Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BQ3299

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-04-2011
Datum publicatie
03-05-2011
Zaaknummer
AWB 09/1255
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

GLB-inkomenssteun. Bedrijfstoeslag. Vervallen toeslagrechten aan nationale reserve.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1255 13 april 2011

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: D.J. Hoving, te Ruinen,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: C.A.R. Sloet, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 13 mei 2009 heeft verweerder vastgesteld dat appellante vanwege het niet benutten van haar toeslagrechten beschikt over 0 toeslagrechten als bedoeld in de Regeling GLB-inkomenssteun 2006.

Bij besluit van 26 augustus 2009 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 14 september 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft verweer gevoerd en de op de zaak betrekking hebbende stukken toegezonden.

Op 19 januari 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante is verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 In artikel 45 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers is bepaald dat elk toeslagrecht dat gedurende een periode van drie jaar niet is gebruikt, wordt toegevoegd aan de nationale reserve, behalve in een geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 40, vierde lid, van die verordening.

In artikel 8, eerste lid, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 795/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin in voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 is - voor zover hier van belang - bepaald dat ongebruikte toeslagrechten aan de nationale reserve vervallen op de dag na de uiterste datum voor wijziging van de aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling, in het kalenderjaar waarin de in artikel 42, lid 8, tweede alinea, of in artikel 45, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 vermelde periode verstrijkt. In de tweede alinea is bepaald dat voor de toepassing van dit artikel onder "ongebruikt toeslagrecht" wordt verstaan een toeslagrecht waarvoor tijdens de bovengenoemde periode geen betaling is verleend. Toeslagrechten waarvoor een aanvraag is ingediend die gepaard gaan met een geconstateerde oppervlakte in de zin van artikel 2, punt 22, van Verordening (EG) nr. 796/2004, worden als gebruikt beschouwd.

Ingevolge artikel 2, punt 22, van Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt onder "geconstateerde oppervlakte" - voor zover hier van belang - verstaan: de oppervlakte waarvoor aan alle in de voorschriften voor de toekenning van de steun gestelde voorwaarden is voldaan.

2.2 Verweerder heeft in het bestreden besluit het bezwaar van appellante ongegrond verklaard en daartoe - samengevat - overwogen dat er bij besluit van 30 september 2006 158,85 gewone toeslagrechten op naam van appellante zijn gesteld. In de jaren 2006, 2007 en 2008 heeft appellante niet of niet tijdig om uitbetaling van haar toeslagrechten verzocht, waardoor zij deze in die jaren niet heeft benut. Appellante heeft niet gesteld, noch is verweerder anderszins gebleken, dat er sprake zou zijn van overmacht als gevolg waarvan zij haar toeslagrechten niet heeft kunnen benutten. De onbenutte toeslagrechten zijn dus vervallen aan de nationale reserve.

2.3.1 Het College stelt voorop dat appellante eerst ter zitting de - niet nader onderbouwde en door verweerder weersproken - stelling heeft ingenomen dat zij in 2007 en 2008 tijdig een aanvraag voor de bedrijfstoeslag heeft ingediend.

2.3.2 Ten aanzien van appellantes betoog dat er geen onderbreking in de exploitatie van haar bedrijf is geweest, zodat er meer dan drie jaar ononderbroken is geproduceerd, overweegt het College dat deze omstandigheid niet van belang is voor de vraag of appellante haar toeslagrechten in die periode heeft gebruikt. Uit artikel 8, eerste lid, tweede alinea, van Verordening (EG) nr. 796/2004 blijkt immers dat daarvoor doorslaggevend is of er voor de betrokken toeslagrechten in 2006, 2007 en 2008 betaling is verleend, dan wel of deze toeslagrechten - voor zover daarvoor in die periode een aanvraag is ingediend - gepaard gaan met een geconstateerde oppervlakte. Het College merkt daarbij op dat appellante voor 2006 weliswaar een aanvraag heeft ingediend, maar dat deze aanvraag is afgewezen omdat appellante geen subsidiabele hectaren had aangegeven; deze afwijzing is inmiddels - met de uitspraak van het College van 20 februari 2009 (AWB 08/700; www.rechtspraak.nl, LJN: BH4684) - in rechte onaantastbaar geworden. De gedingstukken en het verhandelde ter zitting geven geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van verweerders aanname dat appellante voor de jaren 2007 en 2008 voor haar toeslagrechten geen aanvraag heeft ingediend. In elk geval is over die jaren geen betaling verleend.

