Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BQ8674

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
AWB 10/1198
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kansspelen. Aanwezigheidsvergunning kansspelautomaten. Hoogdrempelige laagdrempelige inrichting. Horecabedrijf. Restaurant. Menukaart. Driecomponentenmaaltijd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Module Horeca 2014/722
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(zesde enkelvoudige kamer)

AWB 10/1198 15 juni 2011

29010 Wet op de kansspelen

Aanwezigheidsvergunning

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: mr. M.I. Houben, advocaat te Amsterdam,

tegen

de burgemeester van Amsterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. G.P. van Driel, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 15 oktober 2010, binnengekomen bij de rechtbank Amsterdam op dezelfde datum en door die rechtbank op 4 november 2010 doorgezonden aan het College, beroep ingesteld tegen verweerders besluit van 3 september 2010.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van

2 maart 2010, waarbij de aanvraag van appellante om een aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in de door haar geëxploiteerde horecagelegenheid, A, gevestigd aan het C te B, is afgewezen.

Appellante heeft bij afzonderlijk schrijven de gronden van het beroep ingediend.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de gedingstukken overgelegd.

Op 11 mei 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgevonden, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunt nader hebben uiteengezet.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 In dit geschil staat ter beoordeling of verweerder terecht de door appellante gevraagde aanwezigheidsvergunning voor twee kansspelautomaten in haar horecagelegenheid heeft geweigerd. Hierbij staat de vraag centraal of verweerder op goede gronden het standpunt heeft ingenomen dat de door appellante geëxploiteerde inrichting, een restaurant-brasserie, geen hoogdrempelige inrichting in de zin van de Wet op de kansspelen (hierna: de Wet) is.

2.2 Onder een hoogdrempelige inrichting wordt blijkens artikel 30, aanhef en onder d, van de Wet verstaan: een inrichting als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Drank- en Horecawet, waarin rechtmatig het horecabedrijf als bedoeld in dat artikellid wordt uitgeoefend:

1°. waar het café en het restaurantbezoek op zichzelf staat en waar geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend en

2°. waarvan de activiteiten in belangrijke mate gericht zijn op personen van 18 jaar en ouder.

Een laagdrempelige inrichting is volgens artikel 30, aanhef en onder e, van de Wet, voor zover hier van belang, een inrichting (…) waarin rechtmatig het horecabedrijf (…) wordt uitgeoefend, die geen hoogdrempelige inrichting is (…).

Op grond van artikel 30c, tweede lid, van de Wet kan voor een laagdrempelige inrichting geen aanwezigheidsvergunning voor kansspelautomaten worden verleend.

2.3 In de memorie van toelichting (TK 1997-1998, 25 727, nr. 3, pp. 21-22) is ten aanzien van het begrip hoogdrempelige inrichting als bedoeld in artikel 30, onder d, van de Wet, voor zover hier van belang, het volgende vermeld:

"Om een inrichting als hoogdrempelig te kunnen kwalificeren, is de eerste voorwaarde het bezit van een Drank- en Horecawetvergunning. (…) De tweede voorwaarde is dat in de inrichting het café- of restaurantbezoek op zichzelf staat er er geen andere activiteiten plaatsvinden waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend. Hiermee wordt aangegeven dat enkel in cafés en restaurants kansspelautomaten mogen worden opgesteld. (…) Een restaurant is een inrichting waar maaltijden worden geserveerd. Voor het begrip maaltijd kan worden aangesloten bij de uitleg die het CBb daaraan heeft gegeven. (…)

Onder maaltijd wordt verstaan een geheel van warme gerechten, hetwelk tenminste bestaat uit de volgende drie, niet met elkaar gemengde bestanddelen: «vlees, vis, gevogelte of wild» (eventueel te vervangen door andere bestanddelen, in geval van een vegetarisch restaurant), «groente» en «aardappelen, rijst of meelspijzen». Indien de inrichting op verstrekking van maaltijden van deze samenstelling is gericht en niet op merendeels afzonderlijke gerechten, is sprake van een restaurant."

