Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BQ0801

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-04-2011
Datum publicatie
11-04-2011
Zaaknummer
AWB 09/695
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Geen overschrijding tijdsverloop, klacht binnen 7 jaar ingediend. Geen omstandigheden dat tijdsverloop desondanks onaanvaardbaar zou zijn. Ongestructureerde klacht. Niet toegespitst op persoon van betrokkene. Beroep verworpen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/695 7 april 2011

20010 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: raad van tucht), gewezen op 9 maart 2009, met kenmerk R634.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 9 maart 2009, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 25 januari 2008 door appellant ingediend tegen C RA (hierna: betrokkene).

Bij brief van 3 mei 2009, bij het College binnengekomen op 7 mei 2009, heeft appellant tegen die beslissing een beroepschrift ingediend.

De raad van tucht heeft bij brief van 18 mei 2009 op de zaak betrekking hebbende stukken als bedoeld in artikel 53 van de Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Op 16 juli 2009 heeft betrokkene een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 30 november 2010 heeft appellant een reactie op het verweerschrift ingediend.

Op 14 december 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant in persoon is verschenen. Betrokkene is eveneens in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. P.W. Dijkmans, advocaat te Bladel.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht in al zijn onderdelen ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Betrokkene heeft in beroep zijn verweer gehandhaafd dat appellant onaanvaardbaar lang heeft gewacht met het indienen van de klacht zodat een inhoudelijke beoordeling van de klacht vanwege tijdsverloop achterweg had moeten blijven.

3.2 Het College overweegt hieromtrent als volgt.

Appellant heeft op 25 januari 2008 de klacht tegen betrokkene ingediend. De klacht heeft onder meer betrekking op de samengestelde openingsbalans en de jaarrekening 2000 van de Stichting Ontwikkeling Kassencomplex Sappemeer (hierna: Stichting KAS) alsmede op de door betrokkene gecontroleerde jaarrekeningen 2001 tot en met 2005 van voornoemde stichting. De openingsbalans van Stichting KAS heeft betrokkene opgesteld op 31 maart 2001. De jaarrekening 2000 is door betrokkene op 5 september 2001 aan Stichting KAS verzonden.

Uit vaste jurisprudentie van het College volgt dat inhoudelijke beoordeling van een tuchtklacht die na het verstrijken van de in artikel 19 van de Gedrags- en Beroepsregels Registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994) neergelegde bewaartermijn van 7 jaar wordt ingediend, in beginsel achterwege moet blijven, omdat de verantwoordingsplicht die ten grondslag ligt aan de bewaartermijn door het verstrijken ervan niet langer voortduurt en deze termijn allerminst als onredelijk kort kan worden aangemerkt (zie onder meer de uitspraak van het College van 7 juli 2009, AWB 08/40, LJN: BJ2426, en de uitspraken van 24 juni 2004, AWB03/700 en 03/701, LJN: AP5962 en AP6223).

Het College stelt vast dat, gelet op de hiervoor genoemde data, de klacht binnen zeven jaar na de verweten gedragingen is ingediend, zodat in beginsel een beroep op tijdsverloop niet kan slagen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan het tijdsverloop niettemin onaanvaardbaar moet worden geacht, is niet gebleken. Appellant heeft de stukken, naar hij onweersproken heeft gesteld, na herhaaldelijk aandringen eerst in 2005 ontvangen en vervolgens klachtenprocedures – bij onder andere de Noordelijke Accountantsunie alsmede de gemeente Hoogezand- Sappemeer – gevolgd, alvorens zich in 2008 tot de raad van tucht te hebben gewend. Het verweer van betrokkene op dit onderdeel slaagt derhalve niet.

3.2 Appellant heeft in beroep twee grieven geformuleerd over de werkwijze van de raad van tucht. Appellant heeft aangevoerd dat hij aan de raad van tucht vragen heeft gesteld over de vooraf meegedeelde – gewijzigde – samenstelling van de raad van tucht bij de behandeling van zijn klacht, welke vragen niet zijn beantwoord. Voorts heeft appellant gesteld dat het verslag van de zitting bij de raad van tucht zeer onvolledig en op onderdelen onjuist is.

Het College overweegt dat appellant in het beroepschrift, noch ter zitting bij het College de eerste grief heeft onderbouwd. Het College vermag niet in te zien hoe het eventuele uitblijven van een antwoord van de raad van tucht op dit punt zou kunnen leiden tot het oordeel dat de tuchtbeslissing niet in stand zou kunnen blijven.

