Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BP6987

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
03-03-2011
Datum publicatie
08-03-2011
Zaaknummer
AWB 09/416
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Accountantstuchtrecht. Niet gebleken dat betrokkene, in het kader van een professionele beroepsuitoefening en rekening houdend met gerechtvaardigde belangen van klaagster, gehouden was om de verantwoording op een eerdere datum aan klaagster te verstrekken dan hij gedaan heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/416 3 maart 2011

20110 Wet op de Accountants-Administratieconsulenten

Raad van tucht Amsterdam

Uitspraak in de zaak van:

A AA, te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 20 januari 2009.

1. De procedure

Bij brief, verzonden op 20 januari 2009, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, bij brief van 26 juni 2008 door C (hierna: klaagster) ingediend tegen appellant.

Bij een op 20 maart 2009 ontvangen beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 6 april 2009 de stukken als bedoeld in artikel 69 van de Wet op de Accountants-Administratieconsulenten (hierna: Wet AA), zoals deze wet luidde tot 1 mei 2009, doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 20 mei 2009 heeft klaagster een reactie op het beroepschrift gegeven.

Op 20 januari 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Daarbij is appellant in persoon verschenen. Klaagster heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. H.R. Eekhof, advocaat te Utrecht.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht gegrond verklaard en afgezien van het opleggen van een maatregel.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 De klacht ziet op de termijn waarbinnen de verantwoording van het vruchtgebruikinkomen over 2007 door appellant aan klaagster, aan wie het vruchtgebruik toekomt, (dan wel haar gemachtigde of haar belastingadviseur) ter beschikking is gesteld.

Klaagster is van mening dat appellant met de aanlevering van de verantwoording op 27 juni 2008 nalatig is geweest en dat sprake is van een inbreuk op de eer van de stand van de Accountants-Adminstratieconsulenten (door de raad van tucht opgevat als een beroep op het vereiste van professionaliteit in de zin van artikel A-150.1 van de sinds 1 januari 2007 van toepassing zijnde Verordening gedragscode voor Accountants-Administratieconsulenten, hierna: VGC).

Ter zitting van de raad van tucht is namens klaagster verklaard dat het haar niet zozeer gaat om het verband met de belastingaangifte, maar om de - jaarlijks terugkerende - trage gang van zaken. Daarbij is aangevoerd dat namens klaagster reeds in februari 2008 is aangedrongen op een tijdige aanlevering van de gegevens over 2007 en dat het desondanks tot eind juni 2008 heeft geduurd totdat zij de verantwoording ontving.

Appellant heeft aangevoerd dat voor de door hem te verrichten werkzaamheden in hoofdzaak de relatie tussen hem en zijn opdrachtgever (de bewindvoerder van het vermogen van de overleden W.A. Rasch) bepalend is en er geen afspraken zijn tussen klaagster en de bewindvoerder over het moment van beschikbaar komen van de betreffende informatie. Bovendien zijn, anders dan klaagster stelt, de waarde van het vruchtgebruikvermogen of de daaruit voortgekomen beleggingsopbrengsten niet relevant voor de belastingaangifte. Slechts het uit het vruchtgebruik genoten inkomen is van belang voor de belastingaangifte. Aangezien sedert medio 2006 geen vruchtgebruiktermijnen zijn uitgekeerd, was er in 2007 geen vruchtgebruikinkomen om in de belastingaangifte op te nemen en aldus geen aanleiding om de gegevens voor 1 april te verstrekken ten behoeve van het doen van aangifte. Niettemin heeft appellant bij e-mail van 1 april 2008 aan klaagster gegevens betreffende de waarde van het vruchtgebruikvermogen, alsmede informatie over de mogelijkheid om uitstel te vragen voor het doen van aangifte aan de gemachtigde van klaagster (haar schoonzoon) toegezonden en nadien een voor de aangifte niet relevant verslag van ontvangsten en uitgaven verstrekt. Appellant is van mening dat klaagster, gelet op het voorgaande, niet in haar belangen is geschaad. Volgens appellant heeft de raad van tucht onvoldoende rekening gehouden met het feit dat klaagster reeds over alle benodigde gegevens kon beschikken en is de klacht ten onrechte gegrond verklaard.

