Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BR2943

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
AWB 08/547
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan afwijken van beleid noopten

Redelijke beleidstoepassing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/547 29 juni 2011

13950 Wet marktordening gezondheidszorg

Uitspraak in de zaak van:

Stichting Zorgkwadrant Fryslân Oost (ZFO), te Burgum, appellante,

gemachtigde: mr. R. Snel, advocaat te Groningen,

tegen

de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), verweerster,

gemachtigde: mr. J.J. Rijken, advocaat te 's-Gravenhage.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 28 juli 2008, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 17 juni 2008.

Bij dit besluit heeft verweerster de bezwaren van appellante tegen haar beschikking van 1 juni 2007 ter zake van de toepassing van de Beleidsregel CA-173, “Verrekening gerealiseerde productie 2006 (herschikking)” ongegrond verklaard.

Bij brief van 27 augustus 2008 heeft appellante de gronden van het beroep ingediend.

Verweerster heeft op 20 februari 2009 een verweerschrift ingediend. Zij heeft daarbij tevens verwezen naar haar algemeen verweerschrift op 15 oktober 2008 bij het College in gelijksoortige zaken ingediend.

Op 27 oktober 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet. Voor verweerster waren tevens aanwezig mr. M.G. van Horzen, F. van de Pol en drs. P. van Erp.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor het wettelijk kader en de voorgeschiedenis van de Beleidsregel CA-173 wordt verwezen naar de uitspraken van het College van 30 december 2010, onder - onder meer - de nummers AWB 08/327 e.a., LJN: BL3124 en AWB 08/116, LJN: BL5513, (hierna: de uitspraken). Het College beschouwt de inhoud van de uitspraken als hier herhaald en ingelast. Voor een beter begrip zijn de voorschriften voor zover in deze zaak van belang hieronder opgenomen.

Verweerster heeft op 6 februari 2007 de Beleidsregel CA-173 “Verrekening gerealiseerde productie 2006 (herschikking)” (hierna ook de Beleidsregel of de Beleidsregel herschikking) vastgesteld. Daarin is onder meer het volgende opgenomen.

"2. Inleiding

Zorgaanbieders (…) kunnen, onder de voorwaarden die gelden voor het jaar 2006 tot 1 maart 2007” [CBb later gewijzigd in 15 maart 2007] “aanvullende afspraken indienen voor geïndiceerde AWBZ-zorg die is geleverd boven het niveau van de productieafspraken tot en met oktober 2006. (…) Deze extra productie is geleverd ter voorkoming of ter oplossing van problematische knelpunten. De bekostiging van deze extra productie vindt plaats door middel van een herschikking van de onder- en overproductie 2006.

Het betreft een éénmalige mogelijkheid vanwege de specifieke knelpuntensituatie in de AWBZ in 2006. Dit betekent dat aan deze beleidsregel geen rechten voor voorafgaande of volgende jaren kunnen worden ontleend.

Deze beleidsregel dient te worden beschouwd als een aanvulling op de in 2006 vigerende beleidsregels. Derhalve blijven de voor 2006 geldende beleidsregels onverkort van toepassing.

(…)

3. Definities

Problematisch knelpunt:

Van een problematisch knelpunt is sprake in situaties waarin het zorgkantoor onvoldoende zorg kan contracteren om binnen de Treeknorm zorg te leveren of in crisissituaties adequaat zorg te verlenen. De zorgaanbieder meldt een problematisch knelpunt bij het zorgkantoor dat vervolgens beoordeelt of er werkelijk sprake is van een problematisch knelpunt. Het zorgkantoor beoordeelt daarbij: of er rekening wordt gehouden met de gebruikelijke uitstroom; of de zorg elders had kunnen worden verleend; of er onderbesteding is in de regio en of er bij andere zorgkantoren ruimte is.

(….)

Totaal beschikbare contracteerruimte 2006:

Contracteerruimte regulier en geoormerkte gelden 2006.