Wat betreft de grief van appellant met betrekking tot het verslag van de hoorzitting bij de raad van tucht overweegt het College dat in een procedure als de onderhavige niet het verslag van de zitting bij de raad van tucht, maar de op de klacht van appellante door die raad gegeven tuchtbeslissing voorwerp van beroep is. Gelet hierop kan hetgeen met betrekking tot de inhoud van dit verslag door appellante is gesteld, op zichzelf niet van belang zijn voor de beoordeling van het beroep. Deze grieven kunnen derhalve niet leiden tot het door appellant beoogde resultaat.

Voor zover het gestelde kan worden opgevat als mede gericht tegen de inhoud van de door de raad van tucht gegeven tuchtbeslissing, zal het worden betrokken bij de verdere beoordeling van het beroep.

3.3 Appellant heeft tegen de tuchtbeslissing van de raad van tucht één grief geformuleerd. Deze grief richt zich tegen het oordeel van de raad van tucht dat appellant zijn klacht niet systematisch heeft weergegeven, de klacht in algemene zin onduidelijk is en dat appellant tegenover de betwisting van de – door betrokkene geordende – bezwaren zijn stellingen niet aannemelijk heeft gemaakt.

Appellant stelt in beroep dat de raad van tucht zijn klacht in het geheel niet inhoudelijk heeft behandeld.

Het College overweegt ten aanzien van deze grief als volgt.

Naar vaste jurisprudentie van het College dient een klager, die het oordeel van de raad van tucht verlangt, zijn klacht zodanig gestructureerd te verwoorden dat de omvang van deze klacht kan worden vastgesteld. Voorts dient een klager, naar te doen gebruikelijk in het klaagschrift, zijn klacht te motiveren en eventueel met bewijs te onderbouwen. Klager heeft evenwel eerst bij brief van 30 november 2010 enige structurering in de klacht aangebracht. Het College volgt dan ook de overwegingen van de raad van tucht omtrent de formulering van de klacht en voegt daar het volgende aan toe.

Allereerst overweegt het College dat de klacht niet is toegespitst op de persoon van betrokkene. Er dient een onderscheid gemaakt worden tussen de rol van betrokkene als accountant van Stichting KAS, de rol van de Noordelijke Accountantsunie (hierna: NAU) en de rol van betrokkene ten aanzien van (het bedrijf van) de zoon van klager. Voor het College is niet aannemelijk geworden dat betrokkene ten aanzien van de zoon van klager enige, laat staan een beroepsmatige rol had en daarmee – ook in tuchtrechtelijk opzicht – enige verantwoordelijkheid had. Hetgeen in de klacht is opgenomen over de handelwijze van de NAU, kan evenmin worden betrokken bij de klacht omdat onduidelijk is gebleven op welke wijze dat handelen aan betrokkene kan worden toegerekend.

Voor zover de klacht ziet op het handelen van betrokkene als accountant van Stichting KAS oordeelt het College, ook in het licht van de nadere uiteenzetting door appellant in de brief van 30 november 2010, wat er ook zij van het moment van die nadere uiteenzetting, dat niet aannemelijk is geworden dat betrokkene in die rol op enige wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld heeft. De klacht van appellant lijkt veeleer gericht tegen de handelwijze van de participanten aan het tuinbouwproject van Stichting KAS. Deze handelwijze ligt evenwel niet bij het College ter beoordeling voor.

3.4 Uit het voorgaande volgt dat de beslissing van de raad van tucht wordt bevestigd en dat het beroep derhalve moet worden verworpen.

3.5 Na te melden beslissing op het beroep berust op Titel II van de Wet RA, zoals deze luidde tot 1 mei 2009.

4. De beslissing

Het College verwerpt het beroep.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. M. van Duuren en mr. J. Borgesius in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 april 2011.

w.g. B. Verwayen w.g. L.C. Bannink

1

Raad van Tucht

voor Registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten

te Amsterdam

BESLISSING in de zaak met nummer R 634 van

A

wonende te B,

KLAGER,

t e g e n

C RA,

registeraccountant,

wonende te D,

BETROKKENE.

1. Het verloop van de procedure

1.1 De Raad van Tucht heeft kennisgenomen van de in deze zaak gewisselde en aan partijen bekende stukken:

(a) het klaagschrift van 25 januari 2008, met bijlagen 1-18;

(b) aanvulling op het klaagschrift van 4 maart 2008 met bijlagen 19-31;

(c) het verweerschrift van 1 april 2008 (zonder bijlagen);

(d) brief van klager van 21 augustus 2008, met bijlagen 32-37;

(e) brief van klager van 25 augustus 2008 met bijlagen;

(f) brief van mr. Dijkmans van 26 augustus 2008 met één bijlage;

(g) brief van klager van 27 augustus 2008 met bijlagen K1-K3.