Verweerder heeft zich derhalve terecht op het standpunt gesteld dat appellante haar toeslagrechten in 2006, 2007 en 2008 niet heeft gebruikt.

2.3.3 Appellante heeft verder opgemerkt dat haar toeslagrechten door verweerder zijn vastgesteld op respectievelijk 30 april 2006, 30 september 2006, 15 mei 2007 en 15 mei 2008, waaruit appellante de conclusie trekt dat de periode van 3 jaar pas verstrijkt in 2009 respectievelijk 2011.

Het College constateert dat appellantes toeslagrechten bij het besluit van 30 september 2006 zijn vastgesteld: met de datum van 30 april 2006 doelt appellante kennelijk op het haar toegezonden Overzicht voorlopige toeslagrechten. Het College begrijpt dat appellante het latere verstrijken van de periode van drie jaar dus beschouwt als uitvloeisel van de - in haar optiek - hernieuwde vaststelling van toeslagrechten in de haar door verweerder toegezonden Overzichten toeslagrechten van 31 december 2007 en 25 september 2008, waarin de status van appellantes toeslagrechten per 15 mei 2007 respectievelijk 2008 staat weergegeven.

Uit de toelichting bij de genoemde overzichten blijkt dat het eerste overzicht appellante is toegestuurd vanwege de periodieke verhoging van de waarde van de suikercomponent alsmede de indaling van de melkpremie in de toeslagrechten, en het tweede overzicht vanwege - wederom - de verhoging van de suikercomponent. Anders dan appellante kennelijk voor ogen heeft, leidt de daarmee bewerkstelligde verhoging van de waarde per toeslagrecht er niet toe dat deze toeslagrechten geacht kunnen worden opnieuw - voor het eerst - te zijn vastgesteld. Hierbij neemt het College mede in aanmerking dat de regelgever wat betreft de indaling van de melkpremie in artikel 50, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 spreekt van een aanvullend bedrag per toeslagrecht, waaruit naar het oordeel van het College blijkt dat de regelgever hierin een verhoging van de waarde van reeds bestaande toeslagrechten ziet.

Het voorgaande betekent dat appellantes toeslagrechten per 2006 zijn vastgesteld, zodat voor deze toeslagrechten ook met ingang van dat jaar de periode van drie jaar is gaan lopen.

2.3.4 Met betrekking tot appellantes betoog dat het haar door ernstige ziekte en de daaraan verbonden zeer lange revalidatieperiode niet duidelijk was dat een toewijzing van toeslagrechten niet onherroepelijk was overweegt het College dat - zonder nadere onderbouwing, die in dit geval ontbreekt - niet valt in te zien dat het voor appellante door haar ziekte redelijkerwijs onmogelijk was kennis te nemen van de gevolgen van het gedurende drie jaar ongebruikt laten van toeslagrechten. Daarbij neemt het College in aanmerking dat op deze gevolgen uitdrukkelijk is gewezen in de bovengenoemde Overzichten toeslagrechten.

2.4 Uit het voorgaande volgt dat verweerder in het bestreden besluit terecht heeft vastgesteld dat appellantes toeslagrechten zijn vervallen aan de nationale reserve. Het beroep moet ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. S.C. Stuldreher en mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2011.

w.g. W.E. Doolaard w.g. M.J. van Veen