Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BQ4870

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-04-2011
Datum publicatie
18-05-2011
Zaaknummer
AWB 09/1409
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Suikerquotum

Contract suikerfabrikant

Peildatum

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/1409 20 april 2011

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A en B, A en B, allen te C, appellanten,

gemachtigde: mr. P. Stehouwer, advocaat te Sneek,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. S.M. Oude Lage Venterink, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 19 november 2009, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 9 oktober 2009 in het kader van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling).

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten tegen zijn besluit van 10 juni 2009, waarbij het aantal en de waarde van de toeslagrechten van appellanten is verlaagd, ongegrond verklaard.

Bij brief van 21 december 2009 hebben appellanten hun beroep van gronden voorzien.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 9 maart 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen bij monde van hun gemachtigde hun standpunten hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Tussen partijen is in geschil of verweerder het aantal en de waarde van de toeslagrechten van appellanten bij het besluit van 10 juni 2009 terecht heeft verlaagd, omdat op

1 januari 2006 het betreffende suikerquotum niet op naam van appellanten stond geregistreerd bij suikerfabrikant CSM Suiker B.V. (hierna: CSM).

2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder, samengevat, overwogen dat voor de vaststelling van de suikercomponent in de toeslagrechten bepalend is of de landbouwer op grond van zijn leveringscontract met de suikerfabrikant op 1 januari 2006 de desbetreffende hoeveelheid suikerbieten mag leveren. In het geval van appellanten stond het suikerquotum van 67.834 kg, dat zij van de maatschap D hebben overgenomen, pas op 7 maart 2006

- derhalve na 1 januari 2006 - op hun naam geregistreerd bij CSM.

Er is geen sprake van een overeenkomst zoals bedoeld in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 795/2004 tussen appellanten en de maatschap D, waarin is bepaald dat de toeslagrechten door de maatschap D aan appellanten worden overgedragen. Van een private overeenkomst had bovendien uiterlijk 9 juni 2006 bij verweerder melding moeten worden gemaakt, hetgeen niet is gebeurd.

Verweerder concludeert dat het suikerquotum geen deel uitmaakt van de op naam van appellanten geregistreerde toeslagrechten. Gelet op artikel 73 bis van Verordening (EG) nr. 796/2004 was verweerder verplicht de ten onrechte toegewezen toeslagrechten vanaf 15 mei 2006 aan te passen.

2.3 Appellanten betogen dat verweerder hen bij besluit van 11 maart 2009 52,90 toeslagrechten met een totale waarde van € 35.645,08 heeft toegewezen. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend, zodat de aan appellanten toebehorende toeslagrechten in rechte zijn komen vast te staan. Uit het besluit van 10 juni 2009 blijken geen nieuwe feiten of omstandigheden. Appellanten mochten er derhalve gerechtvaardigd op vertrouwen dat aan het aantal en de waarde van hun toeslagrechten niet meer getornd zou worden.

Appellanten stellen verder dat de toeslagrechten tot en met 31 december 2005 onlosmakelijk deel uitmaakten van het door appellanten van de Staat gekochte perceel. De polsuiker - die conform de overeenkomst tussen de Staat en appellanten aan hen toekomt - stond ten onrechte nog op naam van de maatschap D. Op grond van de pachtovereenkomst tussen de Staat en de maatschap D eindigde het gebruiksrecht van deze maatschap op het suikerquotum op 5 november 2005.

Het geheel van overeenkomsten dient volgens appellanten bovendien te worden aangemerkt als een privaatrechtelijke overeenkomst in de zin van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 795/2004, waarmee de met het suikerquotum samenhangende rechten alsnog op appellanten overgaan. Immers, de goederenrechtelijke levering van de basisreferentie polsuiker aan appellanten heeft plaatsgevonden op 29 december 2005. Dit volgt ook uit de artikelen 13 en 14 van het Suikersysteem 2006. Appellanten zijn daarmee reeds op 29 december 2005 rechthebbenden geworden van het suikerquotum en de hierop gebaseerde suikercomponent dient in de waarde van de toeslagrechten van appellanten te worden opgenomen.

