Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BQ8662

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-06-2011
Datum publicatie
21-06-2011
Zaaknummer
AWB 11/359
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Wet marktordening gezondheidszorg

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 11/359 15 juni 2011

13950 Wet marktordening gezondheidszorg

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

Stichting Koepel van DBC-vrije Praktijken van Psychotherapeuten en Psychiaters, te Loenen (Stichting KDVP),

de Regionale vereniging van Vrijgevestigde Psychotherapeuten van Gelderland

gemachtigde: mr. A. van Eldijk,

en 25 anderen, verzoekers,

tegen

de Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster,

gemachtigde: mr. H.C. Schutrops, advocaat te ‘s-Gravenhage.

1. De procedure

Bij uitspraak van 2 augustus 2010 nrs. 08/695 (LJN: BN3056), hierna: de uitspraak, heeft het College het beroep van (onder meer) verzoekers gegrond verklaard, welk beroep gericht was tegen het besluit van verweerster van 7 augustus 2008, waarbij de bezwaren van verzoekers tegen de tariefbeschikking op grond van de Wet marktordening gezondheidszorg (Wmg) van 20 december 2007 ongegrond zijn verklaard. Onder vernietiging van het besluit van 7 augustus 2008 is aan verweerster opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van de uitspraak. Daarbij heeft het College op grond van artikel 8:72, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de voorlopige voorziening getroffen dat voor appellanten, voor zover zij handelen als vrij gevestigde psychiater of psychotherapeut, de uit de tariefbeschikking van 20 december 2007 voortvloeiende verplichting om de in artikel 6.6 en 6.7 van de Regeling Declaratiebepalingen DBC-GGZ bedoelde diagnose-informatie en lekenomschrijving op declaraties te vermelden en aan zorgverzekeraars en cliënten te verstrekken, wordt geschorst tot zes weken na het nemen van een nieuw besluit op bezwaar.

Bij besluit van 8 april 2011 heeft verweerster een nieuw besluit op bezwaar genomen. De bezwaren zijn wederom ongegrond verklaard.

Verzoekers hebben hiertegen op 10 mei 2011 beroep ingesteld bij het College en gelijktijdig aan de voorzieningenrechter van het College verzocht bij wege van voorlopige te bepalen dat de bij de uitspraak gegeven voorlopige voorziening voortduurt tot zes weken nadat door het College in de bodemzaak zal zijn beslist.

2. Het standpunt van verweerster

Bij brief van 18 mei 2011 heeft verweerster naar aanleiding van het verzoek meegedeeld bereid te zijn jegens verzoeksters af te zien van handhavingsmaatregelen ter zake van de verplichting om diagnose-informatie en lekenomschrijvingen te vermelden op de declaraties, totdat het College in het bodemgeschil uitspraak zal hebben gedaan. Daarbij is – onder meer – als voorwaarde gesteld dat het verzoek om voorziening wordt ingetrokken en dat de behandeling van de bodemprocedure versneld plaatsvindt, zodat kan worden gerekend op een uitspraak ten gronde voor het einde van 2011. Dit standpunt is in latere brieven herhaald en toegelicht.

3. Het standpunt van verzoeksters

Bij brief van 23 mei 2011 en in latere correspondentie hebben verzoekers het verzoek om voorziening gehandhaafd en meegedeeld dat de Stichting KDVP niet ingaat op het voorstel als zijnde geenszins in verhouding tot hetgeen in de bodemprocedure aan de orde is gesteld. De procedure betreft de privacybelangen van alle cliënten/patiënten in de zorg en in het bijzonder de Geestelijke Gezondheidszorg. De voorlopige voorziening, zoals getroffen door de rechter in de uitspraak van 2 augustus 2010 sloot aan bij de kernargumenten van de bodemprocedure.

Voor zover het voorstel van verweerster inhoudt de bereidheid om af te zien van handhavingsmaatregelen, jegens slechts die beroepsbeoefenaars die als medeappellant in deze procedure optreden, is het willekeurig en sluit het volgens verzoekers niet aan bij de lijn en omvang van de eerdere voorlopige voorziening.

4. Beoordeling van het verzoek

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:81 Awb kan, indien van een beslissing op bezwaar beroep bij het College is ingesteld dan wel openstaat, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist. Volgens het derde lid van artikel 8:83 Awb kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek kennelijk gegrond is, uitspraak doen zonder dat partijen ter zitting zijn gehoord.

De voorzieningenrechter stelt voorop dat een integrale beoordeling van de belangenafweging in de nieuwe beslissing op bezwaar, gezien de complexe materie, buiten het kader van het onderhavige verzoek om voorlopige voorziening valt. De voorzieningenrechter constateert dat het College in de uitspraak aanleiding heeft gevonden in het belang van - onder meer - verzoekers een voorlopige voorziening te treffen voor de periode waarin verweerster opnieuw op bezwaar dient te beslissen. De voorzieningenrechter leidt uit het door verweerster naar aanleiding van het verzoek ingenomen standpunt af dat aan die zijde geen overwegende bezwaren bestaan tegen het vooralsnog voortduren van de door de in de uitspraak getroffen voorlopige voorziening in het leven geroepen situatie, mits het bodemgeschil versneld wordt behandeld. Gelet hierop bestaat aanleiding, gezien het belang van verzoekers, het verzoek in te willigen. De voorzieningenrechter zal bevorderen dat de behandeling ter zitting van het bodemgeschil in oktober/november 2011 zal plaatsvinden. De gevraagde voorziening zal mitsdien worden toegewezen, zodat de in de uitspraak gegeven voorziening zal voortduren totdat het College in de bodemzaak uitspraak zal hebben gedaan.

De voorzieningenrechter merkt daarbij op dat de voorziening slechts kan gelden voor degenen die het verzoek om voorlopige voorziening hebben ingediend. Evenwel, indien andere appellanten een soortgelijk verzoek doen, ligt inwilliging daarvan voor de hand.

Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Het vorenstaande leidt de voorzieningenrechter tot de volgende beslissing.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

Wijst het verzoek om van voorlopige voorziening toe in dier voege dat de uit de tariefbeschikking van 20 december 2007 voortvloeiende verplichting om de in artikel 6.6 en 6.7 van de Regeling Declaratiebepalingen DBC-GGZ bedoelde diagnose-informatie en lekenomschrijving op declaraties te vermelden en aan zorgverzekeraars en cliënten te verstrekken, ten aanzien van verzoekers, voorzover zij handelen als vrij gevestigd psychiater of psychotherapeut, wordt geschorst totdat het College in het bodemgeschil uitspraak zal hebben gedaan.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2011.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. A. Bruining