Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BR2939

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
29-06-2011
Datum publicatie
25-07-2011
Zaaknummer
AWB 08/387
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Geen bijzondere omstandigheden op grond waarvan afwijken van beleid noopten

Redelijke beleidstoepassing

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2011/106
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/387 29 juni 2011

13950 Wet marktordening gezondheidszorg

Uitspraak in de zaak van:

Stichting woonzorgcentra Noord Nederland (Woonzorgcentrum Beatrix), te Hollandscheveld, appellante,

gemachtigde: P. Waninge, lid van de Raad van Bestuur van appellante,

tegen

de Nederlandse Zorgautoriteit (NZa), verweerster,

gemachtigde: mr. J.J. Rijken, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 22 mei 2008, bij het College binnengekomen op 27 mei 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerster van 11 april 2008.

Bij dit besluit heeft verweerster de bezwaren van appellante tegen haar beschikking van 1 juni 2007 ter zake van de toepassing van de Beleidsregel CA-173, “Verrekening gerealiseerde productie 2006 (herschikking)” ongegrond verklaard.

Verweerster heeft op 20 februari 2009 een verweerschrift ingediend. Zij heeft daarbij tevens verwezen naar haar algemeen verweerschrift, op 15 oktober 2008 bij het College in gelijksoortige zaken ingediend.

Op 27 oktober 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verweerster bij monde van haar gemachtigde haar standpunt nader uiteen heeft gezet. Voor verweerster waren tevens aanwezig mr. M.G. van Horzen, F. van de Pol en

drs. P. van Erp.

Appellante heeft het College bericht van verhindering gestuurd.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor het wettelijk kader en de voorgeschiedenis van de Beleidsregel CA-173 wordt verwezen naar de uitspraken van het College van 30 december 2009, met - onder meer - de nummers AWB 08/327 e.a., LJN: BL3124 en AWB 08/116, LJN: BL5513, (hierna: de uitspraken). Het College beschouwt de inhoud van de uitspraken als hier herhaald en ingelast. Voor een beter begrip zijn de voorschriften voor zover in deze zaak van belang hieronder opgenomen.

Verweerster heeft op 6 februari 2007 de Beleidsregel CA-173 “Verrekening gerealiseerde productie 2006 (herschikking)” (hierna ook de Beleidsregel of de Beleidsregel herschikking) vastgesteld. Daarin is onder meer het volgende opgenomen.

"2. Inleiding

Zorgaanbieders (…) kunnen, onder de voorwaarden die gelden voor het jaar 2006 tot 1 maart 2007” [CBb later gewijzigd in 15 maart 2007] “aanvullende afspraken indienen voor geïndiceerde AWBZ-zorg die is geleverd boven het niveau van de productieafspraken tot en met oktober 2006. (…) Deze extra productie is geleverd ter voorkoming of ter oplossing van problematische knelpunten. De bekostiging van deze extra productie vindt plaats door middel van een herschikking van de onder- en overproductie 2006.

Het betreft een éénmalige mogelijkheid vanwege de specifieke knelpuntensituatie in de AWBZ in 2006. Dit betekent dat aan deze beleidsregel geen rechten voor voorafgaande of volgende jaren kunnen worden ontleend.

Deze beleidsregel dient te worden beschouwd als een aanvulling op de in 2006 vigerende beleidsregels. Derhalve blijven de voor 2006 geldende beleidsregels onverkort van toepassing.

(…)

3. Definities

Problematisch knelpunt:

Van een problematisch knelpunt is sprake in situaties waarin het zorgkantoor onvoldoende zorg kan contracteren om binnen de Treeknorm zorg te leveren of in crisissituaties adequaat zorg te verlenen. De zorgaanbieder meldt een problematisch knelpunt bij het zorgkantoor dat vervolgens beoordeelt of er werkelijk sprake is van een problematisch knelpunt. Het zorgkantoor beoordeelt daarbij: of er rekening wordt gehouden met de gebruikelijke uitstroom; of de zorg elders had kunnen worden verleend; of er onderbesteding is in de regio en of er bij andere zorgkantoren ruimte is.

(….)

Totaal beschikbare contracteerruimte 2006:

Contracteerruimte regulier en geoormerkte gelden 2006.