Tot slot stellen appellanten dat de gekozen peildatum 1 januari 2006 slecht aansluit op de praktijk waarin de datum van de inzaai van de suikerbieten - die in het voorjaar plaatsvindt - bepalend is. Partijen konden zich bovendien niet bewust zijn van deze peildatum omdat deze pas in mei 2006 in de Regeling is opgenomen.

2.4 Het College verwijst in de eerste plaats naar zijn uitspraak van 8 januari 2009 (AWB 07/238; <www.rechtspraak.nl>, LJN: BH2657) waarin is geoordeeld dat de landbouwer in de zin van Bijlage 4 van de Regeling diegene is die op grond van zijn leveringscontract met de suikerfabrikant op 1 januari 2006 de betreffende hoeveelheid suikerbieten in het kader van het Suikersysteem 2006 voor het verkoopseizoen 2006/2007 aan een binnenlandse suikerfabrikant mag leveren.

Niet in geschil is dat appellanten op 1 januari 2006 niet beschikten over een leveringscontract met suikerfabrikant CSM voor de betreffende hoeveelheid suiker. Dit betekent naar het oordeel van het College dat appellanten niet als de landbouwer in de hiervoor bedoelde zin kunnen worden beschouwd.

2.5 Anders dan appellanten is het College bovendien van oordeel dat van een overdracht van toeslagrechten door middel van een private overeenkomst in de zin van artikel 17 van Verordening (EG) nr. 795/2004 tussen appellanten en de maatschap D evenmin sprake is. Uit de door appellanten overgelegde overeenkomsten blijkt geen overeenkomst tussen appellanten en de maatschap D omtrent de overdracht van de suikercomponent. Niet in geschil is bovendien dat appellanten van een dergelijke overeenkomst geen melding hebben gemaakt bij verweerder.

2.6 Het voorgaande betekent dat verweerder de toeslagrechten van appellanten terecht heeft aangepast in verband met de betreffende suikercomponent.

2.7 De stelling van appellanten dat het besluit van 11 maart 2007 formele rechtskracht heeft gekregen en dat verweerder hiervan mitsdien niet mag terugkomen miskent dat artikel 73 bis van Verordening (EG) nr. 796/2004 verweerder verplicht de bij dat besluit ten onrechte toegewezen suikercomponent in de toeslagrechten vanaf 15 mei 2006 te corrigeren. 2.8 Het beroep van appellanten op het vertrouwensbeginsel kan er niet toe leiden dat verweerder verplicht zou worden om de na 1 januari 2006 verkregen leveringsrechten voor suiker in de berekening van de toeslagrechten voor appellanten op te nemen.

Het Hof van Justitie van de Europese Unie ( hierna: Hof van Justitie) heeft immers in constante jurisprudentie aangegeven dat een beroep op het vertrouwensbeginsel niet kan leiden tot aanspraken op financiële voordelen in strijd met geldende Europese regelgeving. Dat de zogenoemde contra-legemwerking van dit beginsel naar Europees recht niet aanvaard is, is onder meer terug te vinden in de uitspraken in zaak 5/82, Jur. 1982, p. 4601 (Maizena) en 316/86, Jur. 1988, p. 2213 (Krücken) van het Hof van Justitie.

2.9 Het betoog van appellanten over de goederenrechtelijke overeenkomst op grond waarvan zij reeds op 29 december 2005 rechthebbenden zouden zijn geworden op het suikerquotum slaagt evenmin, nu in de uitspraak van het College van 8 januari 2009 reeds is geoordeeld dat slechts de contractuele relatie tussen appellanten en CSM beslissend is voor het recht op de suikercomponent in de toeslagrechten.

2.10 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 Awb ziet het College geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 april 2011.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld