Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BP5143

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-01-2011
Datum publicatie
21-02-2011
Zaaknummer
AWB 09/93
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de inkomstenbelasting 1964

Verklaring energie-investeringsaftrek afvalopwerkingsinstallatie

Output installatie moet energiebesparing opleveren

Exacte samenstelling input installatie onduidelijk

Input is geen biomassa in de zin van Energielijst 2006

Langcyclische koolstofverbindingen niet onvermijdelijk aanwezig

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/93 27 januari 2011

27600 Wet op de inkomstenbelasting 1964

Uitspraak in de zaak van:

Assinkbos Beheer B.V., te Haaksbergen, appellante,

gemachtigde: ir. P.J. Reumerman, werkzaam bij Biomass Technology Group (BTG),

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigden: mr. J. van Essen en mr. C. Cromheecke, beiden werkzaam bij Agentschap NL (voorheen: SenterNovem).

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 13 januari 2009, bij het College binnengekomen op 14 januari 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 4 december 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen een besluit van 30 juli 2008 tot afwijzing van haar aanvraag voor een verklaring energie-investeringsaftrek (hierna: EIA-verklaring) op grond van artikel 3.42 van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wib).

Bij brief van 18 februari 2009 heeft verweerder op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Op 16 december 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Appellante en verweerder werden door hun gemachtigden vertegenwoordigd. Van de zijde van appellante is voorts verschenen A.H.L. Temmink, adjunct-directeur van appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wib luidde, ten tijde en voor zover hier van belang, als volgt:

“Artikel 3.42 Energie-investeringsaftrek

1. Indien in een kalenderjaar in een onderneming die de ondernemer voor eigen rekening drijft, wordt geïnvesteerd in niet eerder gebruikte bedrijfsmiddelen met betrekking waartoe op een door de ondernemer gedaan verzoek door Onze Minister van Economische Zaken is verklaard dat sprake is van energie-investeringen, en de ondernemer daarvoor bij de aangifte kiest, wordt een in het derde lid aangewezen percentage van het bedrag aan energie-investeringen ten laste gebracht van de winst over dat jaar (energie-investeringsaftrek).

2. Energie-investeringen zijn investeringen die door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Economische Zaken en na overleg met Onze Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer bij ministeriële regeling zijn aangewezen als investeringen die in het belang zijn van een doelmatig gebruik van energie.”

De Uitvoeringsregeling energie-investeringsaftrek 2001 (Stcrt. 22 december 2000, nr. 249, hierna: Uitvoeringsregeling) luidde, ten tijde en voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 2

1. Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangewezen: de investeringen in bedrijfsmiddelen of in onderdelen daarvan, opgenomen in bijlage I van deze regeling, mits:

a. het bedrijfsmiddel of het onderdeel in overeenstemming is met de bestemming voor zover aangegeven in die bijlage, niet eerder is gebruikt en bestaat uit de in die bijlage genoemde bestanddelen;”

Bijlage I van de Uitvoeringsregeling (hierna: Energielijst 2006) luidde, ten tijde en voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 1

Als energie-investeringen als bedoeld in artikel 3.42, tweede lid, van de wet worden aangemerkt:

(…)

E. Investeringen ten behoeve van het aanwenden of toepassen van duurzame energie

Technische voorzieningen die er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door gebruik te maken van duurzame energie door:

(…)

5. Biomassa door:

5.1.A. Conversie naar mechanische of elektrische energie, warmte, of gasvormige, vloeibare of vaste energiedragers en waarbij sprake moet zijn van een netto opbrengst van energie, gerekend over de totale keten van voorbehandeling tot en met eindproduct.

Onder biomassa wordt hier verstaan:

materiaal dat voor wat betreft de massa van de brandbare componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclusonvermijdelijk in het materiaal aanwezig moeten zijn. Hierbij mag geen sprake zijn van bijstook van kunststoffen of bijmenging van kunststoffen.