4. Herschikking

De herschikking op zorgkantoorregioniveau vindt plaats binnen de totaal beschikbare contracteerruimte 2006 (exclusief geoormerkte gelden zorgzwaarte gehandicaptenzorg …), zoals die voortvloeit uit de Beleidsregel contracteerruimte 2006 met nummer CA-115 en exclusief de niet benutte contracteerruimte van € 31,3 miljoen (zie brief landelijk beeld contracteerruimte 2006 d.d. 28 november 2006, kenmerk …).

Bij de herschikking worden de volgende stappen genomen.

4.1 Per zorgkantoorregio wordt door het betreffende zorgkantoor een overzicht van de over- en onderproductie van de realisatie opgesteld. Deze over- en onderproductie wordt vervolgens door de NZa met elkaar verrekend.

Van de onderproductie (voorzien van een accountantsverklaring over de juistheid van de gerealiseerde productie) wordt 2% buiten beschouwing gelaten.

4.2 Zorgkantoren hebben hierbij de mogelijkheid om eenmalig onder- en overproductie 2006 – met wederzijdse toestemming – over te hevelen naar een andere regio.

4.3 Landelijk zal daarna door de NZa de resterende over- en onderproductie van de gerealiseerde productie 2006 met elkaar verrekend worden.

Indien er meer overproductie is dan onderproductie dan zal de NZa de vrijgekomen middelen als gevolg van de onderproductie naar rato van de overproductie [verdelen] over de zorgaanbieders.

Indien er per saldo meer overproductie is gerealiseerd dan onderproductie dan zal het zorgkantoor hierover een nadere verantwoording aan de NZa geven en zal de NZa desgewenst aanvullende informatie bij het zorgkantoor en de zorgaanbieder(s) opvragen.

5. Bepalen over- en onderproductie

(…)

Overproductie komt in aanmerking voor herschikking indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

(…)

5.2.4

In het geval de overproductie een gevolg is van extra productie boven de productieafspraak (tot en met 15 oktober 2006) voor de toeslag ‘aanvullende verpleeghuiszorg’ geldt dat deze in principe het landelijk gemiddelde van

33,9 % per regio niet te boven mag gaan (gecontracteerde dagen aanvullende verpleeghuiszorg als percentage van het totale aantal verzorgingsdagen op basis van de productieafspraken).

(….)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 13 maart 2007 heeft appellante samen met het zorgkantoor Drenthe, een aanvraag ingediend in het kader van de herschikking 2006 ter zake van een overproductie van € 135.291,-.

- Verweerster heeft voormelde aanvraag bij beschikking van 1 juni 2006 gedeeltelijk afgewezen.

- Appellante heeft daartegen tijdig bezwaar gemaakt. Zij heeft aangevoerd dat de overproductie is ontstaan nadat reguliere zorg door haar is verleend aan 62 bewoners en het haar niet kan worden verweten dat een toegenomen zorgzwaarte heeft gezorgd voor de overschrijding van het haar toegekende budget. Zij heeft daarbij gewezen op het vanuit de politiek in de jaren 2001/2002 gevoerde beleid om mee te werken aan het wegwerken van wachtlijsten. Het overheidsbeleid is erop gericht om cliënten langer thuis te laten blijven wonen. Dit heeft als consequentie dat cliënten, op het moment dat de zorg thuis om welke reden dan ook niet meer voldoende blijkt, veelal met een zware zorgbehoefte in het verzorgingshuis moeten worden opgenomen en het verzorgingshuis de meerzorg veelal op verpleeghuisniveau moet kunnen bieden. Appellante heeft voorts gewezen op de Nieuwsbrief Landelijk Dementie Programma Drenthe nr. 2 van juni 2007, waarin vermeld staat dat het aantal dementerenden in Drenthe 13% hoger ligt dan het landelijk gemiddelde.

- Op 9 augustus 2007 is appellante naar aanleiding van haar bezwaarschrift door verweerster gehoord. Zij heeft verweerster op 5 november 2007 naar aanleiding van de hoorzitting nadere stukken doen toekomen.

- Verweerster heeft vervolgens op 11 april 2008 het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Appellante heeft gezamenlijk met het zorgkantoor een aanvraag ingediend terzake een overproductie van € 135.291. Op basis van de cijfers uit de voorlopige nacalculatie 2006 is gebleken dat appellante voor € 159.936,- meer aanvullende zorg heeft geleverd dan in de oktoberronde is afgesproken. Appellante heeft bij de productieafspraken tot en met oktober 2006 voor 25% van de verzorgingsdagen aanvullende zorg afgesproken. De aanvullende zorg komt uit op 43% van de verzorgingsdagen. Conform de beleidsregel komt appellante in aanmerking voor extra middelen voor de aanvullende zorg in de herschikkingsronde te weten het financieel verschil tussen 25% en 33,9%.

