Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BP7719

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-03-2011
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
AWB 09/377
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Heeft het NIVRA de bezwaren van appellant gericht tegen de creditfactuur voor de contributie 2008/2009 terecht en op goede gronden ongegrond verklaard? Het College stelt vast dat verweerder niet is nagegaan of er grond is om een ontheffing van de contributiebetaling te verlenen, zodat het bestreden besluit niet in stand kan blijven wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde zorvuldigheidsbeginsel. Het College is van oordeel dat de bijzondere omstandigheden die appellant naar voren heeft gebracht niet van dien aard zijn dat zij een andere belangenafweging noodzakelijk maken. Het beroep van appellant is gegrond en het bestreden besluit wordt wegens strijd met artikel 3:2 vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
BA 2011/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 09/377 8 maart 2011

25000 Wet op de Registeraccountants

Uitspraak in de zaak van:

drs. A RA, te B, appellant,

tegen

het Bestuur van het Koninklijk Nederlands Instituut van Registeraccountants (hierna: NIVRA), te Amsterdam, verweerder,

gemachtigde: mr. J.J. Scholtes, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 11 maart 2009, bij het College binnengekomen op 12 maart 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 januari 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant tegen de hem toegezonden, op 20 oktober 2008 gedateerde, creditfactuur contributienota 2008/2009 ongegrond verkaard.

Bij brief van 2 april 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van het College verwezen naar een enkelvoudige kamer.

Op 27 januari 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en de gemachtigde van verweerder zijn verschenen. Namens verweerder was tevens aanwezig M. van Rossum, werkzaam bij verweerder.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wet op de Registeraccountants bepaalt, voor zover hier van belang:

"Artikel 27

1. De Orde kan van haar leden jaarlijks bijdragen heffen, waarvan het bedrag voor elk boekjaar afzonderlijk door de ledenvergadering bij verordening wordt vastgesteld. Het bedrag kan voor verschillende categorieën van leden verschillend zijn."

De Algemene contributieverordening 2007 (Stcrt. 2006, nr. 252, hierna: Algemene contributieverordening) bepaalde, ten tijde en voor zover hier van belang:

"Artikel 2

1. De Orde kent voor wat de contributie betreft de volgende groepen van leden:

H. openbaar accountants;

M. intern accountants en overheidsaccountants;

L. accountants in business;

G. leden die niet actief bij het arbeidsproces betrokken zijn.

2. Het bedrag van de voor elke groep van leden, bedoeld in het eerste lid, geldende contributie wordt jaarlijks door de ledenvergadering van de orde op voorstel van het bestuur bij verordening vastgesteld.

Artikel 3

De in artikel 2, eerste lid, gebruikte termen openbaar accountants, intern accountants, overheidsaccountants en accountants in business worden verstaan overeenkomstig de in de Verordening gedragscode (VGC) opgenomen definities.

(…)

Artikel 5

1. Het bestuur stelt op 1 september en op 1 maart van elk boekjaar vast tot welke contributiegroep als bedoeld in artikel 2, eerste lid, een lid behoort. Hierbij is bepalend de laatste door het lid zelf aan het bestuur schriftelijk gedane opgave van zijn beroep of functie of de laatste door het lid zelf elektronisch aangebrachte mutatie in de ledenadministratie.

(…)

4. Op leden zelf rust de verplichting wijzigingen van beroep of functie voor de datum van ingang schriftelijk aan het bestuur te melden of zelf elektronisch in de ledenadministratie aan te brengen.

5. Indien bij de vaststelling van de geldende contributiegroep per 1 maart blijkt dat sedert 1 september daaraan voorafgaande een wijziging in het beroep of de functie van een lid heeft plaatsgevonden, die, rekening houdend met het bepaalde in het tweede lid, een indeling in een andere contributiegroep meebrengt, wordt de door dat lid verschuldigde contributie over de tweede helft van het boekjaar naar tijdsevenredigheid opnieuw vastgesteld. Voor zoveel nodig wordt restitutie verleend van reeds betaalde contributie, mits de beroeps- of functiewijziging door het betrokken lid vóór 1 maart schriftelijk aan het bestuur is gemeld, of zelf elektronisch in de ledenadministratie is aangebracht.

