquotum, waaronder de schade waarvoor appellante door D aansprakelijk wordt gesteld, een schadepost van € 107.449,90.

Verweerder heeft het verzoek om schadevergoeding afgewezen voor zover het de door D geleden schade betreft. Verweerder meent dat het besluit waartegen appellante haar rechtsmiddelen heeft gericht uitsluitend appellante betreft en niet ook D, terwijl D evenmin als belanghebbende bij het aan appellante gerichte besluit kan gelden, omdat hij daartegen geen bezwaar heeft gemaakt nadat hij door appellante van het besluit op de hoogte was gebracht. Dit betekent volgens verweerder dat de connexiteit ontbreekt tussen de schade van D en het tot appellante gerichte besluit.

2.2 Verweerder heeft het bestreden besluit, voor zover aangevochten, doen steunen op de overweging dat appellante het Productschap ten onrechte aansprakelijk stelt voor de door haar geleden schade in verband met de vordering van D op appellante. De onrechtmatigheid van het besluit waarbij de quotumoverdracht werd geweigerd geldt alleen jegens degene die tegen dat besluit is opgekomen. D heeft geen rechtsmiddel aangewend tegen de afwijzing. Het aan D gericht besluit heeft daarom formele rechtskracht gekregen. Van onrechtmatig handelen jegens D is geen sprake en er kan geen causaal verband worden aangenomen tussen het schadeveroorzakende besluit en de door appellante verzochte vergoeding van de schade die D stelt te hebben geleden.

2.3 Hetgeen appellante in beroep aanvoert komt hierop neer dat D het besluit tot afwijzing van de geleden schade nooit heeft ontvangen, en dat dit besluit jegens D dan ook geen formele rechtskracht heeft gekregen. Daarom had de schade van D, die deze weer verhaalt op appellante, ook vergoed moeten worden. Er is wel degelijk causaal verband aanwezig.

2.4 Het College overweegt als volgt. Het bestreden besluit is ten onrechte gebaseerd op de veronderstelling dat er destijds sprake was van twee afzonderlijke besluiten waarvan er één formele rechtskracht heeft gekregen. Het ging om één besluit, inhoudende afwijzing van de gevraagde quotumoverdracht, met twee adressanten, namelijk appellante en D. Dat dit besluit is aangevraagd door, en is medegedeeld aan twee verschillende belanghebbenden, maakt dit niet anders. Aangezien er sprake was van twee contractspartners kan verweerder zich niet beroepen op het leerstuk van de formele rechtskracht, inhoudende dat een vernietigd besluit niet onrechtmatig is jegens degene die tegen dat besluit beroep had kunnen instellen, maar die dat niet heeft gedaan.

2.5 Hieruit volgt dat de in het bestreden besluit gegeven motivering de (handhaving van de) gedeeltelijke afwijzing van het verzoek tot schadevergoeding niet kan dragen. Het komt zodoende voor vernietiging in aanmerking.

2.6 Het College heeft vervolgens, met het oog op de finale afwikkeling van het geschil, onder ogen gezien of het de door appellante verzochte schadevergoeding geheel of gedeeltelijk dient toe te kennen, dan wel de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kan laten. Het overweegt hierover het volgende.

Ter ondersteuning van haar verzoek tot schadevergoeding verwijst appellante naar een sommatie van D van 20 november 2009, waarin D zijn schade begroot op € 107.449,90. Onduidelijk en niet nader onderbouwd is echter in hoeverre D deze schade daadwerkelijk heeft geleden, op welke rechtsgrond de claim van D berust en of definitief vaststaat of en in hoeverre de claim van D slaagt. Nu appellante niet heeft aangetoond dat zij de door D begrote schade daadwerkelijk heeft geleden, kan het College het verzoek tot vergoeding van deze schade niet toewijzen.

2.7 Dit alles leidt tot de conclusie dat het beroep gegrond moet worden verklaard, dat het bestreden besluit moet worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen ervan in stand kunnen blijven.

2.8 Nu van proceskosten niet is gebleken, ziet het College geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 29 juni 2010;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het besluit van 29 juni 2010 in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder het door appellante betaalde griffierecht ad € 298,- (zegge tweehonderdachtennegentig euro)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, mr. C.J. Waterbolk en mr. H.S.J. Albers, in tegenwoordigheid van E. van Kerkhoven als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2011.

w.g. R.C. Stam w.g. E. van Kerkhoven