De berekening van het bedrag waarvoor appellante in aanmerking komt gaat als volgt. Verweerster heeft een korting berekend van in totaal 2033 (aantal dagen aanvullende zorg). Dit bedrag wordt vermenigvuldigd met het gewogen tarief. Dit is berekend voor de drie producten die worden onderscheiden bij aanvullende zorg. Het bedrag dat daaruit komt

(€ 96.430,-) wordt van de totale overproductie afgehaald. Aldus resteert een bedrag van € 38.861,- dat door verweerster is gehonoreerd.

Met betrekking tot het argument van appellante dat de relatief grote aanvullende verpleeghuiszorg (AVZ) kan worden verklaard vanuit de zorgzwaarteproblematiek in de verzorgingshuizen die onder meer verband houdt met het capaciteitstekort van verpleeghuizen in de regio en het beleid om mensen zo lang mogelijk thuis te laten wonen, en dat het volstrekt onduidelijk is in hoeverre en op welke wijze het meewegen van de regio van invloed is op het besluit, merkt verweerster het volgende op.

Voorop dient te worden gesteld dat appellante en het zorgkantoor bij de reguliere budgetrondes de mogelijkheid hebben gehad om productieafspraken voor AVZ te maken. Er zijn 5.665 dagen AVZ via de productieafspraak aangevraagd, tegen een realisatie van 9.723 dagen AVZ. Ingevolge de op basis van de aanwijzing van de Staatssecretaris vigerende contracteerruimtesystematiek zijn de productieafspraken leidend. De reguliere budgetrondes van juli en oktober zijn er voor het zorgkantoor en een zorgaanbieder om de over- en onderproductie te herschikken. Bij deze rondes komen de regio-omstandigheden aan bod. Productie die (voor 15 oktober) niet in een productieafspraak is vastgelegd (en is geaccordeerd door de NZa) wordt niet vergoed. Extra geleverde zorg, buiten de vastgestelde productieafspraken, kan niet in het daaropvolgende jaar voor vergoeding in aanmerking komen bij de voorlopige nacalculatie: de afgesproken productie wordt als bovengrens gehanteerd. Deze wijze van nacalculeren vloeit voort uit de maatregelen inzake de beheersing van groei in de AWBZ die vanaf 2004 zijn getroffen. Deze consequentie voor de geleverde overproductie was appellante en het zorgkantoor vooraf bekend.

Met de herschikkingsronde werd een eenmalige oplossing geboden waaraan voorwaarden waren verbonden: het betrof de inzet van extra middelen.

Zorgaanbieders en zorgkantoren kunnen voor de reguliere budgetronde in principe onbeperkt de toeslag AVZ afspreken. Alleen voor de eenmalige herschikking in het kader van de knelpunten in de AWBZ is ten aanzien van overproductie de voorwaarde van het landelijk gemiddelde verbonden. Hiernaast geldt dat de extra beschikbaar gestelde herschikkingsmiddelen waren bedoeld voor zorg die moet zijn geboden ter voorkoming van een problematische wachtlijst: het mogelijk maken van de vergoeding van overproductie AVZ vormde hierop reeds een uitzondering. Immers bij de herschikkingsoperatie stond voorop dat er alles aan werd gedaan om er voor te zorgen dat geïndiceerde personen zorg zouden krijgen binnen de Treeknorm, zodat geen onaanvaardbare wachtlijsten zouden ontstaan.

Dat partijen, het zorgkantoor en appellante, in oktober 2006 een te krappe schatting hebben gemaakt dan wel het zorgkantoor om haar moverende redenen hiervoor geen aanvullende afspraken heeft willen of kunnen maken, kan niet aan de NZa worden tegengeworpen. Hieraan doen niet af de door appellante aangevoerde redenen ter adstructie van de stelling dat het gemiddelde van 33,9% in het kader van de herschikking niet afdoende is. Hierbij wordt aangetekend dat in het jaar 2006 in de zomer reeds € 95 miljoen extra is ingezet om de volumegroei AWBZ op te vangen en dat in het najaar wederom een analyse is gemaakt van de signalen over knelpunten. De NZa heeft in haar analyse geoordeeld dat er geen extra middelen nodig zijn.

