Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BQ3847

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-04-2011
Datum publicatie
10-05-2011
Zaaknummer
AWB 09/1108
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Het College komt tot de slotsom dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij de werkzaamheden in het kader van het project "Aardappelveredeling" sprake is van speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1108 21 april 2011

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting

en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

V.O.F. A, te B, appellante,

gemachtigde: mr. W. Frankema, werkzaam bij Accon avm juridisch advies B.V. te Leeuwarden,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. G. Baarsma, werkzaam bij Agentschap NL (voorheen SenterNovem),

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 21 augustus 2009, bij het College binnengekomen op 24 augustus 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 juli 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen een besluit van 7 april 2009, waarbij de aanvraag van appellante voor een S&O-verklaring op grond van de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen is afgewezen, gegrond verklaard en haar alsnog een S&O-verklaring voor het jaar 2009 van 350 uur in haar hoedanigheid van inhoudingsplichtige verstrekt.

Bij brief van 9 oktober 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Bij besluit van 14 oktober 2009 (hierna ook: besluit II) heeft verweerder het besluit van 20 juli 2009 (hierna ook: besluit I) herzien en appellante, in aanvulling op het eerdere besluit, tevens een S&O-verklaring voor het jaar 2009 van 550 uur in haar hoedanigheid van belastingplichtige verstrekt.

Bij brief van 2 november 2009 heeft appellante gereageerd op het verweerschrift en besluit II en aangegeven dat zij haar beroep wenst te handhaven.

Bij brief van 23 november 2009 heeft verweerder een aanvullend verweerschrift ingediend.

Op 16 november 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigde van verweerder is verschenen, alsmede dr. ir. C.M. Schavemaker en ing. Y. de Vries, beiden eveneens werkzaam bij Agentschap NL. Appellante heeft zich, zoals aangekondigd bij brief van de gemachtigde van 8 november 2010, ter zitting niet laten vertegenwoordigen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie voor de volksverzekeringen (hierna: Wva) bepaalde, ten tijde en voor zover hier van belang:

"Artikel 1.

1. In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

(…)

l. S&O-inhoudingsplichtige:

1°. een inhoudingsplichtige die tevens een onderneming drijft;

2°. een inhoudingsplichtige die niet tevens een onderneming drijft, voor zover hij speur- en ontwikkelingswerk verricht krachtens een schriftelijk vastgelegde overeenkomst met en voor rekening van een onderneming, een samenwerkingsverband van degenen die een onderneming drijven of een lichaam als bedoeld in de Wet op de bedrijfsorganisatie;

m. S&O-belastingplichtige: een natuurlijke persoon die voldoet aan het urencriterium, bedoeld in artikel 3.6 van de Wet inkomstenbelasting 2001;

n. speur- en ontwikkelingswerk: door een S&O-inhoudingsplichtige, dan wel een S&O-belastingplichtige, systematisch georganiseerde en in een lidstaat van de Europese Unie verrichte werkzaamheden, direct en uitsluitend gericht op:

1°. technisch-wetenschappelijk onderzoek;

2°. de ontwikkeling van voor de S&O-inhoudingsplichtige of de S&O belastingplichtige technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten, (onderdelen van) fysieke productieprocessen, of (onderdelen van) programmatuur;

3°. het uitvoeren van een systematisch opgezette analyse van de technische haalbaarheid van het zelf verrichten van het speur- en ontwikkelingswerk, bedoeld onder 1°of 2°, of

4°. het uitvoeren van een technisch onderzoek naar een substantiële wijziging van een productiemethode, indien de wijziging kan leiden tot een significante verbetering van het fysieke productieproces dat reeds wordt toegepast in de onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige of S&O belastingplichtige, dan wel naar modellering van processen, indien deze kan leiden tot een significante verbetering van programmatuur die reeds wordt toegepast in de onderneming van de S&O-inhoudingsplichtige of S&O-belastingplichtige.

(…)

q. S&O-verklaring: de door Onze Minister van Economische Zaken op de voet van artikel 23 aan een S&O-inhoudingsplichtige of artikel 27 aan een S&O belastingplichtige afgegeven verklaring betreffende speur- en ontwikkelingswerk.

(…)

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 14 november 2008 heeft appellante een aanvraag voor een S&O-verklaring voor het jaar 2009 ingediend voor het project "Aardappelveredeling", waarbij appellante 350 uur als S&O-inhoudingsplichtige en 550 uur als S&O-belastingplichtige heeft aangevraagd.

- Bij brief van 28 januari 2009 heeft verweerder appellante verzocht om hem nadere gegevens over de aanvraag toe te sturen.

- Bij brief van 9 februari 2009 heeft appellante verweerder nader geïnformeerd.

- Op 13 februari 2009 heeft verweerder in een telefoongesprek nadere vragen aan appellante gesteld.

