Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BP3474

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
07-01-2011
Datum publicatie
08-02-2011
Zaaknummer
AWB 10/1003
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Meststoffenwet

Kaderregeling ontheffingen experiment Golden Harvest

Verweerder heeft ten onrechte het verzoek om verlenging van de Golden Harvest-regeling niet aangemerkt als een aanvraag. Het bezwaar gericht tegen de reactie van verweerder heeft verweerder niet-ontvankelijk verklaard. Nu de brief van verweerder aan te merken is als een besluit, is er sprake van een appellabel besluit. Verweerder heeft het bezwaar dan ook ten onrechte niet ontvankelijk verklaard en zal alsnog een besluit dienen te nemen. Het besluit op de aanvraag in het kader van de nieuwe regeling ziet niet tevens – ook niet impliciet – op het verzoek de oude regeling te verlengen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 10/1003 7 januari 2011

16050 Meststoffenwet

Kaderregeling ontheffingen experiment Golden Harvest

Uitspraak in de zaak van:

Vereniging Golden Harvest, te Groesbeek, appellant 1

en Zonne-Ei-Farm B.V., te Terschuur, appellant 2, tezamen appellanten,

gemachtigde: mr. B. Nijman, advocaat te Wageningen,

tegen

de Staatssecretaris van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. A.H. Spriensma-Heringa, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellanten hebben bij brief van 23 september 2010, bij het College binnengekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 27 augustus 2010.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van 10 augustus 2010 van appellanten, gericht tegen de brief van verweerder van 9 juli 2010, niet-ontvankelijk verklaard.

Bij brief van 22 november 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 13 december 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar partijen hun standpunten bij monde van hun gemachtigden hebben toegelicht. Van de zijde van appellanten is tevens verschenen A, alsmede B van C, aangesloten bij de Vereniging Golden Harvest.

De zaak is, gelet op de samenhang, gelijktijdig behandeld met het verzoek om voorlopige voorziening van appellanten dat is ingediend op 25 oktober 2010 (AWB 10/978).

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor het College zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden komen vast te staan.

- De Vereniging Golden Harvest (hierna: de Vereniging) is opgericht in 1996 ten behoeve van de Kaderregeling ontheffingen experiment Golden Harvest (Stcrt. 1998, nr. 243/pag. 16; hierna: Regeling Golden Harvest).

- In het kader van deze regeling konden pluimveehouders, die deelnamen aan Golden Harvest, ontheffing aanvragen van het uitbreidingsverbod, bedoeld in artikel 55, eerste lid, van de Meststoffenwet (oud).

- De bedrijven die lid zijn van de Vereniging, waaronder appellant 2, hebben allen een dergelijke ontheffing verkregen.

- Deze ontheffing is verleend voor de duur van twaalf jaar. De ontheffingen eindigen, variërend per deelnemend bedrijf, in de periode februari 2011 – augustus 2013.

- Bij brief van 5 maart 2010 heeft verweerder appellanten laten weten dat de Regeling Golden Harvest niet verlengd zal worden, maar dat onder nieuwe voorwaarden een geheel nieuwe ontheffing van het uitbreidingsverbod kan worden aangevraagd. Deze ontheffing gaat in op de eerstvolgende dag na afloop van de huidige ontheffing Golden Harvest. In deze brief zijn de voorwaarden vermeld voor het verkrijgen van een nieuwe ontheffing. De aanvraag daartoe moet uiterlijk op 1 april 2010 zijn ingediend.

- Bij brief van 10 maart 2010 heeft de Vereniging gereageerd op de brief van 5 maart 2010 en verweerder verzocht de verleende vrijstelling in het kader van de Regeling Golden Harvest om te zetten in een algehele vrijstelling voor onbepaalde tijd.

- Op 26 maart 2010 heeft appellant 2 een aanvraag ingediend voor de nieuwe ontheffing, conform de aankondiging van 5 maart 2010.

- Bij besluit van 20 april 2010 heeft verweerder, naar aanleiding van deze aanvraag, op grond van artikel 38, tweede lid, Meststoffenwet aan appellant 2 ontheffing verleend van het uitbreidingsverbod conform artikel 20, eerste lid, Meststoffenwet. - Ook de andere leden van de Vereniging hebben deze ontheffing aangevraagd en rond deze datum verkregen.

- Appellant sub 2 noch de andere leden van de Vereniging hebben tegen de verleende ontheffing bezwaar gemaakt.

- Bij brief van 8 juni 2010 hebben appellanten verweerder verzocht te reageren op de brief van 10 maart 2010. Ook hebben appellanten in deze brief nogmaals verzocht om voortzetting van de volledige vrijstelling zoals deze geldt onder de Regeling Golden Harvest.

- Bij brief van 30 juni 2010 heeft verweerder aan de voorzitter van de Vereniging een reactie gegeven op het verzoek van 10 maart 2010.