Het zorgkantoor heeft de taak om, binnen een bepaalde maximale ruimte en gegeven de zorgplicht, zorg te contracteren. Verweerster treedt niet in de onderhandelingen tussen partijen, het is de taak van het zorgkantoor om binnen een bepaalde maximale ruimte en gegeven de zorgplicht met de zorgaanbieder te contracteren. Het is een gezamenlijke verantwoordelijkheid van partijen dat gemaakte afspraken over de zorgverlening, zowel ten aanzien van de kwaliteit als ten aanzien van de kwantiteit, worden nagekomen. Ingevolge de systematiek van de contracteerruimte komt de geleverde productie boven de productieafspraken voor risico van de zorgaanbieder. Een uitzondering hierop is de eenmalige herschikkingsmogelijkheid in 2006 conform de Beleidsregel en onder de gestelde voorwaarden.

Met betrekking tot het argument dat méérproductie betaald moet worden en tariefstelling moet wijken voor de aanspraken van verzekerden (en aspecten als keuzevrijheid van cliënten, zorgplicht van de zorgaanbieder, en een vertrouwde woonomgeving) merkt NZa op dat het budgetsysteem op zichzelf geen productiebeperkende strekking heeft. Met de herschikking is onder bepaalde voorwaarden ruimte geboden voor een hoger zorgvolume dan oorspronkelijk tussen zorgkantoor en zorgaanbieder overeengekomen was. Het feit dat hiermee volgens appellante (en zorgkantoor) niet voldoende aan hun wensen tegemoet is gekomen, vormt geen aanleiding om van de Beleidsregel af te wijken.

Uit het bovenstaande blijkt dat de tariefbeschikking conform de beleidsregel tot stand is gekomen. Verweerster acht geen bijzondere omstandigheden aanwezig op grond waarvan zij genoodzaakt zou zijn om in afwijking van de Beleidsregel overproductie AVZ toe te kennen. De argumenten op grond waarvan appellanten menen dat dit wel had gemoeten zijn reeds meegewogen in de beleidsregelvaststelling. Het jaar 2006 heeft zich gekenmerkt door een aanwijzing van de Staatssecretaris van VWS. Verweerster heeft op basis daarvan beleidsregels opgesteld waarin is neergelegd dat overproductie niet voor vergoeding in aanmerking komt. In dat kader zijn voorwaarden gesteld aan de eenmalige herschikkingmogelijkheid. Ook is afwijken van een beleidsregel op algemene gronden niet mogelijk. Dat laatste zou immers een beleidswijziging impliceren en daarvoor is de afwijkingsbevoegdheid niet bedoeld.

Ook wanneer wel bijzondere omstandigheden aanwezig zouden zijn moet worden gekeken naar de financiële positie van Woonzorgcentrum WZC Beatrix (hierna: WZC Beatrix) en het (toekomstige) effect van de huidige afwijzing van het verzoek. Uit de financiële gegevens is gebleken dat het eigen vermogen voldoende is om het negatieve resultaat 2006van WZC Beatrix (inclusief korting) op te vangen. Onverkorte toepassing van de beleidsregel heeft derhalve geen onevenredige gevolgen voor appellante.

Het enkele feit dat appellante een negatieve Reserve Aanvaardbare kosten (RAK) heeft, rechtvaardigt geen afwijking van de beleidsregels. Hierbij dient in aanmerking te worden genomen dat zorgaanbieders een zekere vrijheid hebben bij het aanwenden van positieve exploitatieresultaten. Deze kunnen naast de reserve aanvaardbare kosten worden gebruikt voor de vorming van andere reserves of voorzieningen. (vgl. CBb 21 december 1999, RZA 2000, 58). Bovendien is aan de exploitatie van een zorgaanbieder van intramurale zorg inherent dat resultaten van jaar tot jaar kunnen variëren. Relevant voor de continuïteit is of een zorgaanbieder beschikt over een vermogenspositie die hem in staat stelt negatieve resultaten op te vangen. Dat is het geval.

Verweerster heeft gelet op het vorenstaande besloten het bezwaar ongegrond te verklaren.

Ter zitting heeft verweerster verwezen naar voornoemde uitspraken van het College van 30 december 2009 en zich daarbij aangesloten.