- Op 24 maart 2009 heeft verweerder nogmaals in een telefoongesprek nadere vragen aan appellante gesteld.

- Bij e-mail van 2 april 2009 heeft appellante verweerder nader geïnformeerd over de aanvraag.

- Bij besluit van 7 april 2009 heeft verweerder de aanvraag afgewezen omdat de werkzaamheden van appellante routinematig van aard zijn en niet kunnen worden aangemerkt als speur- en ontwikkelingswerk (hierna ook: S&O) in de zin van de Wva.

- Bij brief van 14 mei 2009, door verweerder ontvangen op 15 mei 2009, en aangevuld bij brief van 5 juni 2009, heeft appellante hiertegen bezwaar gemaakt.

- Op 25 juni 2009 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Bij brief van 2 juli 2009 heeft appellante verweerder nader geïnformeerd over de werkzaamheden in het kader van de aanvraag voor het project "Aardappelveredeling".

- Vervolgens heeft verweerder besluit I genomen.

- Na de indiening door appellante van het beroep bij het College heeft verweerder besluit II genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij besluit I heeft verweerder de bezwaren van appellante tegen het besluit van 7 april 2009 gegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat weergegeven, het volgende overwogen. Appellante heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat het project "Aardappelveredeling" leidt tot een technisch nieuw product in de zin van artikel 1, eerste lid, onder n, van de Wva. Volgens verweerder verricht appellante routinematige werkzaamheden in het kader van de ontwikkeling van een nieuw aardappelras, maar een routinematige ontwikkeling is geen S&O. De ontwikkeling moet gericht zijn op een voor appellante technisch nieuw fysiek product of proces. Maatstaf vormt het eigen technisch kunnen en de eigen technische kennis van appellante, aldus verweerder. Verweerder voert aan dat de werkzaamheden van appellante niet gericht zijn op het oplossen van technische knelpunten. Indien zich een technisch knelpunt voordoet, bijvoorbeeld als het product niet aan de vereisten voldoet, dan koopt appellante een nieuw kruisingsproduct en test dat product. Het is verweerder niet gebleken dat appellante volgens een duidelijk door haar opgesteld kruisingsprogramma werkt en dat de technische knelpunten door eigen onderzoek opgelost worden. Technische knelpunten die appellante met haar huidige kennis en ervaring op vrij eenvoudige wijze kan oplossen zijn ook niet zodanige knelpunten dat gesproken kan worden van S&O. Voorts heeft verweerder appellante medegedeeld dat zij bij vervolgaanvragen het risico loopt dat deze vervolgaanvragen op grond van vorengenoemde argumenten zullen worden afgewezen.

Desalniettemin is verweerder van mening dat hij er rekening mee had moeten houden dat eerdere aanvragen, op basis van soortgelijke informatie wel steeds aan appellante zijn toegekend. Hoewel verweerder niet gehouden is een eventueel eerder gemaakte fout te herhalen, wordt door hem bij wijze van overgangsmaatregel appellante nog éénmaal een S&O-verklaring van 250 uur als inhoudingsplichtige verstrekt. In de berekening van het aanvullende bedrag S&O en in de S&O-verklaring wordt 350 uur vermeld.

Daarnaast kent verweerder aan appellante een proceskostenvergoeding toe, welke wordt bezien in samenhang met de bezwaarprocedure van Gebroeders C Beheer B.V. Het bezwaarschrift van appellante en dat van Gebroeders C Beheer B.V. zien, aldus verweerder, op dezelfde belanghebbende en zijn van exact dezelfde strekking. Samenhangende zaken tegen nagenoeg dezelfde besluiten op vergelijkbare gronden, ten behoeve van personen die behoren tot één samenwerkingsverband welke (nagenoeg) gelijktijdig zijn ingediend, beschouwt verweerder als één zaak, conform artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht. De vergoeding bedraagt € 644,- , deze is door verweerder reeds toegekend en gekoppeld aan de beschikking ten name van Gebroeders C B.V.

In het verweerschrift heeft verweerder te kennen gegeven dat hij appellante een S&O verklaring van 350 uur als S&O-inhoudingsplichtige heeft verstrekt en dat in besluit I abusievelijk 250 uur is vermeld. Tevens heeft verweerder te kennen gegeven dat hij alsnog aan appellante een S&O-verklaring van 550 uur als S&O-belastingplichtige zal verstrekken. Bij besluit II heeft verweerder besluit I aangevuld en appellante alsnog een S&O-verklaring van 550 uur als S&O-belastingplichtige verstrekt. Verweerder betwist de stelling van appellante dat hij in besluit I niet voldoende concreet gemotiveerd heeft waarom de door appellante aangevraagde werkzaamheden niet zijn aan te merken als speur- en ontwikkelingswerk. Hij voegt daaraan toe dat appellante ruimschoots de gelegenheid heeft gekregen om nadere informatie te verstrekken.

