Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BP7228

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
02-03-2011
Datum publicatie
09-03-2011
Zaaknummer
AWB 10/39
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de kansspelen

Vergunning speelautomatenhal

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/39 2 maart 2011

29020 Wet op de kansspelen

Vergunning speelautomatenhal

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B appellante,

gemachtigde: mr. F.J.M. Kobossen, advocaat te Apeldoorn,

tegen

de burgemeester van B verweerder,

gemachtigde: C, werkzaam bij de gemeente B,

waaraan voorts als partij deelneemt:

D, h.o.d.n. E, vergunninghouder (hierna ook: E)

gemachtigde: mr. H.B.J. Huiskes, advocaat te Deventer.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 22 december 2008 heeft verweerder aan E vergunning verleend voor de exploitatie van een speelautomatenhal en de aanwezigheid van 35 speelautomaten op het adres F te B.

Bij besluit van 21 september 2009 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 30 oktober 2009, bij de rechtbank Zutphen binnengekomen op 2 november 2009 en, na doorzending, bij het College binnengekomen op 11 januari 2010, beroep ingesteld. Appellante heeft nadien de gronden van haar beroep aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en desgevraagd een nader stuk overgelegd.

E heeft bij brief van 4 januari 2011 gereageerd op het beroep.

Op 26 januari 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante niet is verschenen en verweerder is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. D is in persoon verschenen.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder, onder verwijzing naar het advies van de bezwarencommissie en naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 13 mei 2009, (www.rechtspraak.nl, LJN: BI3688), het bezwaar van appellante niet-ontvankelijk verklaard. Hiertoe is overwogen dat de activiteiten van appellante zijn gericht op groot- en kleinhandel in en het exploiteren, ontwerpen, vervaardigen, repareren, distribueren, verhuren en beheren van automaten en kermisattracties. Deze werkzaamheden zien op een ander marktsegment dan het onderhavige waarin sprake is van het exploiteren van een casino en/of speelautomatenhal. Op basis van haar activiteiten is appellante derhalve niet aan te merken als een belanghebbende bij het onderhavige besluit.

Dat appellante tracht om in haar bedrijfsruimte een speelautomatenhal gevestigd te krijgen, maakt haar evenmin belanghebbende bij het besluit, aangezien de voor dat plan noodzakelijke vrijstelling van het bestemmingsplan bij het inmiddels onherroepelijke besluit van 25 maart 2004 is geweigerd. Verweerder is derhalve van mening dat appellante niet op basis van een concurrentiebelang, noch vanwege andere omstandigheden is aan te merken als belanghebbende bij de aan E verleende vergunning.

2.2 Appellante voert, samengevat weergegeven, aan dat zij belanghebbende is bij de verleende vergunning, omdat de situering van de speelautomatenhal haar rechtstreeks in haar belangen raakt. Dit niet slechts vanwege haar activiteiten, zoals beschreven in de doeleindenomschrijving in het handelsregister, maar ook vanwege het feit dat zij gegadigde is om een eigen speelautomatenhal te exploiteren en verweerder hiermee bekend is. Zij heeft belang bij de mogelijkheden om de exploitatie regionaal veilig te stellen en is nog steeds in discussie met verweerder over een eigen locatie en de verkrijging van een vergunning voor een speelautomatenhal. Het vergeven van een vergunning voor een speelautomatenhal aan E betekent direct een beperking van de mogelijkheden van appellante om een dergelijke vergunning te verkrijgen. Appellante heeft benadrukt dat er nog een civiele procedure loopt met als inzet de aan appellante te verlenen of over te dragen vergunning.

2.3.1 Het College overweegt dat volgens vaste jurisprudentie ondernemers of ondernemingen als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) bij een besluit als hier in geding zijn aan te merken als zij in een concurrerende positie op dezelfde markt opereren of willen gaan opereren als de begunstigde van het besluit. Hierbij is van belang of de betrokken ondernemer op hetzelfde marktsegment werkzaam is, en in hetzelfde verzorgingsgebied als vergunninghouder, dan wel of hij hiertoe concrete plannen heeft.

2.3.2 Ook naar het oordeel van het College had appellante, mede gelet op haar statutaire doelstelling, ten tijde van het bezwaar andere activiteiten dan het exploiteren van een speelautomatenhal en was zij niet actief in B. Niet gesteld kan derhalve worden dat zij ten tijde van het bezwaar actief was op hetzelfde marktsegment en in hetzelfde verzorgingsgebied als vergunninghouder. Van een concreet plan hiertoe is het College evenmin gebleken. Dat appellante in het verleden heeft geprobeerd een speelautomatenhal te vestigen op het perceel G te B en naar eigen zeggen nog steeds in gesprek is met verweerder over haar eigen wens tot realisatie van een speelautomatenhal is hiervoor onvoldoende. Bij het inmiddels in rechte onaantastbaar geworden besluit van 25 maart 2004 is geweigerd daarvoor aan haar de benodigde vrijstelling te verlenen. Dat een civiele procedure aanhangig zou zijn tussen een derde en verweerder omtrent een exploitatievergunning leidt het College evenmin tot een andere conclusie, en is overigens ter zitting door verweerder ontkend. Onder deze omstandigheden kan appellante niet op basis van een concurrentiebelang noch anderszins worden aangemerkt als belanghebbende bij de aan E verleende vergunning en is haar bezwaar terecht niet-ontvankelijk verklaard.

2.4 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 Awb ziet het College geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. R.C. Stam, mr. C.J. Waterbolk en mr. H.S.J. Albers, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2011.

w.g. R.C. Stam w.g. C.M. Leliveld