4. Het standpunt van appellante

Appellante is van mening dat bij de totstandkoming van het bestreden besluit voorbij is gegaan aan de beweegredenen die tot haar bezwaar hebben geleid en dat uit het besluit blijkt dat men geen oog heeft (of wil hebben) voor omstandigheden die betrekking hebben op appellantes instelling.

Het is in haar opvatting niet mogelijk dat terugwerkende kracht aan een Beleidsregel (in dit geval Beleidsregel CA-173) over het hele voorafgaande jaar wordt verleend. Daarbij komt dat appellante pas bij de derde herschikkingsronde (15 oktober 2006) kennis heeft kunnen nemen van het aan haar over 2006 toegekende budget en dat men pas vanaf die datum tot het nemen van maatregelen heeft kunnen overgaan.

De norm in de Beleidsregel van 33,9% AVZ, is volgens appellante, naar het College het betoog begrijpt, willekeurig. Verweerster heeft daarbij geen rekening gehouden met de regionale situatie. Appellante mist een uiteenzetting van NZa in hoeverre men rekening heeft gehouden met het beperkte aantal verpleeg(zorg)plaatsen in de provincie Drenthe en voor zover dat wel zo zou zijn hoe daaruit een norm van 33,9% is gerold. De verdeling van de contracteerruimte is voor de provincie Drenthe wel heel nadelig uitgevallen.

Evenmin heeft appellante antwoord gekregen op de specifieke situatie over de moraal van de bevolking van Hollandscheveld, die inhoudt dat men zo lang mogelijk hulp van buitenaf buiten de deur wil houden. In deze situatie houdt dat in dat men zo lang als mogelijk mantelzorgactiviteiten verleent en pas “wanneer het water over de schoenen loopt” terugvalt op extra- en in een latere situatie intramurale zorgverlening. Het voorgaande brengt volgens appellante het hoge percentage aanvullende zorg mee dat zij heeft moeten verlenen aan haar 62 bewoners.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt voorop dat uit de aard van de Beleidsregel CA-173 terugwerkende kracht voortvloeit. Het College vermag niet in te zien dat appellante hierdoor nadeel heeft geleden. Het College beschouwt de inhoud van zijn uitspraken van 30 december 2009 als hier herhaald en ingelast. Het heeft daarin verwezen naar vaste jurisprudentie van het College, zowel onder de Wtg (oud) als onder de met ingang van 1 oktober 2006 in werking getreden Wmg, waarin het systeem van macrobudgettering, resulterend in de jaarlijkse vaststelling van contracteerruimte, niet onrechtmatig of anderszins onaanvaardbaar is geacht. De ondergrens is daarbij steeds de kwaliteit van de zorg. Het College is voorts van oordeel dat de afsluiting in oktober van elk kalenderjaar voorafgaande aan definitieve budgetvaststelling voor de zorgaanbieders evenmin onaanvaardbaar of anderszins onrechtmatig is.

In oktober 2006 is het kalenderjaar zoals gebruikelijk na drie contracteerrondes afgesloten. Daarna is echter een parlementaire discussie op gang gekomen, die ertoe heeft geleid dat zorgaanbieders en zorgkantoren alsnog in de gelegenheid zijn gesteld om aanvragen tot herschikking van hun overproductie in te dienen. Er is derhalve sprake van een in aanvulling op de in 2006 vigerende beleidsregels, geboden mogelijkheid.

Appellante heeft van die mogelijkheid gebruik gemaakt en samen met haar zorgkantoor in het kader van de herschikking een aanvraag ter zake van haar overproductie AVZ ingediend. Verweerster heeft deze aanvraag ten dele ingewilligd omdat appellante bij haar aanvankelijke productieafspraken AVZ het landelijk gemiddelde van 33,9% had onderschreden. Zij heeft appellante een tegemoetkoming verstrekt ter hoogte van het financieel verschil tussen 25% oorspronkelijk afgesproken productie AVZ en het in de beleidsregel vastgestelde landelijk gemiddelde voor overproductie AVZ van 33,9 %. Voor wat betreft de daarboven gerealiseerde overproductie heeft verweerster de aanvraag afgewezen.