(h) de pleitnota zijdens klaagster en

(i) pleitaantekeningen zijdens betrokkene.

1.2 De Raad van Tucht heeft de zaak behandeld ter openbare zitting van

9 september 2008 waar aanwezig waren:

klager, alsmede de heer E, en

betrokkene, bijgestaan door mr. P.W. Dijkmans, advocaat te Bladel.

1.3 Partijen hebben bij gelegenheid van voormelde zitting hun standpunten toegelicht en geantwoord op vragen van de Raad van Tucht.

1.4 De inhoud van de gedingstukken geldt als hier ingevoegd.

2. De vaststaande feiten

2.1 In de loop van de jaren 90 van de vorige eeuw is de gemeente Hoogezand-Sappemeer begonnen met de ontwikkeling van een glastuinbouwgebied in Sappemeer Noord in de vorm van een publiek privaat samenwerkingsverband. In dat kader is op 17 maart 2000 de Stichting KAS opgericht.

2.2 De eerste fase van het project besloeg het tijdvak 30 september 1999 tot en met 30 juni 2001. Voor de realisering van deze fase waren de nodige subsidies aangevraagd en toegezegd.

2.3 Betrokkene is de accountant van Stichting KAS. Hij heeft de openingsbalans van de Stichting per 17 maart 2000 en de jaarrekening 2000 samengesteld en voor beide een samenstellingverklaring afgegeven Betrokkene heeft eveneens de jaarrekeningen 2001 tot en met 2005 gecontroleerd en telkens voorzien van een accountantsverklaring.

2.4 Betrokkene heeft voorts de declaratie (eindopstelling) van de eerste fase van het project d.d. 25 september 2001 van een accountantsverklaring voorzien.

2.5 Accountantskantoor Ernst & Young heeft in opdracht van twee subsidiegevers een verificatieonderzoek ten behoeve van de definitieve vaststelling van de subsidies ingesteld en daarover gerapporteerd. De uitkomst van dit onderzoek was dat de door beide subsidiegevers toegezegde bijdragen voor het toegekende maximum diende te worden uitgekeerd.

2.6 De zoon van klager heeft in 2003 gronden van de Stichting KAS verworven.

2.7 Klager heeft in 2005 de beschikking gekregen over de openingsbalans en de jaarrekeningen 2000-2003.

3. De klacht

3.1 De klacht houdt in dat de door betrokkene samengestelde openingsbalans en jaarrekening 2000 alsmede de door hem gecontroleerde jaarrekeningen 2001 tot en met 2005 en de door hem opgestelde en gecontroleerde einddeclaratie uit 2001 op verschillende onderdelen onjuist zijn geweest. De Raad begrijpt die klacht aldus dat betrokkene daarmee heeft gehandeld op een wijze die schadelijk is voor de eer en stand van de registeraccountants (artikel 5 GBR).

3.2 In zijn toelichting op de klacht tijdens de mondelinge behandeling heeft klager de Raad tevens verzocht betrokkene te veroordelen tot betaling van schadevergoeding aan kwekersbedrijf A voor geleden en te lijden schade door het handelen van betrokkene en Accountants Unie. Klager heeft eveneens aan zijn klacht ten grondslag gelegd de omstandigheid dat betrokkene de Stichting KAS niet goed heeft begeleid omdat zij op onderdelen geen subsidie heeft verleend, waar dat wel mogelijk was.

4. Verweer

4.1 Betrokkene verweert zich tegen de klacht primair met de stelling dat klager niet ontvankelijk is omdat hij bij de klacht geen belang zou hebben. Subsidiair dient de klacht volgens betrokkene ongegrond te worden verklaard omdat deze onvoldoende duidelijk is, er geen causaal verband bestaat tussen de inhoud van de jaarstukken van de Stichting KAS en de transactie tussen de zoon van klager en de Stichting KAS, alsmede omdat dat klacht is verjaard en omdat ten aanzien van de jaarrekeningen 2000 tot en met 2005 betrokkene geen tuchtrechtelijk verwijt te maken is.

5. De gronden van de beslissing

5.1 Omtrent de klacht en het daartegen gevoerde verweer overweegt de Raad van Tucht als volgt.

Ontvankelijkheid

5.2 Gelet op de inhoud van het klaagschrift van 25 januari 2008 is de Raad van oordeel dat klager als zodanig optreedt. Klager handelt in deze procedure niet namens zijn zoon. Voor de ontvankelijkheid vereist het tuchtrecht niet dat de klager een eigen belang heeft bij de klacht. In het midden kan derhalve blijven of klager een eigen belang heeft. Klager is naar het oordeel van de Raad ontvankelijk.

