Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BP8524

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
09-03-2011
Datum publicatie
21-03-2011
Zaaknummer
AWB 08/176
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling dierlijke EG-premies

Wegens gering belang geen prejudiciële vraag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/176 9 maart 2011

5125 Regeling dierlijke EG-premies

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. M.W. Oomen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 13 juni 2002 heeft verweerder slachtpremie geweigerd voor de in 2001 wegens mond- en klauwzeer gedode runderen van appellant en bij besluit van 26 september 2006 heeft verweerder appellant voor deze dieren alsnog slachtpremie toegekend.

Bij besluit van 17 januari 2008 heeft verweerder de hiertegen gerichte bezwaren afgewezen.

Tegen dit besluit heeft appellant bij op 29 februari 2008 bij het College binnengekomen brief beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Op 17 maart 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaats gehad. Hierbij is appellant niet verschenen en liet verweerder zich door zijn gemachtigde vertegenwoordigen. Met een beslissing van 24 maart 2010 heeft het College het onderzoek heropend.

Met een brief van 12 juli 2010 heeft verweerder geantwoord op vragen van het College en nadere stukken ingezonden. Appellant heeft daarop gereageerd met een brief van 10 oktober 2010.

Op 9 februari 2011 is het onderzoek ter zitting hervat in een meervoudige kamer. Appellant is verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 van de raad van 17 mei 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees luidde voor zover en ten tijde hier van belang:

" Artikel 11

1. Een producent die runderen op zijn bedrijf houdt, kan op zijn verzoek in aanmerking komen voor een slachtpremie. (…)"

Artikel 2.3, tweede lid, van de Regeling dierlijke EG-premies (hierna: de Regeling) bepaalde voor zover relevant ten tijde van belang:

"Terzake van het slachten (..) van een rund dat op de datum van de slacht (..) ten minste acht maanden oud is, wordt op daartoe strekkende aanvraag (..) aan producenten premie verstrekt."

Artikel 1, eerste lid van Verordening (EG) nr. 1117/2006 van de Commissie van 20 juli 2006 betreffende de slachtpremie en de extra betalingen in het kader van veterinaire maatregelen voor de slachting van dieren in Nederland luidt voor zover hier van belang:

"De slachtpremie en de extra betalingen kunnen in Nederland tot en met 15 oktober 2006 worden toegekend voor dieren die (..) in het slachthuis zijn geslacht in verband met de uitbraak van mond- en klauwzeer."

Verordening (EG) nr. 2342/1999 van de Commissie van 28 oktober 1999 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1254/1999, luidde, voor zover hier van belang:

"Artikel 35 (..)

2. In afwijking van het bepaalde in lid 1, kunnen lidstaten (..) bepalen dat de door de slachthuizen aan de bevoegde autoriteit verstrekte gegevens betreffende de slacht van de dieren van een bepaalde producent als aanvraag voor een slachtpremie namens deze producent worden beschouwd (…)

Artikel 41 (..)

1. Op grond van de resultaten van de administratieve controles en de controles ter plaatse betaalt de bevoegde autoriteit de producenten, voor het aantal dieren waarvan wordt aangenomen dat z? voor de premie in aanmerking komen, een voorschot ten bedrage van 60 % van de (..) slachtpremie. (..) Het voorschot mag pas worden betaald vanaf 16 oktober van het kalenderjaar waarvoor de premie wordt aangevraagd of de extra betaling wordt toegekend. Voor de kalenderjaren 2000, 2001, 2002 en 2003 mag het voorschot op de speciale premie, de zoogkoeienpremie, de slachtpremie en de extra betalingen echter maximaal 80 % van het bedrag van deze premies of deze betalingen bedragen.

2. B? eindafrekening van de premie of de extra betaling wordt een bedrag uitbetaald dat gel?k is aan het verschil tussen het uitgekeerde voorschot en het bedrag van de premie of van de extra betaling waarop de producent recht heeft."

De Regeling luidde verder ten tijde en voor zover hier van belang:

"Artikel 2.4a

1. Om voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, in aanmerking te komen dient de producent, onverminderd artikel 2.4b, een deelnamemelding in.

2. In de deelnamemelding verklaart de producent in ieder geval in aanmerking te willen komen voor premie, bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, alsmede dat terzake van het slachten van op zijn bedrijf gehouden runderen in een in Nederland gelegen abattoir de aanvraag voor premie namens deze producent door het betrokken abattoir wordt ingediend.

3. (…)

Artikel 2.4b

1. De producent kan een aanvraag voor premie als bedoeld in artikel 2.3, tweede lid, uitsluitend indienen na ontvangst van diens deelnamemelding.