4. Herschikking

De herschikking op zorgkantoorregioniveau vindt plaats binnen de totaal beschikbare contracteerruimte 2006 (exclusief geoormerkte gelden zorgzwaarte gehandicaptenzorg …), zoals die voortvloeit uit de Beleidsregel contracteerruimte 2006 met nummer CA-115 en exclusief de niet benutte contracteerruimte van € 31,3 miljoen (zie brief landelijk beeld contracteerruimte 2006 d.d. 28 november 2006, kenmerk …).

Bij de herschikking worden de volgende stappen genomen.

4.1 Per zorgkantoorregio wordt door het betreffende zorgkantoor een overzicht van de over- en onderproductie van de realisatie opgesteld. Deze over- en onderproductie wordt vervolgens door de NZa met elkaar verrekend.

Van de onderproductie (voorzien van een accountantsverklaring over de juistheid van de gerealiseerde productie) wordt 2% buiten beschouwing gelaten.

4.2 Zorgkantoren hebben hierbij de mogelijkheid om eenmalig onder- en overproductie 2006 – met wederzijdse toestemming – over te hevelen naar een andere regio.

4.3 Landelijk zal daarna door de NZa de resterende over- en onderproductie van de gerealiseerde productie 2006 met elkaar verrekend worden.

Indien er meer overproductie is dan onderproductie dan zal de NZa de vrijgekomen middelen als gevolg van de onderproductie naar rato van de overproductie [verdelen] over de zorgaanbieders.

Indien er per saldo meer overproductie is gerealiseerd dan onderproductie dan zal het zorgkantoor hierover een nadere verantwoording aan de NZa geven en zal de NZa desgewenst aanvullende informatie bij het zorgkantoor en de zorgaanbieder(s) opvragen.

5. Bepalen over- en onderproductie

(…)

Overproductie komt in aanmerking voor herschikking indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

(…)

5.2.4

In het geval de overproductie een gevolg is van extra productie boven de productieafspraak (tot en met 15 oktober 2006) voor de toeslag ‘aanvullende verpleeghuiszorg’ geldt dat deze in principe het landelijk gemiddelde van

33,9 % per regio niet te boven mag gaan (gecontracteerde dagen aanvullende verpleeghuiszorg als percentage van het totale aantal verzorgingsdagen op basis van de productieafspraken).

(….)"

Voor de aanvullende verpleeghuiszorg (AVZ) als bedoeld in de Beleidsregel wordt voor cliënten, die meer dan 12 uur per week zorg behoeven in de zin van de AWBZ een zogenoemde “bandbreedte indicatie” afgegeven. Het Centrum indicatiestelling zorg (CIZ) wordt na afgifte daarvan, wanneer meerzorg voor deze cliënten nodig is, niet meer in de vervolgstappen betrokken.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 13 maart 2007 heeft appellante samen met haar zorgkantoor Friesland, een aanvraag ingediend in het kader van de herschikking 2006 ter zake van een overproductie van € 332.393.

- Verweerster heeft deze aanvraag bij beschikking van 1 juni 2007 afgewezen.

- Appellante heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt.

- Op 22 november 2007 is appellante naar aanleiding van haar bezwaarschrift door verweerster gehoord.

- Verweerster heeft vervolgens op 17 juni 2008 het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Appellante heeft gezamenlijk met het zorgkantoor een aanvraag ingediend terzake een overproductie van € 332.393. Op basis van de cijfers uit de voorlopige nacalculatie 2006 is gebleken dat appellante voor € 439.869,- meer aanvullende zorg heeft geleverd dan in de oktoberronde is afgesproken. Appellante heeft bij de productieafspraken tot en met oktober 2006 voor 53% van de verzorgingsdagen aanvullende zorg afgesproken. Conform de beleidsregel komt appellante derhalve niet in aanmerking voor extra middelen voor de aanvullende zorg in de herschikkingsronde. Het betreft meerproductie ten opzichte van de productieafspraken. De overproductie aanvullende verpleeghuiszorg (AVZ) is daarom gekort op de gezamenlijk ingediende overproductie. Omdat de overproductie aanvullende zorg hoger is dan de gezamenlijk ingediende overproductie heeft appellante geen middelen gekregen bij de herschikking.

