Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BP6049

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-02-2011
Datum publicatie
28-02-2011
Zaaknummer
AWB 09/727
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Tijdelijke energieregeling markt en innovatie

Bestaande woning

Opgeleverd en in gebruik genomen vóór 1 januari 2008

Ook gelet op doelgroep v/d Regeling geen aanspraak op subsidie

Wettelijke voorschriften:

artikel 2.1 Tijdelijke energieregeling markt en innovatie

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/727 10 februari 2011

27308 Kaderwet EZ-subsidies

Subsidieregeling duurzame warmte voor bestaande woningen

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigden: mr. H. Vissinga en mr. C. Cromheecke, werkzaam bij Agentschap NL (voorheen: SenterNovem).

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 5 mei 2009, bij het College binnengekomen op 7 mei 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 1 april 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar van appellant tegen een besluit van 26 februari 2009, waarbij de aanvraag van appellant om subsidie op grond van de Tijdelijke energieregeling markt en innovatie onder verwijzing naar artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) buiten behandeling is gelaten.

Bij brief van 17 juni 2009 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Op 25 januari 2011 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Verweerder werd vertegenwoordigd door voornoemde gemachtigden. Appellant is niet verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Tijdelijke energieregeling markt en innovatie (Stcrt. 2008, nr. 173, p. 2, hierna: Regeling) luidde, ten tijde en voor zover hier van belang, als volgt:

“Hoofdstuk 1. Algemene bepalingen

(…)

§ 7. Afwijzingsgronden

Artikel 1.17

De Minister beslist afwijzend op een aanvraag om subsidie indien de aanvraag niet voldoet aan de bij deze regeling gestelde regels.

(…)

Hoofdstuk 2. Duurzame warmte voor bestaande woningen

Artikel 2.1

1. In dit hoofdstuk wordt verstaan onder:

- bestaande woning: een ruimte met een woonfuctie, die is opgeleverd en in gebruik genomen voor 1 januari 2008;

- duurzame warmtemaatregel: het aanschaffen, installeren en in gebruik nemen van een of meer nieuwe dan wel niet eerder gebruikte in bijlage 3 bij deze regeling genoemde technische voorzieningen in een bestaande woning;

(…)

Artikel 2.2

1. De Minister verstrekt op aanvraag een subsidie voor een duurzame warmtemaatregel aan:

a. een eigenaar-bewoner van een bestaande woning, (…).”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op een daartoe bestemd aanvraagformulier, gedateerd 17 november 2008, heeft appellant een aanvraag gedaan om subsidie op grond van de Regeling.

- Bij brief van 27 januari 2009 heeft verweerder verzocht om nadere gegevens over deze subsidieaanvraag en aangegeven dat deze gegevens uiterlijk 10 februari 2009 bij hem binnen dienden te zijn.

- Bij besluit van 26 februari 2009 heeft verweerder de aanvraag van appellant niet in behandeling genomen, omdat de gevraagde gegevens niet voor de genoemde datum zijn ontvangen.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 2 maart 2009 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

In het bestreden besluit heeft verweerder allereerst overwogen dat de door appellant ingediende aanvraag ten onrechte niet in behandeling is genomen. Verweerder heeft de aanvraag in bezwaar dan ook alsnog inhoudelijk behandeld.

Voorts heeft verweerder het volgende overwogen. Zoals ook bij de toelichting op de relevante regelgeving is aangegeven wordt in de Regeling onder een bestaande woning verstaan een ruimte met een woonfunctie die is opgeleverd en in gebruik is genomen voor 1 januari 2008. Nu de woning van appellant is gebouwd in 2009 wordt hieraan niet voldaan. Dat het gaat om een nieuwe woning die op dezelfde plek is gebouwd als zijn oude woning doet aan het voorgaande niet af. Ook de opmerking van appellant dat het rendement van de installatie in zijn nieuwe woning hoger is dan dat het in zijn oude woning zou zij kan er niet toe leiden dat hij afwijkt van hetgeen in de Regeling is bepaald.

Verweerder is dan ook niet overgegaan tot subsidieverlening op grond van de Regeling voor de door appellant aangeschafte warmtepomp.