Bijvoorbeeld de volgende materiaalstromen:

- houtafval, sloophout, snoeihout, dunningshout en andere houtachtige stromen;

- stro, bermmaaisel, riet, kippenmest en overige agrarische residuen, exclusief natte drijfmest;

- residuen van de papierindustrie, mits deze geen kunststoffen bevatten;

- oud papier en karton;

- steekvast papierslib of steekvast rioolwaterzuiveringsslib;

- specifiek voor het inzetten van duurzame energie geteelde gewassen of delen daarvan;

- organische residuen uit de voedings- en genotmiddelenindustrie, exclusief ongeboren mest.

Artikel 2

(…)

6. Ten aanzien van de investeringen omschreven onder E moeten deze voorzieningen er toe strekken de inzet van fossiele brandstoffen te beperken door in belangrijke mate (>30%) gebruik te maken van duurzame energie. Onder duurzame energie valt: zonne-energie, windenergie, waterkracht, het benutten of opslaan van omgevingswarmte en biomassa.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op een daartoe bestemd formulier heeft appellante een aanvraag gedaan voor een EIA-verklaring ten behoeve van een investering in een afvalopwerkingsinstallatie.

- Bij besluit van 30 juli 2008 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen, omdat – samengevat – sprake is van het scheiden van afval tot meerdere monostromen. Daarmee voldoet de investering niet aan de eisen van de Energielijst 2006 om in aanmerking te komen voor een EIA-verklaring.

- Tegen dit besluit heeft appellante bij brief van 1 september 2008 bezwaar gemaakt.

- Op 31 oktober 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder overwogen dat de conclusie in de primaire beslissing niet op geheel juiste gronden was gebaseerd. Naar aanleiding van de in de bezwaarprocedure verstrekte informatie heeft verweerder zich nader op het standpunt gesteld dat de input van de 2e sorteerlijn niet aan de definitie van biomassa voldoet. Verweerder merkt in dat verband op dat het in artikel 2, zesde lid, Energielijst 2006 genoemde percentage (30%) ziet op de verdringing van het gebruik van primaire energie c.q. fossiele energiebronnen door gebruik te maken van duurzame energie en niet op de input van een conversie-installatie. Deze input dient, gezien de omschrijving in de Energielijst, te bestaan uit biomassa. Het begrip biomassa wordt in de Energielijst 2006 nader gedefinieerd. Er dient sprake te zijn van materiaal dat wat betreft de massa van brandbare componenten geheel of nagenoeg geheel bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus, waarbij geldt dat de eventueel in het materiaal aanwezige koolstofverbindingen afkomstig uit een lange CO2-cyclus onvermijdelijk in het materiaal aanwezig moeten zijn. Verweerder is van mening dat de input van de 2e sorteerlijn niet aan deze definitie voldoet. In de eerste plaats is de samenstelling van het materiaal niet geheel bekend. Volgens verweerder geeft appellante zelf aan dat er ook resten van metaal, zand en kunststoffen in zitten. Het is daarom niet bekend in hoeverre het materiaal bestaat uit koolstofverbindingen afkomstig uit een korte CO2-cyclus. In de tweede plaats is verweerder van mening dat de aanwezigheid van koolstofverbindingen uit een lange CO2-cyclus (in casu kunststofresten) in de input niet onvermijdelijk is. De input bestaat uit het residu van de 1e sorteerlijn, waarin bedrijfsafval en bouw- en sloopafval wordt gesorteerd. Appellante accepteert voor de 1e sorteerlijn kunststoffen als afval. De aanwezigheid van kunststofresten in het residu van de 1e sorteerlijn is een gevolg van die keuze bij het accepteren van afval en is te vermijden door een andere keuze te maken: ofwel het weren van kunststoffen bij de input voor de 1e sorteerlijn, ofwel het kiezen voor een andere input voor de 2e sorteerlijn dan het residu van de 1e sorteerlijn.

In het verweerschrift heeft verweerder voorts gesteld dat bij onvermijdelijk aanwezige kunststoffen moet worden gedacht aan verf op sloophout, kunststofafvaldeeltjes in bermmaaisel, etc. Bedrijfsafval bestaat echter voor een elementair deel uit kunststoffen. Wanneer een dergelijke materiaalstroom wordt geaccepteerd is geen sprake van onvermijdbare aanwezigheid van langcyclisch materiaal zoals bedoeld in de definitie van biomassa.