3.2 Uit de gedingstukken blijkt dat namens klaagster aan appellant het verzoek is gedaan om de verantwoording van de inkomsten uit het vruchtgebruik en de waarde en verloop van het effectendepot over 2007 in februari 2008 aan haar toe te zenden. Bij e-mail van 20 februari 2008 heeft appellant aan klaagster doen weten dat het hem niet zou lukken om bedoelde gegevens in februari gereed te hebben, onder meer omdat hij nog gegevens van de bewindvoerder moest ontvangen. Daarbij heeft appellant aangegeven dat hij zich zou inspannen om te trachten de gegevens gereed te hebben voor 1 april, met het oog op de aangifte inkomstenbelasting.

Vervolgens is namens klaagster op 1 april 2008 aan appellant verzocht om de verantwoording binnen één week toe te zenden, waarbij appellant aansprakelijk is gesteld voor eventuele schade tengevolge van het niet tijdig kunnen indienen van een complete fiscale aangifte 2007. Bij e-mail van eveneens 1 april 2008 heeft appellant klaagster voorzien van gegevens die volgens appellant van belang konden zijn voor de belastingaangifte en tevens aangegeven dat hij zou trachten de verantwoording over 2007 op zo kort mogelijke termijn gereed te hebben.

3.4 Het College overweegt dat ter zitting is komen vast te staan dat de door de bewindvoerder aan appellant verstrekte opdracht inhield dat deze de verantwoording over het vruchtgebruikvermogen over een bepaald jaar, (steeds) in de loop van het daaropvolgende kalenderjaar zou opstellen, alsmede dat appellant een afschrift van de verantwoording aan klaagster (of haar belastingadviseur) zou toezenden. Gesteld noch gebleken dat de opdracht mede inhield dat bedoelde verantwoording vóór een bepaalde datum zou worden opgesteld en toegezonden. Evenmin is gebleken dat klaagster afzonderlijk met appellant is overeengekomen dat deze de verantwoording over 2007 voor een bepaalde datum zou verstrekken. Anders dan klaagster leest het College in de overgelegde e-mailcorrespondentie geen toezegging van appellant dat hij de verantwoording over 2007 voor een bepaalde datum aan klaagster ter beschikking zou stellen. Ook overigens kan naar het oordeel van het College niet worden volgehouden dat appellant, in het kader van een professionele beroepsuitoefening en rekening houdend met gerechtvaardigde belangen van klaagster, was gehouden om de verantwoording op een eerdere datum aan klaagster te verstrekken dan hij gedaan heeft. De gemachtigde van klaagster heeft ter zitting van het College overigens desgevraagd niet duidelijk kunnen maken welk specifiek belang klaagster had bij eerdere aanlevering van de nadere gegevens, zoals opgenomen in de op 27 juni 2008 aan klaagster toegezonden verantwoording over 2007.

3.5 Gelet op het vorenstaande ziet het College geen grond voor het oordeel dat appellant het in A-150.1 VGC neergelegde beginsel van professioneel gedrag of enige andere van toepassing zijnde norm heeft geschonden. Het beroep van appellant is derhalve gegrond en de bestreden tuchtbeslissing dient te worden vernietigd. Het College ziet aanleiding de zaak zelf af te doen. Gezien hetgeen hiervoor is overwogen zal het College de klacht alsnog ongegrond verklaren.

3.6 Na te melden beslissing op het beroep berust op Titel IV van de Wet AA, zoals deze luidde tot 1 mei 2009.

4. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de aangevallen beslissing van de raad van tucht;

- verklaart de klacht ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, mr. M. van Duuren en mr. M.M. Smorenburg in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 3 maart 2011.

w.g. J.L.W. Aerts de griffier bevindt zich in de onmogelijkheid

de uitspraak te ondertekenen