2. Aanvragen voor premie ter zake van het slachten van runderen in een in Nederland gelegen abattoir worden ingediend door melding van de slacht overeenkomstig de bepalingen van de PVV-verordening door het betrokken abattoir aan het I & R-register.

3. (…)"

Boek 6 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) luidt voor zover hier van belang:

" Artikel 81

De schuldenaar is in verzuim gedurende de tijd dat de prestatie uitblijft nadat zij opeisbaar is geworden en aan de eisen van de artikelen 82 en 83 is voldaan (..).

Artikel 83

Het verzuim treedt zonder ingebrekestelling in:

a. wanneer een voor de voldoening bepaalde termijn verstrijkt (..).

Artikel 119

1.De schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar met de voldoening daarvan in verzuim is geweest. (...) "

2.2 Bij het bestreden besluit zijn appellants bezwaren tegen de besluiten van 26 september 2006 en 13 juni 2002 ongegrond verklaard en heeft verweerder geweigerd om appellant wettelijke rente te voldoen. Om voor wettelijke rente in aanmerking te komen zou, volgens verweerder, moeten vaststaan, dat appellant in 2001 recht had op slachtpremie voor de runderen waarvoor verweerder in 2006 een betaling heeft gedaan. Dit is echter niet het geval. Appellants recht op slachtpremie voor zijn in 2001 in het slachthuis geruimde runderen vindt zijn grondslag in Verordening (EG) nr. 1117/2006, die werking heeft gekregen op 21 juli 2006 zonder terugwerkende kracht. Er was geen grond om de betreffende runderen voor slachtpremie in aanmerking te brengen op grond van Verordening (EG) nr. 1254/1999. Daarmee staat vast dat appellant eerst in 2006 recht had op de hem in 2006 uitgekeerde premie en daarom is het verzoek om gederfde wettelijke rente afgewezen.

2.3 Appellant stelt, samengevat weergegeven, dat verweerder hem in 2001 slachtpremie had moeten betalen, omdat zijn dieren voldeden aan de voorwaarden om hiervoor in aanmerking te komen op basis van Verordening (EG) nr. 1254/1999. Door de niet-tijdige betaling is verweerder in verzuim gebleven en heeft appellant recht op vergoeding van de wettelijke rente vanaf 2001.

2.4.1 De volgende feiten zijn door partijen niet bestreden en ook het College gaat in zijn beoordeling van die feiten uit.

2.4.2 In 2001 zijn 125 runderen van appellant in een slachthuis gedood als maatregel ter bestrijding van mond- en klauwzeer. Voor 22 van deze runderen heeft het slachthuis onder de voor slacht gebruikte code 41 een melding gedaan, de dood van de andere 103 is onder de code 40 (doodmelding) geregistreerd. Van de 22 als geslacht gemelde runderen, waren er 21 jonger dan acht maanden. Voor (al) deze runderen heeft verweerder op 4 oktober 2006 € 7.117, 70 aan slachtpremie betaald.

2.5 Het College overweegt verder het volgende.

2.6 Appellant is het eens met de hoogte van de hem in 2006 nabetaalde slachtpremie, maar vordert (enkel) wettelijke rente over het bedrag van deze nabetaling, omdat naar zijn mening dit bedrag eerder had moeten worden betaald.

2.7.1 Tussen partijen is in de eerste plaats in geschil of verweerder was gehouden voor de 103 als dood gemelde koeien op grond van Verordening (EG) nr. 1254/1999 slachtpremie te betalen. Dat geschil spitst zich toe op de vraag of appellant de premie op juiste wijze heeft aangevraagd.

2.7.2 Aanvragen om slachtpremie worden gedaan door de melding van de slacht door het slachthuis. Het College heeft eerder overwogen in de uitspraak van 12 september 2003 (AWB 02/1344, www.rechtspraak.nl, LJN AM7774) dat, waar Verordening (EG) nr. 2342/1999 de lidstaten de mogelijkheid biedt toe te staan dat de melding door het slachthuis als aanvraag wordt beschouwd, artikel 2.4b, tweede lid, van de Regeling een aanvrager geen andere keus laat dan de aanvraag te laten indienen door het slachthuis. De aanvrager is niet zelf in de gelegenheid om onvolkomenheden in de voor hem ingediende aanvraag te voorkomen, terwijl hij wel het risico draagt dat zulke onvolkomenheden ertoe leiden, dat de aangevraagde premie niet (volledig) wordt uitbetaald. Het College is van oordeel dat dit door de regelgever vastgestelde systeem voor de producenten niet onredelijk bezwarend is en dat de daarmee samenhangende risico's voor de toekenning van slachtpremie als normale bedrijfsrisico's voor de betrokken producenten kunnen worden aangemerkt.