2.4 Verweerder heeft het bestreden besluit doen steunen op de overweging dat de inrichting van appellante ook blijkens de laatstelijk overgelegde, aangepaste menukaart niet als een restaurant in de zin van de Wet kan worden beschouwd. Er worden luxe broodjes, maaltijdsalades en vlees- en visgerechten aangeboden. De vlees- en visgerechten worden standaard met salade en frites geserveerd, tenzij de bezoeker warme groenten en aardappelen wenst. Gelet hierop is de inrichting niet primair gericht op de verstrekking van driecomponentenmaaltijden. Bovendien trekt de verstrekking van eenvoudige gerechten zoals broodjes en salades een zelfstandige stroom van bezoekers, voornamelijk winkelend publiek, gelet op de ligging van de inrichting in het winkelcentrum Osdorp. Ook de openingstijden van de inrichting zijn voornamelijk afgestemd op het winkelend publiek. Dit betekent dat de inrichting als laagdrempelig moet worden beschouwd en dat geen vergunning voor kansspelautomaten kan worden verleend.

2.5 Appellante voert in beroep aan dat de inrichting hoogdrempelig is nu de bedrijfsvoering onmiskenbaar is gericht op de exploitatie van een restaurant. Verweerder geeft een te enge uitleg aan de Wet. Het is niet verboden om gerechten te serveren die niet uit drie componenten bestaan. Ook restaurants serveren niet uitsluitend drie- componentenmaaltijden. In het verleden heeft verweerder wel vergunning afgegeven voor kansspelautomaten. Appellante mocht er op vertrouwen dat opnieuw vergunning zou worden verleend. Haar belangen zijn onvoldoende meegewogen bij de besluitvorming. Zo is geen rekening gehouden met het feit dat er al sinds jaar en dag kansspelautomaten in de inrichting staan en is er ten onrechte geen overgangstermijn gegund.

2.6 Het College overweegt dat, wil een inrichting als hoogdrempelige inrichting kunnen worden aangemerkt, onder meer vereist is dat het café- of restaurantbezoek op zichzelf staat en in de inrichting geen andere activiteiten plaatsvinden, waaraan een zelfstandige betekenis kan worden toegekend. Blijkens de memorie van toelichting bij de Wet is er sprake van een restaurant, indien de inrichting op verstrekking van zogenaamde driecomponentenmaaltijden is gericht en niet op merendeels afzonderlijke gerechten.

2.7 Uit de aangepaste menukaart blijkt dat onveranderd een ruim aanbod aan etenswaren wordt verstrekt. Naast salades, soep en andere lichte maaltijden zoals Italiaanse ciabatta’s worden ook vlees- en visgerechten geserveerd. Deze laatste hoofdgerechten worden standaard geserveerd met frites en sla, tenzij de klant warme groeten en aardappelen wenst.

Het lijdt geen twijfel dat aan het verstrekken van gerechten en maaltijden zelfstandige betekenis toekomt. Naar het oordeel van het College heeft verweerder zich echter terecht op het standpunt gesteld dat de inrichting van appellante, ondanks de aanpassing van de menukaart, niet als een restaurant in voornoemde zin kan worden aangemerkt. Daarvoor is beslissend dat de bedrijfsvoering onveranderd blijkt te zijn gericht - dat wil zeggen hoofdzakelijk is afgestemd - op het verstrekken van afzonderlijke gerechten en niet van zogeheten driecomponentenmaaltijden. De omstandigheid dat de afzonderlijke vlees- en visgerechten op de menukaart desgewenst worden geserveerd met warme groenten en aardappelen in plaats van frites en sla en een garnituur maakt dat niet anders. Ook het feit dat de inrichting is gelegen in een winkelgebied en dat de openingstijden zijn afgestemd op het winkelend publiek vormt een aanwijzing dat het hier geen restaurant betreft in de zin van de Wet.

2.6 Appellantes beroep op het vertrouwensbeginsel treft geen doel. De enkele omstandigheid dat in het verleden wel voor een bepaalde tijd vergunning is verleend voor kansspelautomaten betekent niet dat verweerder thans gehouden zou zijn om op onjuiste gronden wederom een vergunning te verlenen. Evenmin was verweerder gehouden om aan appellante voor een overgangstermijn - in strijd met de Wet - vergunning te verlenen.

2.7 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb.

3. Beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. M.J. van Veen