4. Het standpunt van appellante

Appellante stelt zich op het standpunt dat uit de bepalingen in de Energielijst 2006, in het bijzonder uit het zesde lid van artikel 2, volgt dat de input van de 2e sorteerlijn slechts voor een belangrijk deel, namelijk meer dan 30%, biomassa dient te zijn. Bovendien is naar de mening van appellante niet onbekend wat de input van de 2e sorteerlijn is, maar is slechts de samenstelling daarvan niet precies bekend. Appellante heeft gegevens overgelegd waarin naar haar mening wordt aangetoond dat het aandeel biomassa in de input van de 1e sorteerlijn gemiddeld 69,3 – 69,7 % is. Tot slot is het geen bewuste keuze om kunststoffen te accepteren voor de 1e en 2e sorteerlijn. De kunststoffen maken onlosmakelijk deel uit van het bedrijfsafval. Appellante doet zoveel mogelijk moeite om kunststoffen te verwijderen uit het afval in de 1e sorteerlijn. Naar de mening van appellante is het begrip “onvermijdelijk” een relatief begrip en dient een afweging plaats te vinden waarbij bedrijfseconomische en praktische overwegingen een rol spelen. In het geval van appellante zou het geheel weren van kunststoffen, en dus ook het bedrijfsafval waar het deel van uitmaakt, neerkomen op het afstoten van een belangrijk deel van de bedrijfsactiviteiten. Evenzo zou de keuze voor een andere input voor de 2e sorteerlijn bedrijfseconomisch niet realistisch zijn. Deze sorteerlijn is bedoeld en opgezet om het residu van de 1e sorteerlijn te verwerken. Er is in de markt geen behoefte aan een installatie die “fluff” produceert uit een input die alleen maar bestaat uit biomassa. Appellante kan dan ook niet met gebruikmaking van normale bedrijfsmatige middelen of door een (praktisch haalbare) andere keuze van inputstromen vermijden dat kunststoffen in de input aanwezig zijn.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College dient de vraag te beantwoorden of verweerder de aanvraag van appellante om een EIA-verklaring voor een investering in een afvalopwerkingsinstallatie terecht heeft afgewezen.

5.2 De afvalopwerkingsinstallatie, waarop bedoelde aanvraag ziet, maakt deel uit van een afvalverwerkingsysteem dat bestaat uit een eerste sorteerlijn en een tweede sorteerlijn. Aan de eerste sorteerlijn wordt sloop- en bedrijfsafval aangeboden. Deze input wordt in de eerste sorteerlijn gescheiden in verschillende deelstromen. De output van deze eerste sorteerlijn, in de vorm van het residu van het scheidingsproces, vormt de input van de tweede sorteerlijn. In deze tweede sorteerlijn – de afvalopwerkingsinstallatie waarvoor de EIA-verklaring is aangevraagd – wordt de output van de eerste sorteerlijn verwerkt tot een materiaal (“fluff”) dat kan worden gebruikt als direct inzetbare brandstof.

5.3 Het College volgt verweerder in diens uitleg van artikel 2, zesde lid, Energielijst 2006. Deze bepaling ziet op de energiebesparing die de aanwending van de output van de afvalopwerkingsinstallatie (de “fluff”) moet opleveren ten opzichte van fossiele brandstoffen. De Uitvoeringsregeling en de bijbehorende Energielijst 2006 strekken er immers toe de inzet van fossiele brandstoffen te beperken. In dat licht bezien ligt het in de rede om aan artikel 2, zesde lid, Energielijst 2006 de door verweerder voorgestane uitleg te geven. Een andere uitleg zou betekenen dat voor investeringen ten behoeve van duurzame energie geen energiebesparingseis zou bestaan. De uitleg van appellante, inhoudend dat deze bepaling ziet op de input van de afvalopwerkingsinstallatie, acht het College daarom niet juist. De criteria voor de input zijn bovendien opgenomen in artikel 1, onder E.5.1.A., Energielijst 2006. Het ligt ook daarom niet voor de hand om – zoals appellante heeft betoogd – in artikel 2, zesde lid, Energielijst 2006 ook een criterium voor de input te lezen.