2.7.3 Voor 103 runderen vond niet op de voorgeschreven wijze een slachtmelding door het slachthuis plaats, zodat voor deze 103 runderen geen aanvraag tot toekenning van slachtpremie is gedaan en verweerder terecht geen premie op grond van Verordening 2342/1999 heeft toegekend. Anders dan verweerder is het College van oordeel dat met de melding door het slachthuis onder de daarvoor bestemde code 41 van de slacht van de overige 22 runderen een aanvraag is gedaan voor slachtpremie, nu die meldingen aan de daaraan gestelde eisen voldeden.

2.8 De 21 stuks jongvee waarvoor het slachthuis wel een slachtmelding heeft gedaan, voldeden niet aan de leeftijdseis om voor slachtpremie in aanmerking te komen, zodat verweerder voor deze runderen met zijn besluit van 13 juni 2002 terecht geen slachtpremie heeft toegekend.

2.9.1 Dat betekent dat één slachtmelding gedaan is voor één rund dat de vereiste leeftijd had bereikt om voor slachtpremie in aanmerking te komen. Desgevraagd heeft verweerders gemachtigde ter zitting erkend, dat hij in de destijds toepasselijke regelgeving geen bepaling kan aanwijzen, waaruit eenduidig voortvloeit, dat de ruiming van dit rund niet als een voor premie in aanmerking komende slacht zou kunnen worden aangemerkt. Naar verweerders mening zou het niettemin in strijd zijn met de strekking van deze regelgeving om het geruimde dier als een geslacht dier voor premie in aanmerking te brengen. Desgevraagd heeft genoemde gemachtigde verklaard dat hem niet bekend is dat nog enige andere procedure met betrekking tot deze vraag in bezwaar of beroep in Nederland aanhangig is.

2.9.2 Het College overweegt dat de Commissie in de overwegingen nrs. 1 en 2 bij Verordening (EG) nr. 1117/2006 als volgt heeft overwogen:

" (1) In verband met de uitbraak van mond- en klauwzeer in 2001 en van boviene spongiforme encefalopathie in de periode 2000-2003 in Nederland zijn runderen naar het slachthuis vervoerd om er te worden geslacht.

(2) De Nederlandse autoriteiten hebben de toekenning van de slachtpremie als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1254/1999 en van de desbetreffende extra betalingen als bedoeld in artikel 14 van diezelfde verordening voor in het slachthuis geslachte dieren opgeschort.

Houders van deze dieren hadden echter van deze rechtstreekse betalingen kunnen profiteren voor zover was voldaan aan de steunvoorwaarden voor de betrokken dieren."

2.9.3 Het College leidt hieruit af, dat er naar het oordeel van de Commissie in een geval als hier aan de orde voor een als geslacht gemeld rund geen weigeringsgrond bestond. Het College kan zich in deze zienswijze van de Commissie vinden. Anderzijds kan aan verweerder toegegeven worden dat in het licht van diens zienswijze de juistheid van dit standpunt van de Commissie niet boven iedere redelijke twijfel verheven is. Derhalve zou het College de als gevolg daarvan rijzende vraag aan het Hof van Justitie van de Europese Unie dienen voor te leggen.

2.9.4 Gelet op het geringe belang van de onderhavige kwestie – het gaat nog om maximaal vijf jaar rente over een bedrag van € 53,00 - acht het College het geraden daar niettemin vanaf te zien en het oordeel van de Commissie te volgen, zonder daarover een vraag te stellen.

Conclusie is dat het beroep gegrond verklaard moet worden. Uit het voorgaande vloeit voort dat verweerder het bezwaar voor wat betreft één rund gegrond moet verklaren en alsnog de wettelijke rente moet betalen.

2.9.5 De betaling van deze premie vond plaats op 4 oktober 2006, maar had volgens de regeling van artikel 41 van Verordening (EG) nr. 2342/1999 deels (als voorschot) na 15 oktober 2001 en voor het restant bij de eindafrekening in 2002 moeten plaats vinden. Verweerder is tot 4 oktober 2006 in verzuim geweest en is tot die datum wettelijke rente verschuldigd.

2.10 De conclusie luidt dat het beroep gegrond is. Het College zal het bestreden besluit vernietigen en verweerder opdragen met inachtneming van deze uitspraak een nieuwe beslissing te nemen op het bezwaar.

2.11 Van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten is het College niet gebleken.

3. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 17 januari 2008;

- bepaalt dat verweerder binnen vier weken na de verzending van deze uitspraak met inachtneming van hetgeen daarin is

overwogen een nieuwe beslissing neemt op het bezwaar;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht van € 143,00 vergoedt.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, mr. R.C. Stam en mr. S.C. Stuldreher in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2011.

w.g. W.E. Doolaard w.g. C.M. Leliveld