Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BQ3858

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
22-04-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
AWB 10/683
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE's

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 10/683 22 april 2011

11239 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Regeling preventie, bestrijding en monitoring van

besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE's

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

Mr. M.A.J. Kemps, in zijn hoedanigheid van curator in het faillissement van Varkenswegerij B.V. te Eersel, curator,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. N.N.A. Alam, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Bij besluit van 31 mei 2010 heeft verweerder Varkenswegerij B.V. te Eersel (hierna: verzoekster) medegedeeld dat hij niet wordt aangemerkt als exploitant van het verzamelcentrum van varkens aan de Grote Aardweg 9c te Eersel, in de zin van de Regeling preventie, bestrijding en monitoring van besmettelijke dierziekten en zoönosen en TSE's (Stcrt. 2005, nr. 120; nadien gewijzigd).

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 7 juli 2010 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 8 juli 2010 heeft verzoekster zich tot de voorzieningenrechter van het College gewend met het verzoek een voorlopige voorziening te treffen in die zin dat het besluit van 31 mei 2010 wordt geschorst.

Bij brief van 12 juli 2010 heeft het College verweerder gevraagd om binnen uiterlijk 14 dagen op het verzoek te reageren en verzocht alle op het verzoek betrekking hebbende stukken te overleggen.

Bij brief van 22 juli 2010 heeft verweerder het College om uitstel van de termijn verzocht.

Bij brief van 22 juli 2010 heeft het College verweerder uitstel verleend tot 2 augustus 2010.

Bij brief van 29 juli 2010 heeft verzoekster het College laten weten dat tussen verzoekster en verweerder overleg plaatsvindt over een eventuele oplossing van het geschil en dat verzoekster geen bezwaar heeft tegen het verlenen van uitstel voor het indienen van een verweerschrift tot nadere berichtgeving.

Bij brief van 19 augustus 2010 heeft het College verzoekster verzocht hem te berichten over de stand van zaken.

Bij brief van 3 september 2010 heeft verzoekster het College laten weten dat het nog niet gelukt is om tot een vergelijk te komen met verweerder en verzocht om de behandeling van het verzoek om voorlopige voorziening voort te zetten en een datum voor de behandeling ter zitting te bepalen.

Bij brief van 6 september 2010 heeft het College verweerder gevraagd om binnen uiterlijk 1 week op het verzoek te reageren en verzocht alle op het verzoek betrekking hebbende stukken te overleggen.

Bij brief van 10 september 2010 heeft verweerder het College de op het verzoek betrekking hebbende stukken doen toekomen.

Bij brief van 13 september 2010 heeft verweerder een schriftelijke reactie op het verzoek ingediend met in de conclusie een aantal vragen waarop verweerder getracht heeft bij verzoekster een antwoord te krijgen.

Bij brief van 16 september 2010 heeft het College verzoekster in de gelegenheid gesteld om binnen 2 weken te reageren op de schriftelijke reactie van verweerder van 13 september 2010, en dan met name op de in de conclusie van verweerder opgenomen vragen.

Bij brief van 30 september 2010 heeft verzoekster om uitstel tot 7 oktober 2010 verzocht voor het indienen van een schriftelijke reactie.

Bij brief van 6 oktober 2010 heeft verzoekster om uitstel tot 14 oktober 2010 verzocht voor het indienen van een schriftelijke reactie.

Bij brief van 14 oktober 2010 heeft verzoekster te kennen gegeven dat de vragen die verweerder in zijn conclusie in de schriftelijke reactie stelt, al door verzoekster zijn beantwoord in twee e mails van 15 september 2010.

Bij brief van 18 oktober 2010 heeft het College partijen meegedeeld dat de correspondentie tussen partijen aanleiding geeft voor de verwachting dat partijen in staat zullen zijn hun geschil zonder rechterlijke tussenkomst op te lossen. Partijen is verzocht uiterlijk 15 november 2010 nader te berichten.

Bij brief van 15 november 2010 heeft verzoekster het College laten weten dat het nog niet gelukt is om met verweerder tot een vergelijk te komen. Er is echter een gesprek tussen verzoekster en verweerder voorgesteld om tot een oplossing voor het geschil te kunnen komen.

Bij brieven van 17 november 2010 heeft het College partijen gevraagd hem uiterlijk 1 december 2010 te berichten over de stand van zaken.

Bij brief van 1 december 2010 heeft verzoekster het College laten weten dat op 3 december 2010 een bijeenkomst met verzoekster en verweerder plaatsvindt.

Bij brieven van 2 december 2010 heeft het College partijen gevraagd hem uiterlijk 7 december 2010 te berichten over de stand van zaken.

Bij brief van 7 december 2010 heeft verweerder het College op de hoogte gesteld van de afspraken die op 3 december 2010 tussen verzoekster en verweerder zijn overeengekomen.

Bij brief van 9 december 2010 heeft verzoekster het College laten weten dat op de bespreking van 3 december 2010 nog een vervolg zal komen.

Nadat het College op 22 februari 2011 verzoekster had gevraagd uitsluitsel te geven over het al dan niet handhaven van het verzoek, bleek dat op 11 januari 2011 Varkenswegerij B.V. bij uitspraak van de rechtbank te 's Hertogenbosch in staat van faillissement is verklaard (F.11/36, te raadplegen via het centraal insolventieregister, http://insolventies.rechtspraak.nl/).

Bij brief van 3 maart 2011 heeft de curator in het faillissement van Varkenswegerij B.V. het College laten weten dat hij tot curator van het faillissement is benoemd en dat alle correspondentie aan hem dient te worden gericht.

Bij brief van 4 maart 2011 heeft het College de curator gevraagd hem uiterlijk 1 april 2011 te berichten over de stand van zaken met betrekking tot het verzoek. Op 1 april 2011 en 5 april 2011 heeft het College getracht telefonisch contact op te nemen met de curator, zonder succes.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge het bepaalde in artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie in samenhang met artikel 8:81 Awb kan, indien tegen een besluit bij het College beroep is ingesteld, dan wel voorafgaand aan een mogelijk beroep bezwaar is gemaakt, op verzoek een voorlopige voorziening worden getroffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Op grond van het bepaalde in artikel 8:83, derde lid Awb kan de voorzieningenrechter, onder meer indien het verzoek kennelijk ongegrond is, uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd voor een zitting. De voorzieningenrechter heeft aanleiding gezien om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

2.2 De voorzieningenrechter ziet zich geplaatst voor de vraag of thans nog een spoedeisend belang aanwezig is dat het treffen van een voorlopige voorziening kan rechtvaardigen. Gelet op het langdurige verloop van de procedure, de proceshouding van partijen en het uitblijven van een reactie van de curator, komt de voorzieningenrechter tot de slotsom dat ieder spoedeisend belang bij het treffen van een voorziening ontbreekt.

2.3 Gelet hierop dient het verzoek te worden afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening af.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, in tegenwoordigheid van mr. F.E. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 22 april 2011.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. F.E. Mulder