Met betrekking tot het argument van appellante dat de relatief grote hoeveelheid AVZ-productie kan worden verklaard vanuit de zorgzwaarteproblematiek in de verzorgingshuizen die onder meer verband houdt met het capaciteitstekort van verpleeghuizen in de regio en het beleid om mensen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, en dat het volstrekt onduidelijk is in hoeverre en op welke wijze het meewegen van de regio van invloed is op het besluit, merkt verweerster het volgende op.

Voorop dient te worden gesteld dat appellante en het zorgkantoor bij de reguliere budgetrondes de mogelijkheid hebben gehad om productieafspraken voor AVZ te maken. Ingevolge de op basis van de aanwijzing van de staatssecretaris vigerende contracteerruimte systematiek zijn de productieafspraken leidend. De reguliere budgetrondes van juli en oktober zijn er voor het zorgkantoor en een zorgaanbieder om de over- en onderproductie te herschikken. Bij deze rondes komen de regio-omstandigheden aan bod. Productie die (voor 15 oktober) niet in een productieafspraak is vastgelegd (en is geaccordeerd door de NZa) wordt niet vergoed. Extra geleverde zorg, buiten de vastgestelde productieafspraken, kan niet in het daaropvolgende jaar voor vergoeding in aanmerking komen bij de voorlopige nacalculatie: de afgesproken productie wordt als bovengrens gehanteerd. Deze wijze van nacalculeren vloeit voort uit de maatregelen inzake de beheersing van groei in de AWBZ die vanaf 2004 zijn getroffen. Deze consequentie voor de geleverde overproductie was appellante en het zorgkantoor vooraf bekend.

Met de herschikkingsronde werd een eenmalige oplossing geboden waaraan voorwaarden waren verbonden: het betrof de inzet van extra middelen.

Zorgaanbieders en zorgkantoren kunnen voor de reguliere budgetronde in principe onbeperkt de toeslag AVZ afspreken. Alleen voor de eenmalige herschikking in het kader van de knelpunten in de AWBZ is ten aanzien van overproductie de voorwaarde van het landelijk gemiddelde verbonden. Hiernaast geldt dat de extra beschikbaar gestelde herschikkingsmiddelen waren bedoeld voor zorg die moet zijn geboden ter voorkoming van een problematische wachtlijst: het mogelijk maken van de vergoeding van overproductie AVZ vormde hierop reeds een uitzondering. Immers bij de herschikkingsoperatie stond voorop dat er alles aan werd gedaan om er voor te zorgen dat geïndiceerde personen zorg zouden krijgen binnen de Treeknorm, zodat geen onaanvaardbare wachtlijsten zouden ontstaan.

Dat partijen, het zorgkantoor en appellante, in oktober 2006 een te krappe schatting hebben gemaakt dan wel het zorgkantoor om haar moverende redenen hiervoor geen aanvullende afspraken heeft willen of kunnen maken, kan niet aan de NZa worden tegengeworpen. Hieraan doen niet af de door appellante aangevoerde redenen ter adstructie van de stelling dat het gemiddelde van 33,9% in het kader van de herschikking niet afdoende is. Hierbij wordt aangetekend dat in het jaar 2006 in de zomer reeds € 95 miljoen extra is ingezet om de volumegroei AWBZ op te vangen en dat in het najaar wederom een analyse is gemaakt van de signalen over knelpunten. De NZa heeft in haar analyse geoordeeld dat er geen extra middelen nodig zijn.