Verjaring

5.3 Het meest verstrekkende verweer tegen de gegrondheid van de klacht luidt dat deze zou zijn verjaard. Betrokkene beroept zich daarbij op de verjaringstermijn van twee jaar zoals opgenomen in de Wet Toezicht Registeraccountants. Deze wet is in deze procedure echter niet van toepassing.

5.4 De klacht wordt onderbouwd met concrete bezwaren tegen de inhoud van de openingsbalans van 17 maart 2000 en de jaarrekeningen 2000 tot en met 2005. Klager heeft de stukken tot en met 2003 verkregen in de 2005. Het klaagschrift dateert van 25 januari 2008.

5.5 Vaste rechtspraak van het College van het Beroep voor het bedrijfsleven is dat voor het indienen van een klacht geen wettelijke termijn geldt. Voor de bepaling van de verjaringstermijn sluit het College aan bij de wettelijke bewaartermijn voor de administratie van zeven jaar. Onder bijzondere omstandigheden kan de maximale termijn voor het indienen van een klacht korter of langer zijn dan die bewaartermijn. Van zulke bijzondere omstandigheden is echter niet gebleken. Nu de klacht (ruim) binnen een termijn van zeven jaar nadat de gegevens waarop de klacht is gebaseerd aan de klager bekend zijn geworden, is ingesteld, is deze naar het oordeel van de Raad niet verjaard.

Causaal verband

5.6 Het verweer van betrokkene dat de klacht ongegrond is omdat deze berust op een verondersteld causaal verband tussen de inhoud van de jaarstukken van de Stichting KAS en het aangaan van de grondtransactie door de zoon van klager en de Stichting KAS, mist feitelijke grondslag. De klacht betreft naar het oordeel van de Raad slechts de inhoud van de jaarstukken van de Stichting KAS en niet de genoemde grondtransactie.

5.7 Ook overigens is voor de gegrondheid van een klacht naar het oordeel van de Raad een causaal verband als hiervoor bedoeld geen vereiste.

Omvang klacht

5.8 De klacht bevat twee onderdelen die klager eerst bij gelegenheid van de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht. Het betreft de vordering tot schadevergoeding en het klachtonderdeel, waarin klager verwijt dat betrokkene de Stichting KAS niet goed heeft begeleid, omdat uiteindelijk op onderdelen geen subsidie zou zijn verleend, terwijl die wel mogelijk zou zijn geweest.

5.9 Gelet op de vaste jurisprudentie van de Raad van Tucht en het College van Beroep voor het bedrijfsleven zijn deze klachtonderdelen te laat naar voren gebracht. De Raad zal de klacht ten aanzien van deze onderdelen ongegrond verklaren.

Gegrondheid klacht

5.10 Klager heeft zijn klacht(onderdeel), inhoudende dat de openingsbalans van 17 maart 2000 en de jaarrekeningen 2000 tot en met 2005 op onderdelen onjuist zijn geweest, onderbouwd met een veelheid aan bezwaren tegen deze stukken. Deze bezwaren zijn talrijk, niet systematisch weergegeven en in algemene zin onduidelijk. Van betrokkene mag naar het oordeel van de Raad in redelijkheid niet worden verlangd dat hij een dergelijk "schot hagel" op detailniveau weerlegd.

5.11 Betrokkene heeft in zijn verweerschrift de vele bezwaren geordend en opgesomd in de onderdelen a tot en met p. Betrokkene heeft deze bezwaren gemotiveerd bestreden voor zover de formulering van de klachtonderdelen hem daartoe de mogelijkheid bood.

5.12 Klager heeft blijkens zijn toelichting tijdens de mondelinge behandeling van de klacht de opsomming van betrokkene niet bestreden. Klager heeft tegenover de gemotiveerde bestrijding van de klacht door betrokkene, de juistheid van zijn stellingen niet aannemelijk gemaakt. De klacht moet daarom ongegrond worden verklaard.

6. De beslissing

De Raad van Tucht:

verklaart de klacht in al zijn onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. R.J. Koopman, voorzitter, H.G. Dix RA en drs. E.J.F.A. de Haas RA, leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Stal, secretaris, en in het openbaar uitgesproken op 9 maart 2009.

_______________ _______________

secretaris voorzitter