5.2 Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat toepassing van de beleidsregel in haar geval willekeurig uitvalt, omdat zij zorgaanbieder is in de provincie Drenthe en zij in 2006 te maken heeft gehad met sterk toegenomen zorgzwaarteproblematiek als gevolg van het capaciteitstekort in de verpleeghuizen. Bovendien is het, aldus appellante, plaatselijk gebruik dat men potentiële cliënten zolang als mogelijk is thuis laat wonen en pas wanneer de mogelijkheden van mantelzorg en extramurale zorg zijn uitgeput, tot opname in de instelling overgaat. Voor zover appellante hiermee heeft willen betogen dat zij een evenwichtiger verdeling van de overproductie AVZ over het land voorstaat en zij vindt dat de Beleidsregel in zoverre op basis van een onvoldoende belangenafweging tot stand is gekomen, overweegt het College onder verwijzing naar de uitspraken van 30 december 2009 het volgende.

Dat in de Beleidsregel maxima worden gesteld aan de vergoeding van de overproductie AVZ 2006 valt niet buiten de grenzen van een redelijke beleidsbepaling, en is ook anderszins niet onaanvaardbaar.

Het College heeft voorts in de uitspraken geoordeeld dat verweerster de vergoeding van overproductie AVZ in redelijkheid aan een percentage heeft kunnen binden. Daarbij is in aanmerking genomen dat onvoldoende weersproken is gebleven dat bij de herschikkingsronde de eigenlijke problematische wachtlijsten waren opgelost. Dat geldt landelijk, en derhalve ook in het geval van appellante.

Doelstelling van de herschikking is aldus geweest het bieden van een financiële tegemoetkoming aan instellingen die knelpunten – dat wil zeggen wachtlijsten – hebben voorkomen door het leveren van extra zorg.

De hoogte van het in de beleidsregel vastgestelde percentage, 33,9 % voor de vergoeding van de overproductie AVZ, heeft het College eveneens redelijk geoordeeld. Ook is het College niet gebleken dat verweerster bij de beleidskeuze om bij vergoeding van de overproductie AVZ het landelijk gemiddelde als uitgangspunt te nemen, regionale omstandigheden als door appellante aangevoerd over het hoofd heeft gezien. Bij het stellen van deze voorwaarde heeft verweerster, aldus het College in redelijkheid overwegende betekenis kunnen toekennen aan een evenredige verdeling in verband met de landelijk sterk toegenomen uitgavenposten voor AVZ.

Het College heeft tevens in de uitspraken overwogen dat verweerster, aan wie het op het moment waarop de Beleidsregel tot stand kwam, nog niet duidelijk was welk bedrag met de in te dienen herschikkingsaanvragen gemoeid zou zijn, in redelijkheid heeft kunnen besluiten om, ook toen in maart 2007 meer duidelijkheid was ontstaan over de beschikbare financiële ruimte, de herschikkingsronde voor 2006 af te wikkelen volgens de oorspronkelijke opzet, waarbij het streven naar kostenbeheersing en de wens de instellingen - ook degene die niet waren opgekomen tegen de toepassing van de Beleidsregel - zoveel mogelijk gelijk te behandelen voorop stonden. Het College heeft daarbij tevens geoordeeld dat verweerster had kunnen overwegen voor het resterende bedrag nog een - landelijke - aanvullende herschikkingsoperatie te doen, maar dat zij daartoe niet was gehouden.

Gelet op het vorenstaande kan niet worden geoordeeld dat verweerster de voor 2006 eenmalig beschikbaar gekomen extra middelen op een andere wijze had moeten verdelen en zij in verband hiermee aan de Beleidsregel een onjuiste belangenafweging ten grondslag heeftgelegd. De argumenten van appellante zijn, zoals uit het voorgaande blijkt, bij de vaststelling van de beleidsregel door verweerster onder ogen gezien. Het College heeft het eindresultaat niet onredelijk of anderszins onaanvaardbaar geoordeeld. Gelet hierop faalt het betoog van appellante dat de beleidsregel willekeurig is.

5.3 Het College is ten slotte van oordeel dat verweerster in de financiële omstandigheden van appellante geen aanleiding behoefde te vinden om in afwijking van de Beleidsregel in de door haar voorgestane zin aan de aanvraag tegemoet te komen. Daarbij is mede in aanmerking genomen dat niet is gesteld of gebleken dat de kwaliteit van de zorg bij de instelling als gevolg van de bestreden tariefbeschikking concreet in het geding is geweest.

5.4 Het College komt tot de slotsom dat de bezwaren tegen de Beleidsregel niet slagen. Verweerster mocht, gelet op het vorenstaande, in het bestreden besluit toepassing geven aan de Beleidsregel.

5.5 Het College acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 29 juni 2011.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. A. Bruining