Het zorgkantoor heeft de taak om, binnen een bepaalde maximale ruimte en gegeven de zorgplicht, zorg te contracteren. Verweerster treedt niet in de onderhandelingen tussen partijen, het is de taak van het zorgkantoor om binnen een bepaalde maximale ruimte en gegeven de zorgplicht met de zorgaanbieder te contracteren. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van partijen dat gemaakte afspraken over de zorgverlening, zowel ten aanzien van de kwaliteit als ten aanzien van de kwantiteit, worden nagekomen. Ingevolge de systematiek van de contracteerruimte komt de geleverde productie boven de productieafspraken voor risico van de zorgaanbieder. Een uitzondering hierop vormt de eenmalige herschikkingsmogelijkheid in 2006 conform de Beleidsregel en onder de gestelde voorwaarden.

Met betrekking tot het argument dat méérproductie betaald moet worden en tariefstelling moet wijken voor de aanspraken van verzekerden (en aspecten als keuzevrijheid van cliënten, zorgplicht van de zorgaanbieder, en een vertrouwde woonomgeving) merkt NZa op dat het budgetsysteem op zichzelf geen productiebeperkende strekking heeft. Met de herschikking is onder bepaalde voorwaarden ruimte geboden voor een hoger zorgvolume dan oorspronkelijk tussen zorgkantoor en zorgaanbieder overeengekomen was. Het feit dat hiermee volgens appellante (en zorgkantoor) niet voldoende aan hun wensen tegemoet is gekomen, vormt geen aanleiding om van de Beleidsregel af te wijken.

Uit het bovenstaande blijkt dat de tariefbeschikking conform de beleidsregel tot stand is gekomen. Verweerster acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan zij genoodzaakt zou zijn om in afwijking van de Beleidsregel overproductie AVZ toe te kennen. De argumenten op grond waarvan appellanten menen dat dit wel had gemoeten zijn reeds meegewogen in de beleidsregelvaststelling. Het jaar 2006 heeft zich gekenmerkt door een aanwijzing van de Staatssecretaris van VWS. Verweerster heeft op basis daarvan beleidsregels opgesteld waarin is neergelegd dat overproductie niet voor vergoeding in aanmerking komt. In dat kader zijn voorwaarden gesteld aan de eenmalige herschikkingmogelijkheid. Ook is afwijken van een beleidsregel op algemene gronden niet mogelijk. Dat laatste zou immers een beleidswijziging impliceren en daarvoor is de afwijkingsbevoegdheid niet bedoeld.

Het zonder meer vergoeden in de tarieven zonder dat hierover overeenstemming met de zorgverzekeraars is bereikt zou de wettelijke rol van de verzekeraars miskennen. Consequent doorgevoerd zou dit er toe leiden dat zorginstellingen niet meet in onderhandeling zouden hoeven treden met de zorgverzekeraars, aangezien zij er vanuit kunnen gaan dat daadwerkelijk geleverde productie steeds zonder meer wordt vergoed. Dat is, in het wettelijk systeem, niet aan de orde. De uitspraak van het CBb inzake het ziekenhuis Slotervaart, betrof een uitzonderlijk niet met deze herschikking te vergelijken geval, waarin zeer bijzondere omstandigheden maakten dat het ziekenhuis zonder dat overeenstemming met de zorgverzekeraars was bereikt hun productie – uitsluitend in het jaar 2003 – niettemin vergoed moesten krijgen.

Ook wanneer er wel bijzondere omstandigheden aanwezig zouden zijn moet worden gekeken of toepassing van de beleidsregel in het voorliggende geval onevenredig uitpakt. Wat betreft de onevenredig nadelige gevolgen is gekeken naar de financiële positie van Zorgkwadrant Fryslân Oost en het (toekomstige) effect van de afwijzing van het verzoek. Uit de financiële gegevens is gebleken dat het eigen vermogen voldoende is om het negatieve resultaat 2006 op te vangen. Onverkorte toepassing van de beleidsregel heeft geen onevenredige gevolgen voor appellante.