4. Het standpunt van appellant

Appellant voert aan dat hij zijn oude huis, dat is gebouwd in 1963, in 1989 heeft gekocht. In dat oude huis heeft hij geen warmtepomp geplaatst, omdat het huis in een slechte staat verkeerde waardoor de warmte dat huis snel zou verlaten. Hierdoor zou de plaatsing van een warmtepomp naar de mening van appellant zijn doel voorbij schieten. In 2007 heeft appellant besloten het oude huis te slopen en op dezelfde plek te herbouwen, zodat er een woning zou komen met een warmtevoorziening die rendabel is en gunstig is voor het milieu. Appellant vindt het onbegrijpelijk en misplaatst dat hij wel voor subsidie in aanmerking zou zijn gekomen als hij de warmtepomp in zijn oude huis had laten plaatsen, maar niet nu hij een goed geïsoleerde herbouwwoning heeft. Daartoe voert hij het volgende aan. Het rendement van de installatie in de herbouwwoning is vele malen hoger dan in de oude woning en daarmee dus ook duurzaam. Daarnaast is herbouw van een woning wat anders dan een “doorsnee” nieuwbouwwoning. Nieuwbouw vindt plaats op een plek waar voorheen geen woonhuis stond. Het doel van de Regeling is het stimuleren van duurzame warmte en dat betekent warmteafgifte met een hoog rendement en niet met een laag rendement.

Appellant is van mening dat het een uitzonderlijke situatie betreft die volgens hem gerespecteerd en gehonoreerd dient te worden.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 De vraag die partijen verdeeld houdt is of verweerder de aanvraag van appellant om subsidie op grond van de Regeling terecht heeft afgewezen omdat zijn woning niet is opgeleverd en in gebruik is genomen vóór 1 januari 2008.

5.2 Uit de tekst van artikel 2.1, eerste lid, Regeling, gelezen in samenhang met artikel 2.2, eerste lid, onder a, Regeling, volgt dat slechts subsidie wordt verstrekt voor maatregelen aan een bestaande woning, dat wil zeggen een woning die is opgeleverd en in gebruik genomen vóór 1 januari 2008. Het College stelt vast dat niet in geschil is dat de woning van appellant na deze datum is opgeleverd en in gebruik is genomen, namelijk omstreeks mei 2009. Dat naar de mening van appellante geen sprake is van nieuwbouw, maar van herbouw van de oude (gesloopte) woning, doet aan deze feitelijke vaststelling niet af.

Uit de Nota van Toelichting bij de Regeling blijkt dat de doelgroep voor subsidie op grond van Hoofdstuk 2 (Duurzame warmte voor bestaande woningen) van de Regeling bewust is beperkt tot eigenaar-bewoners van een bestaande woning, opgeleverd en in gebruik genomen voor 1 januari 2008, omdat vooral in bestaande woningen nog weinig duurzame energie wordt toegepast terwijl er wel veel mogelijk is. Ter zitting heeft verweerder in aanvulling daarop opgemerkt dat voor nieuwbouwwoningen geen stimulerende maatregelen op het gebied van energiebesparing nodig zijn, omdat aan dergelijke woningen bij de bouw al strenge energiebesparingseisen worden gesteld.

5.3 Verweerder is op grond van artikel 1.17 Regeling verplicht de subsidieaanvraag af te wijzen als deze niet voldoet aan de bij de Regeling gestelde regels. De Regeling kent voorts geen mogelijkheid ten gunste van aanvragers van artikel 2.1, eerste lid, Regeling en artikel 2.2, eerste lid, onder a, Regeling af te wijken. Dat appellant uit een oogpunt van energiebesparing ervoor heeft gekozen zijn oude woning te slopen en deze te herbouwen, kan er dan ook niet toe leiden dat in afwijking van de tekst van de Regeling de gevraagde subsidie zou moeten worden toegekend.

5.4 Het voorgaande leidt tot het oordeel dat verweerder de aanvraag van appellant om subsidie op grond van de Regeling terecht heeft afgewezen. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

5.5 Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. B. Verwayen, mr. W.A.J. van Lierop en mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 februari 2011.

w.g. B. Verwayen w.g. P.H. Broier