(…)

Artikel 11

Het bestuur is bevoegd in bijzondere gevallen te zijner beoordeling gehele of gedeeltelijke ontheffing van contributiebetaling te verlenen dan wel reeds betaalde contributie geheel of gedeeltelijk te restitueren."

De toelichting bij de Algemene contributieverordening (zoals gepubliceerd op de website van het NIVRA) vermeldt, voor zover hier van belang:

"Artikel 5

(…)

Leden zijn zelf verantwoordelijk voor de opgave van hun beroep of functie en voor wijzigingen daarvan en alleen leden zelf kunnen een opgave of wijziging doorgeven. Dit is ook het geval als de contributie van het betrokken lid door zijn accountantspraktijk of zijn werkgever wordt betaald. (…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Tot 1 juli 2008 was appellant werkzaam als openbaar accountant bij C (hierna: C).

- Bij brief van 7 augustus 2008 heeft verweerder appellant een in te vullen contributieverklaring gestuurd naar aanleiding van een melding van C dat appellant niet meer in dienst is bij C.

- Op 1 september 2008 heeft verweerder appellant een contributienota voor 2008/2009 gestuurd op basis van indeling in contributiegroep H, waartoe de openbaar accountants behoren.

- Op 5 september 2008 heeft verweerder de door appellant ingevulde contributieverklaring ontvangen. Daarbij heeft appellant onder meer verklaard geen bezoldigde activiteiten te verrichten en de wens te kennen gegeven te worden ingedeeld in contributiegroep G, waartoe de leden behoren die niet actief bij het arbeidsproces zijn betrokken. Als ingangsdatum van zijn "functiewijziging" heeft appellant vermeld 1 juli 2008.

- Op 20 oktober 2008 heeft verweerder appellant een creditfactuur voor de contributienota voor 2008/2009 gestuurd. Uit de factuur is duidelijk dat appellant tot 1 maart 2009 ingedeeld blijft in contributiegroep H en vanaf 1 maart 2009 is ingedeeld in contributiegroep G.

- Tegen het in de creditfactuur besloten liggende besluit heeft appellant op 12 november 2008 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant ongegrond verklaard, omdat appellant volgens de op de peildatum van 1 september 2008 bij verweerder bekende gegevens werkzaam was als openbaar accountant. Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Algemene contributieverordening stelt verweerder op 1 september en op 1 maart van elk boekjaar vast tot welke contributiegroep een lid behoort, waarbij de laatste door het lid zelf aan het bestuur gedane opgave van zijn beroep of functie bepalend is. Daarnaast wijst verweerder op artikel 5, vijfde lid, van de Algemene contributieverordening dat bepaalt dat, indien bij de vaststelling van de geldende contributiegroep per 1 maart blijkt dat sedert 1 september daaraan voorafgaande een wijziging in het beroep of de functie van een lid heeft plaatsgevonden, die, rekening houdend met het bepaalde in het tweede lid, een indeling in een andere contributiegroep meebrengt, de door dat lid verschuldigde contributie over de tweede helft van het boekjaar naar tijdsevenredigheid opnieuw wordt vastgesteld. Voorts merkt verweerder op dat de Algemene contributieverordening niet de mogelijkheid heeft om van bovenstaande bepalingen af te wijken. Verweerder heeft pas op 5 september 2008 een contributieverklaring ontvangen waarin appellant heeft aangegeven dat hij vanaf 1 juli 2008 niet meer actief bij het arbeidsproces betrokken is. Daarom stelt verweerder dat de contributie terecht per 1 maart 2009 is aangepast.

In het verweerschrift heeft verweerder daaraan toegevoegd dat de Algemene contributieverordening een wettelijk voorschrift is waarin geen hardheidsclausule is opgenomen, zodat het bestuur van het NIVRA niet beschikt over de mogelijkheid om van het bepaalde in artikel 5 van de Algemene contributieverordening af te wijken.