De reserve aanvaardbare kosten (RAK) is geen doel op zich, maar een in de beleidsregel aanvaarde consequentie van de wijze van budgettering. De NZa is dan ook van oordeel dat de aangevoerde noodzaak tot de vorming van eigen vermogen geen reden is om van de vigerende beleidsregels af te wijken. Bovendien zijn deze RAK-middelen in het vermogen van de zorgaanbieders bedoeld voor de bekostiging van zorg.

Verweerster heeft gelet op het vorenstaande besloten het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ter zitting heeft verweerster verwezen naar voornoemde uitspraken van het College van 30 december 2009 en zich daarbij aangesloten.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft - samengevat - het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

De opmerking van verweerster in het bestreden besluit dat haar bezwaren niet-ontvankelijk zijn, voor zover zij zijn gericht tegen de beleidsregel, acht zij onjuist. Reeds hierom kan volgens haar het bestreden besluit niet in stand blijven.

Appellante onderschrijft de algemene uitgangspunten van het College in zijn uitspraken van 30 december 2009. Zij bestrijdt niet dat NZa op dat punt beleid mocht maken. Ook acht zij het niet op voorhand onredelijk of anderszins onrechtmatig dat de beperking van de vergoeding geschiedt aan de hand van enig percentage. Maar toch vindt zij dat de wijze waarop de pijn over de aanvragers verdeeld is willekeurig is en in strijd met het gelijkheidsbeginsel en niet afdoende is gemotiveerd. Dat heeft ook gevolgen voor het op de beleidsregel gebaseerde besluit.

Het beperkend percentage geeft de indruk dat de AVZ ongecontroleerd kon worden overgeproduceerd. Dat is niet het geval. De relatief grote hoeveelheid AVZ-productie van appellante heeft niets te maken met de afwezigheid van een indicatiestelling, maar kan worden verklaard vanuit de toenemende zorgzwaarteproblematiek in de (vier) verzorgingshuizen in de regio Oost Friesland, die onder meer verband houdt met het capaciteitstekort in de verpleeghuizen en alleen kon worden opgelost met geïndiceerde AVZ. In 2009 is deze problematiek overigens opgelost door uitbereiding van het aantal verpleeghuisplaatsen. En ook in de jaren 2007 en 2008 kon de AVZ productie binnen het budget van appellante worden opgevangen.

Er is een objectieve noodzaak geweest voor de relatief hoge AVZ in de regio en die van appellante in het bijzonder. Zij heeft de overproductie niet kunnen vermijden alleen al omdat het zorgkantoor haar niet toestond wachtlijsten te hanteren.

De in de uitspraken genoemde motieven van NZa voor het opnemen van percentages in de beleidsregel zijn 1) dat het niet gewenst zou zijn de middelen overwegend aan AVZ [en GGZ] ten goede te doen komen en 2) het belang van een evenredige verdeling in verband met de landelijk sterk toegenomen uitgavenposten voor AVZ.

Appellante vindt die motieven niet geheel onbegrijpelijk, maar haar kritiek richt zich in hoofdzaak op de wijze waarop NZa de omvang van de wel voor overproductie beschikbare middelen heeft bepaald en de manier waarop dat beschikbare budget vervolgens over de instellingen is verdeeld. Zij acht een en ander volstrekt willekeurig en in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Instellingen en zorgkantoren die onder het landelijk gemiddelde zitten worden door NZa "beloond". Appellante ziet daarom niet in hoe aanbieders die onder het gemiddelde scoren relatief zouden zijn benadeeld. Zij krijgen immers hun gerealiseerde productie vergoed. Appellante is zorgaanbieder in een regio waarin kennelijk veel behoefte is aan AVZ en zij is nu op voorhand uitgesloten van een extra toekenning omdat haar reguliere afspraken al boven het landelijk gemiddelde zaten. Het doet kennelijk helemaal niet ter zake dat hiervoor duidelijk aanwijsbare en objectiveerbare oorzaken voor bestaan. Iedere kenbare afweging of motivering terzake in de beleidsregel ontbreekt.