In het aanvullend verweerschrift verzoekt verweerder hem – in verband met het niet toekennen in besluit I van een S&O-verklaring van 550 uur aan appellante in haar hoedanigheid van belastingplichtige – te veroordelen in de proceskosten conform het Besluit proceskosten bestuursrecht. Verweerder wil het geschil hiermee beperken tot de vraag of de door appellante aangevraagde werkzaamheden zijn aan te merken als speur- en ontwikkelingswerk.

4. Het standpunt van appellante

Appellante betoogt, samengevat weergegeven, dat in besluit I onduidelijkheid bestaat over de omvang van het toegekende aantal S&O-uren, omdat in het besluit wordt gesteld dat nog éénmaal een S&O-verklaring van 250 uur wordt verstrekt, terwijl verweerder in de aangehechte S&O-verklaring 350 uur toekent.

Voorts voert appellante aan dat in besluit I geen S&O-verklaring van 550 uur als S&O-belastingplichtige is opgenomen.

Verder betwist appellante dat door haar onvoldoende aannemelijk zou zijn gemaakt dat hier sprake is van de ontwikkeling van een technisch nieuw product. Appellante vindt dat de motivering die verweerder daarvoor geeft niet deugdelijk is. Volgens appellante blijkt uit de uiteenzetting die zij in de bezwaarfase heeft gedaan dat de werkzaamheden met betrekking tot de aardappelveredeling rechtstreeks leiden tot een technisch nieuw product, waarbij oplossingen worden gezocht voor technische knelpunten. De aardappelveredeling is juist bij uitstek speur- en ontwikkelingswerk.

Daarnaast stelt appellante dat uit het dictum van besluit I volgt dat aan haar € 644,- moet worden vergoed, naast de proceskostenvergoeding die aan de Gebroeders C B.V. is toegekend.

Naar aanleiding van besluit II heeft appellante er ten aanzien van de eerste twee beroepsgronden op gewezen dat verweerder nu erkent dat besluit I onjuist was zodat het beroep tegen dat besluit gegrond moet worden verklaard en appellante aanspraak maakt op vergoeding van de proceskosten en het griffierecht. Appellante heeft er voorts op gewezen dat zij nog steeds belang heeft bij een uitspraak van het College met het oog op aanvragen voor de komende jaren.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat verweerder, hangende het beroep, besluit II heeft genomen waarbij appellante alsnog een S&O-verklaring van 550 uur als S&O-belastingplichtige is verstrekt. Op grond van de artikelen 6:18 en 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) wordt het beroep geacht mede te zijn gericht tegen besluit II.

5.2 Het College ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of appellante nog belang heeft bij een inhoudelijk oordeel over de bestreden besluiten, nu verweerder appellante de gevraagde S&O-verklaringen van 350 uur als inhoudingsplichtige en 550 uur als belastingplichtige heeft verstrekt. Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. In de bestreden besluiten heeft verweerder de aanvraag weliswaar toegewezen op basis van het vertrouwensbeginsel, maar tevens heeft verweerder overwogen dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van een technisch nieuw product in de zin van de Wva. Verweerder heeft appellante daarbij te kennen gegeven dat zij het risico loopt dat een eventuele vervolgaanvraag op grond van dezelfde inhoudelijke bevindingen zal worden afgewezen. Onder verwijzing naar zijn uitspraak van 19 juni 2009, (AWB 08/721; < www.rechtspraak.nl >, LJN BJ0699), overweegt het College dat het belang van een inhoudelijk oordeel omtrent de rechtmatigheid van een besluit gelegen kan zijn in de omstandigheid dat het oordeel van het College kan worden betrokken bij eventuele toekomstige aanvragen. Het College neemt hierbij in aanmerking dat een S&O-verklaring telkens voor een beperkte periode wordt verleend en dat appellante te kennen heeft gegeven in de toekomst vergelijkbare aanvragen in te willen dienen.

5.3 Gelet hierop is de vraag aan de orde of verweerder terecht heeft geoordeeld dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij de werkzaamheden in het kader van het project "Aardappelveredeling" sprake is van speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva. Het College overweegt hieromtrent het volgende.