Ter zitting is door de gemachtigde van verweerder opgemerkt dat artikel 11 van de Algemene contributieverordening het bestuur de bevoegdheid geeft in bijzondere gevallen te zijner beoordeling gehele of gedeeltelijke ontheffing van contributiebetaling te verlenen, dan wel reeds betaalde contributie geheel of gedeeltelijk te restitueren. Volgens de gemachtigde is de bedoeling en ook de praktijk dat het bestuur, indien er bezwaar wordt gemaakt, nagaat of er aanleiding is om ontheffing te verlenen. De belangen van het NIVRA bij een goede uitvoering van de regelgeving en het voorkomen van precedenten aangaande de contributiebetaling, staan in dit geval een verlening van een ontheffing van de contributiebetaling in de weg.

4. Het standpunt van appellant

Appellant voert aan, samengevat weergegeven, dat verweerder wel degelijk wist dat hij op de peildatum van 1 september 2008 niet meer bij C werkzaam was. Volgens appellant blijkt dit uit de op 7 augustus 2008 door verweerder aan appellant gezonden (blanco) contributieverklaring.

Voorts voert appellant aan dat er voor het terugzenden van de ingevulde contributieverklaring een reactietermijn van minimaal een maand tot maximaal zes weken zou dienen te gelden. Appellant heeft, kort na terugkomst van vakantie eind augustus, de contributieverklaring aan verweerder gezonden. Hij stelt dat hij binnen redelijke termijn gevolg heeft gegeven aan het verzoek om inzending van de contributieverklaring.

Verder stelt appellant dat er voor hem geen aanleiding was om in detail kennis te nemen van de Algemene contributieverordening, aangezien de contributie de afgelopen jaren uitsluitend door zijn werkgever is betaald. Appellant doet een beroep op een hardheidsclausule, gezien zijn leeftijd, het financiële belang, alsmede het gegeven dat zijn contributie de afgelopen dertig jaar door zijn werkgever is betaald.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Aan de orde is de vraag of verweerder de bezwaren van appellant gericht tegen de creditfactuur voor de contributie voor 2008/2009, terecht en op goede gronden ongegrond heeft verklaard. Het College beantwoordt die vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

5.2 Op grond van artikel 5, eerste lid, van de Algemene contributieverordening stelt het bestuur op 1 september en op 1 maart van elk boekjaar vast tot welke contributiegroep een lid behoort. Hierbij is bepalend de laatste door het lid zelf aan het bestuur schriftelijk gedane opgave van zijn beroep of functie of de laatste door het lid zelf elektronisch aangebrachte mutatie in de ledenadministratie. Vaststaat dat verweerder de door appellant ingevulde contributieverklaring waarbij appellant te kennen heeft gegeven zijn indeling in contributiegroep te willen wijzigen, op 5 september 2008 heeft ontvangen en dat appellant tot dat moment was ingedeeld in contributiegroep H.

5.3 Ingevolge artikel 5, vierde lid, van de Algemene contributieverordening rust op leden zelf de verplichting wijzigingen van beroep of functie voor de datum van ingang schriftelijk aan het bestuur te melden of zelf elektronisch in de ledenadministratie aan te brengen. In de toelichting op dit artikel is vermeld dat deze verplichting ook geldt als de contributie van het betrokken lid door zijn accountantspraktijk of zijn werkgever wordt betaald. Het College stelt vast, onder verwijzing naar zijn uitspraak van 21 oktober 2008 (AWB 08/22, < www.rechtspraak.nl >, LJN BG1619), dat uit artikel 5 van de Algemene contributieverordening volgt dat de verantwoordelijkheid voor een tijdige, voor een wijziging van de indeling in een contributiegroep relevante, melding bij appellant zelf berust. Gelet hierop is het College van oordeel dat het betoog van appellant dat er voor hem geen aanleiding was om in detail kennis te nemen van de Algemene contributieverordening, aangezien de contributie de afgelopen jaren uitsluitend door zijn werkgever is betaald, niet slaagt.