Appellante meent dat bij een evenredige verdeling van het beschikbare budget in verband met kostenbeheersing over alle aanvragers naar rato van hun AVZ-overproductie meer recht zou zijn gedaan aan een evenwichtige belangenafweging en aan het gelijkheidsbeginsel.

Ten slotte meent appellante dat verweerster bij de door haar uitgevoerde financiële toets een onjuiste maatstaf aanlegt. Voor zover zij al ingaat op het beroep op bijzondere omstandigheden wordt onder meer als maatstaf gehanteerd of appellante het nadeel van de toepassing van de beleidsregel nog net met haar eigen vermogen kan opvangen. Een dergelijke maatstaf die erop neerkomt dat een omstandigheid in de zin van 4:84 Awb zich alleen zou voordoen als de betrokkene zou dreigen failliet te gaan herkent appellante noch uit de wet, noch uit de jurisprudentie.

Appellante concludeert dat het bestreden besluit niet in stand kan blijven. Het is alleen al onjuist op het punt van de niet ontvankelijkheid. Het kan bovendien niet rechtmatig gemotiveerd worden door verwijzing naar een beleidsregel waaraan de hiervoor genoemde gebreken kleven.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat verweerster, anders dan appellante meent, bij het bestreden besluit niet heeft besloten tot niet-ontvankelijkverklaring van haar bezwaren tegen het tariefbesluit van 1 juni 2007. Zij heeft in het bestreden besluit de rechtmatigheid van de Beleidsregel herschikking besproken in het licht van het daarop gebaseerde besluit op appellantes aanvraag van 1 juni 2007 in het kader van de herschikking en de daartegen gerichte bezwaren van appellante ongegrond verklaard. Dat zij daarnaast volledigheidshalve in het bestreden besluit heeft overwogen dat appellantes bezwaren niet-ontvankelijk zijn, voor zover deze gericht zouden zijn tegen de Beleidsregel zelf, maakt dat niet anders.

5.2 Het beroep richt zich bij wege van exceptief verweer tegen de aan de bestreden besluiten ten grondslag liggende Beleidsregel en zal – ook door het College - in dat licht worden besproken.

5.3 Appellante heeft aangevoerd dat toepassing van de Beleidsregel in haar geval willekeurig uitvalt omdat zij (als één van de vier zorgaanbieders in haar regio) in 2006 te maken had met sterk toegenomen zorgzwaarteproblematiek als gevolg van het capaciteitstekort in de verpleeghuizen. Zij heeft de problemen alleen het hoofd kunnen bieden door – geïndiceerde - AVZ te bieden, alleen al omdat het zorgkantoor het ontstaan van wachtlijsten niet duldde. Zij staat een evenwichtiger verdeling van de overproductie AVZ in het land voor en vindt dat de Beleidsregel in zoverre op basis van een onvoldoende belangenafweging tot stand is gekomen, onvoldoende draagkrachtig is gemotiveerd en strijdig met het gelijkheidsbeginsel. Ten slotte meent zij dat verweerster bij de door haar uitgevoerde financiële toets een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. Het College overweegt dienaangaande het volgende.

5.4 In de uitspraken van 30 december 2009 heeft het College geoordeeld dat, indien het zorg betreft die uitgaat boven de gemaakte productieafspraken, het in het systeem van macrobudgettering met als ondergrens de kwaliteit van de zorg, niet vereist - en niet steeds mogelijk - is om tegenover iedere verrichting die een zorgaanbieder in het kader van de AWBZ levert, een volledige vergoeding van de verleende zorg aan de zorgaanbieder te stellen. Verweerster heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat geen wettelijk voorschrift daartoe een verplichting in het leven roept. Het standpunt van verweerster dat dit tot gevolg mag hebben dat een instelling voor haar overproductie haar RAK - opgebouwd uit in eerdere jaren toegekende en onbesteed gebleven gelden uit de instellingsbudgetten - zal moeten aanspreken, is naar het oordeel van het College in zijn algemeenheid niet onredelijk of anderszins onaanvaardbaar.