Om te kunnen beoordelen of de werkzaamheden waarvoor een verklaring wordt aangevraagd onder de werkingssfeer van de Wva vallen, is het voor verweerder noodzakelijk om van de aanvrager voldoende gegevens te verkrijgen met betrekking tot deze werkzaamheden. Bij de beoordeling van een aanvraag is allereerst van belang of uit hetgeen in de aanvraag beschreven is kan worden afgeleid welke speur- en ontwikkelingswerkzaamheden de aanvrager voornemens is te gaan verrichten (uitspraak van het College van 21 december 2004, AWB 03/1197; < www.rechtspraak.nl >, LJN AS2016). Daarnaast kan in voorkomende gevallen acht worden geslagen op informatie die in de beoordelingsfase door verweerder bij appellante is verkregen. In dit geval heeft verweerder herhaaldelijk aanvullende informatie ingewonnen over de aard van de werkzaamheden van appellante.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, onder n, onder 2°, Wva, zijn speur- en ontwikkelingswerkzaamheden systematisch georganiseerde werkzaamheden, die direct en uitsluitend gericht zijn op de ontwikkeling van voor de aanvrager van een S&O-verklaring technisch nieuwe (onderdelen van) fysieke producten. In de bestreden besluiten heeft verweerder terecht overwogen dat het eigen technische kunnen en de eigen technische kennis van appellante bepalend zijn bij de toetsing van de werkzaamheden. Om de technische nieuwheid te kunnen beoordelen slaat verweerder acht op de aard van de werkzaamheden, de technische knelpunten die appellante ondervindt in het kader van het project en de mogelijke oplossingsrichtingen daarvoor.

Niet in geding is dat appellante in het kader van het project "Aardappelveredeling" kruisingen van aardappelrassen bij een derde koopt, van welke kruisingen zij vervolgens de eigenschappen bepaalt. Als een kruising niet de door haar gewenste eigenschappen heeft, koopt appellante een andere kruising. Blijkens de notitie van het telefoongesprek van 24 maart 2009 ervaart appellante zelf geen technische knelpunten. Appellante bepaalt zelf welke kruisingsproducten zij afneemt en test of deze voldoen aan de door haar gestelde eisen. De jaarlijkse veredelingsresultaten worden teruggekoppeld aan de derde, zodat op basis daarvan nieuwe kruisingen kunnen worden samengesteld. Appellante heeft in haar brief van 2 juli 2009 aangegeven dat zij ook zelf een bepaalde kruising kan voordragen, welke dan door de derde kan worden gemaakt en geleverd, doch hieruit blijkt niet dat zij daadwerkelijk zelf kruisingsschema's opstelt. In die brief wordt ook aangegeven dat het aanbod van de derde dusdanig groot is, dat er altijd wel kruisingen te vinden zijn die voldoen aan de veredelingsrichting die appellante wil inslaan. Ter zitting heeft verweerder nog verduidelijkt dat door appellante in 2004 is aangegeven dat zij zelf de ouders (van de zaailingen) koos en dat in het geval de gewenste kruisingen niet voorhanden waren, appellante daartoe opdracht gaf. Dit duidde op een eigen inhoudelijke inbreng in de kruisingsschema's en op een zelfstandige sturing door middel van eigen technisch onderzoek en kennis op het gewenste eindresultaat. Op grond van die informatie zijn de aanvragen in de jaren na 2004 gehonoreerd. Bij de onderhavige aanvraag voor 2009 is andere informatie naar voren gekomen. Op grond van de zich in het dossier bevindende gegevens die appellante in het kader van onderhavige aanvraag heeft verstrekt en het verhandelde ter zitting, komt het College tot de slotsom dat verweerder terecht heeft geconcludeerd dat appellante onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat bij de werkzaamheden in het kader van het project "Aardappelveredeling" sprake is van speur- en ontwikkelingswerk in de zin van de Wva.

5.4 Het betoog van appellante dat uit het dictum van besluit I volgt dat aan appellante een proceskostenvergoeding van € 644,- moet worden toegekend, naast de proceskostenvergoeding toegekend aan de Gebroeders C B.V., faalt. Door verweerder zijn de zaken van appellante en Gebroeders C Beheer B.V. conform artikel 3, eerste lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht als samenhangende zaken beschouwd, hetgeen door appellante niet is betwist. Het College is van oordeel dat in besluit I voldoende duidelijk is aangegeven dat verweerder daarom éénmaal € 644,- aan de gemachtigde van appellante en Gebroeders C B.V. zal betalen.

5.5 Gelet op het voorgaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard. Nu verweerder pas na het instellen van het beroep tegen besluit I aan appellante de gevraagde S&O verklaring van 550 uur als belastingplichtige heeft verstrekt, ziet het College aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van appellante met toepassing van artikel 8:75 Awb. Op voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van beroepsmatig verleende bijstand vastgesteld op € 322,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift tegen een waarde van € 322,- per punt). Tevens zal worden bepaald dat verweerder aan appellante het betaalde griffierecht dient te vergoeden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep ongegrond;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante ten bedrage van € 322,- (zegge: driehonderdtweeëntwintig

euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ten bedrage van € 297,- (zegge:

tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. M.M. Smorenburg, mr. W.A.J. van Lierop en mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir, in tegenwoordigheid van mr. F.E. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 april 2011.

w.g. M.M. Smorenburg w.g. F.E. Mulder