5.4 Dat verweerder door een melding van C wist dat appellant vanaf 1 juli 2008 niet meer voor C werkzaam was, doet aan het voorgaande niets af. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de melding van C dat appellant daar niet langer in dienst was niet in de plaats kan komen van de vereiste tijdige melding van een wijziging door appellant. Hierbij is onder andere van belang dat die melding er slechts toe strekte dat C niet langer de contributie van appellant zou voldoen en daaruit niet kon worden afgeleid dat appellant niet langer behoorde te worden ingedeeld in de contributiegroep van openbare accountants. De stelling van appellant dat hij binnen een redelijke termijn gevolg heeft gegeven aan het verzoek om inzending van de contributieverklaring – wat daar van zij – maakt dat niet anders, nu de verantwoordelijkheid voor een tijdige, voor een wijziging van de indeling in een contributiegroep relevante, melding bij appellant berust.

5.5 Ten aanzien van het beroep van appellant op de hardheidsclausule overweegt het College als volgt. Het College stelt vast dat verweerder in het bestreden besluit en in het verweerschrift heeft aangegeven niet over de mogelijkheid te beschikken om van het bepaalde in artikel 5 van de Algemene contributieverordening af te wijken, terwijl verweerder ter zitting te kennen heeft gegeven op basis van artikel 11 van de Algemene contributieverordening wel over die mogelijkheid te beschikken. Het College overweegt dat het in het bezwaarschrift van 12 november 2008 gedane verzoek van appellant om toepassing te geven aan de hardheidsclausule door het NIVRA – mede in aanmerking genomen hetgeen ter zitting van de kant van verweerder ter zake is gesteld – had moeten worden opgevat als een verzoek om ontheffing als bedoeld in artikel 11 van de Algemene contributieverordening. Het College stelt vast dat verweerder niet is nagegaan of er grond is om een ontheffing van de contributiebetaling te verlenen, zodat het bestreden besluit niet in stand kan blijven wegens strijd met het in artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel.

5.6 Vervolgens ziet het College zich voor de vraag gesteld of er aanleiding bestaat om op grond van artikel 8:72, derde lid, Awb de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten. Het College beantwoordt die vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt. Ter zitting heeft verweerder gewezen op het belang van een goede uitvoering van de regelgeving en het voorkomen van precedentwerking, ook waar het de contributiebetaling betreft en daarbij gesteld dat hij, indien hij thans zou moeten beslissen op het verzoek om ontheffing, dat verzoek zou afwijzen. Appellant heeft aan de andere kant gewezen op de omstandigheden dat zijn werkgever dertig jaar zijn contributie heeft betaald, dat hij wegens vakantie niet tijdig heeft gereageerd en dat verweerder gezien zijn leeftijd had moeten begrijpen dat de beëindiging van zijn werk bij C tevens betekent dat hij niet meer werkzaam is als openbaar accountant. Het College is van oordeel dat de omstandigheden die appellant naar voren heeft gebracht niet van dien aard zijn dat verweerder, gelet op hetgeen van diens zijde naar voren is gebracht, niet in redelijkheid tot het weigeren van ontheffing zou kunnen besluiten.

5.7 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep van appellant gegrond is en dat het bestreden besluit wegens strijd met artikel 3:2 Awb dient te worden vernietigd, maar dat de rechtsgevolgen van het besluit in stand blijven. Voor een proceskostenveroordeling ziet het College geen aanleiding. Wel zal verweerder worden gelast het door appellant betaalde griffierecht te vergoeden.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep van appellant gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van dit besluit in stand blijven;

- gelast dat verweerder aan appellant het door hem betaalde griffierecht ad € 145,-(zegge: hondervijfenveertig euro)

vergoedt.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. F.E. Mulder als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 maart 2011.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. F.E. Mulder