Dat in de Beleidsregel maxima worden gesteld aan de vergoeding van de overproductie 2006 valt aldus naar het oordeel van het College niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, en is ook anderszins niet onaanvaardbaar.

Het College heeft geoordeeld dat verweerster de vergoeding van overproductie AVZ in redelijkheid aan een percentage heeft kunnen binden. Daarbij heeft het in aanmerking genomen dat onvoldoende weersproken is gebleven dat bij de herschikkingsronde de eigenlijke problematische wachtlijsten waren opgelost. Dat geldt landelijk, en derhalve ook in het geval van appellante.

Doelstelling van de herschikking is aldus geweest het bieden van een financiële tegemoetkoming aan instellingen die knelpunten – dat wil zeggen wachtlijsten – hebben voorkomen door het leveren van extra zorg.

De hoogte van het in de beleidsregel vastgestelde percentage, 33,9 % voor de vergoeding van de overproductie AVZ, heeft het College eveneens redelijk geoordeeld. Ook is het College niet gebleken dat verweerster bij de beleidskeuze om bij vergoeding van de overproductie AVZ het landelijk gemiddelde als uitgangspunt te nemen, regionale omstandigheden als door appellante aangevoerd over het hoofd heeft gezien. Bij het stellen van deze voorwaarde heeft verweerster, aldus het College in de uitspraken in redelijkheid overwegende betekenis kunnen toekennen aan een evenredige verdeling in verband met de landelijk sterk toegenomen uitgavenposten voor AVZ.

Het College heeft in meergenoemde uitspraken overwogen dat verweerster aan wie het op het moment waarop de Beleidsregel tot stand kwam, nog niet duidelijk was welk bedrag met de in te dienen herschikkingsaanvragen gemoeid zou zijn, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om, ook toen in maart 2007 meer duidelijkheid was ontstaan over de beschikbare financiële ruimte - de herschikkingsronde voor 2006 af te wikkelen volgens de oorspronkelijke opzet, waarbij het streven naar kostenbeheersing en de wens de instellingen - ook degene die niet waren opgekomen tegen de toepassing van de Beleidsregel - zoveel mogelijk gelijk te behandelen voorop stonden. Het College heeft daarbij tevens geoordeeld dat verweerster had kunnen overwegen voor het resterende bedrag nog een - landelijke - aanvullende herschikkingsoperatie te doen, maar dat zij daartoe niet was gehouden.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat verweerster de voor 2006 eenmalig beschikbaar gekomen extra middelen op een andere wijze had moeten verdelen en zij aan de beleidsregel een onjuiste belangenafweging ten grondslag heeft gelegd. De argumenten van appellante zijn zoals uit het voorgaande blijkt bij de vaststelling van de beleidsregel door verweerster onder ogen gezien. Het College heeft het eindresultaat niet onaanvaardbaar dan wel anderszins onrechtmatig geoordeeld. Gelet hierop faalt het betoog van appellante dat aan de beleidsregel een onjuiste belangenafweging ten grondslag ligt, deze willekeurig en strijdig is met het gelijkheidsbeginsel dan wel anderszins ondeugdelijk is gemotiveerd.

5.5 Het College is ten slotte van oordeel dat verweerster in hetgeen door appellanten is aangevoerd omtrent haar financiële omstandigheden geen aanleiding had behoren te vinden om in afwijking van de Beleidsregel in de door haar voorgestane zin aan de aanvraag tegemoet te komen. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat niet is gesteld of gebleken dat de kwaliteit van de zorg bij de instelling als gevolg van de bestreden tariefbeschikking concreet in het geding is geweest.

5.6 Het College komt tot de slotsom dat de bezwaren tegen de Beleidsregel niet slagen. Verweerster mocht, gelet op het vorenstaande, in het bestreden besluit toepassing geven aan de Beleidsregel.

5.7 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.A.B. van Dorst Tatomir en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. A. Bruining