5.4 Met betrekking tot de input van de afvalopwerkingsinstallatie is het College voorts, met verweerder, van oordeel dat op basis van de door appellante verstrekte gegevens niet kan worden vastgesteld wat de exacte samenstelling is van deze input. Vaststaat dat de input ook kortcyclische koolstofverbindingen bevat, maar onduidelijk is gebleven hoe groot het aandeel daarvan is. De door appellante verstrekte gegevens zien op onderzoeken naar de gemiddelde samenstelling van huishoudelijk afval in Nederland, terwijl de input van de afvalopwerkingsinstallatie van appellante bestaat uit (het restant van) sloop- en bedrijfsafval. Bovendien heeft appellante geen concrete gegevens verschaft over de samenstelling van de input van de tweede sorteerlijn zelf, maar wordt slechts op basis van de samenstelling van het sloop- en bedrijfsafval dat aan de eerste sorteerlijn wordt aangeboden aangenomen dat de output daarvan verhoudingsgewijs meer kortcyclische koolstofverbindingen zal bevatten. De door appellante verstrekte gegevens zien derhalve niet op het door haar gebruikte afval en maken de samenstelling van de door haar gebruikte input daarnaast ook niet concreet.

5.5 Voor zover al zou moeten worden uitgegaan van de stellingen van appellante over de samenstelling van de input van de tweede sorteerlijn, volgt daaruit naar het oordeel van het College niet dat sprake is van biomassa in de zin van de Energielijst 2006. Appellante heeft met betrekking tot de samenstelling van het sloop- en bedrijfsafval voor de eerste sorteerlijn aangevoerd dat deze voor gemiddeld ongeveer 69% bestaat uit kortcyclische koolstofverbindingen en voor het overige uit andere componenten. Weliswaar is aannemelijk dat in de eerste sorteerlijn langcyclische koolstofverbindingen worden verwijderd, maar bij gebreke van een onderbouwing en kwantificering door appellante van dit proces kan naar het oordeel van het College niet worden vastgesteld dat de output van de eerste sorteerlijn c.q. de input van de tweede sorteerlijn geheel of nagenoeg geheel bestaat uit kortcyclische koolstofverbindingen. Uit de definitie van biomassa, zoals die is opgenomen in E.5.1.A. van de Energielijst 2006, volgt immers dat de input slechts een zeer klein, zo niet verwaarloosbaar, deel aan langcyclische koolstofverbindingen mag bevatten om nog als biomassa aangemerkt te kunnen worden.

5.6 Ten slotte is het College met verweerder van oordeel dat in dit geval geen sprake is van onvermijdelijke aanwezigheid van langcyclische koolstofverbindingen. Het door appellante als input voor de eerste sorteerlijn gebruikte sloop- en bedrijfsafval bestaat voor een belangrijk deel juist uit langcyclische koolstofverbindingen. Indien appellante er voor kiest dit sloop- en bedrijfsafval, en uiteindelijk het restant daarvan, te accepteren als input voor de afvalopwerkingsinstallatie, kan naar het oordeel van het College niet worden gesproken van een onvermijdelijke aanwezigheid van die koolstofverbindingen in de input van de afvalopwerkingsinstallatie. Deze aanwezigheid is daarentegen het gevolg van de bedrijfsmatige keuzes van appellante.

5.7 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen heeft verweerder de aanvraag van appellante om een EIA-verklaring voor een investering in een afvalopwerkingsinstallatie terecht afgewezen. Het beroep zal daarom ongegrond worden verklaard.

5.8 Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E. Dijt, mr. E.R. Eggeraat en mr. W.A.J. van Lierop, in tegenwoordigheid van mr. P.H. Broier als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 januari 2011.

w.g. E. Dijt w.g. P.H. Broier