- Bij brief van 9 juli 2010 verwijst verweerder, in zijn beantwoording van de brief van 8 juni 2010, naar de inhoud van de brief van 30 juni 2010.

- Appellanten hebben tegen de brief van 9 juli 2010 bij brief van 10 augustus 2010, door verweerder ontvangen op 11 augustus 2010, bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de brief van 9 juli 2010 slechts informerend en verwijzend is. Deze brief is dan ook niet te kwalificeren als een besluit in de zin van artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zodat hiertegen geen bezwaar gemaakt kan worden.

In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder voorts gesteld dat, indien appellanten van mening zijn dat ontheffing is verleend voor een te laag aantal pluimvee-eenheden, zij bezwaar hadden moeten maken tegen het besluit tot ontheffingverlening van 20 april 2010. De bezwaren van appellanten tegen de verlaagde ontheffing waren reeds bekend voordat de nieuwe regeling kenbaar was gemaakt. Het besluit van 20 april 2010 dient dan ook gezien te worden als een besluit op het verzoek van 10 maart 2010 om verlenging van de ontheffing Golden Harvest. Eerst na verstrijken van de bezwarentermijn hebben appellanten een brief gestuurd waarin zij hun teleurstelling hebben geuit over de gang van zaken.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten stellen zich op het standpunt dat de brief van 9 juli 2010 wel als een besluit is aan te merken. De brief is afkomstig van de minister van LNV, derhalve van een bestuursorgaan. De bevoegdheid tot verlening van een ontheffing komt op grond van artikel 38, tweede lid Meststoffenwet exclusief aan de minister toe en de afwijzing, zoals is opgenomen in de brief van 9 juli 2010, is gericht op rechtsgevolg. Immers, de leden van de Vereniging worden aangetast in hun rechtspositie, omdat zij niet meer in aanmerking komen voor een ontheffing. Voor een gelijkblijvende productie zullen zij aanvullende pluimvee-eenheden moeten verwerven, waarvoor zij grote investeringen moeten doen. De brief van de minister is dus niet slechts informerend en verwijzend en het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ter beoordeling staat of verweerder in het bestreden besluit het bezwaarschrift van appellanten van 10 augustus 2010 terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard.

5.2 Het College ziet aanleiding allereerst in te gaan op de vraag of verweerder met het besluit van 20 april 2010 ook een besluit heeft genomen op het verzoek van appellanten van 10 maart 2010.

Op 5 maart 2010 heeft verweerder per brief aan appellanten de voorwaarden van de nieuwe ontheffingsmogelijkheid kenbaar gemaakt. In deze brief wordt aangegeven dat de bestaande Regeling Golden Harvest niet wordt gewijzigd of verlengd, maar dat wel onder nieuwe voorwaarden een geheel nieuwe ontheffing kan worden aangevraagd.

Door verweerder is niet betwist dat de voorwaarden waaronder de nieuwe ontheffing verleend kan worden in relevante opzichten afwijken van de voorwaarden van de Regeling Golden Harvest. Zo kan de ontheffing voor maximaal de helft van de thans geldende ontheffing verleend worden en bestaat de verplichting om ter grootte van de ontheffing pluimvee-eenheden te verwerven. Ook geldt de ontheffing voor maximaal 5 jaar.

Appellanten hebben op 10 maart 2010 verzocht om voor alle leden van de Vereniging de Regeling Golden Harvest voor onbepaalde tijd te verlengen. In afwachting van een reactie van verweerder op dit verzoek, hebben de leden van de Vereniging wel de nieuwe ontheffing aangevraagd. Bij besluiten van of rond 20 april 2010 heeft verweerder deze ontheffingen verleend.

Het College overweegt dat gelet op de van de Regeling Golden Harvest afwijkende voorwaarden waaronder de ontheffingen op of rond 20 april 2010 zijn verleend, daarmee niet tevens – ook niet impliciet – is beslist op het verzoek van appellanten om de geldende ontheffingen Golden Harvest om te zetten naar een ontheffing voor onbepaalde tijd.

De brief van 8 juni 2010 kan dan ook niet worden aangemerkt als een herhaalde aanvraag. Deze brief behelst een rappel aan verweerder om, voor het eerst, te beslissen op het verzoek van appellanten van 10 maart 2010.

5.3 Verweerder heeft bij brief van 30 juni 2010 gereageerd op het verzoek van 10 maart 2010. Uit deze brief blijkt dat een voortzetting van de ontheffing Golden Harvest voor onbepaalde tijd, zoals door appellanten verzocht, niet verleend zal worden.

Het College overweegt dat de brief van 30 juni 2010 niet anders gezien kan worden dan als een inhoudelijke afwijzing van het verzoek om voor alle leden van de Vereniging de bestaande ontheffing Golden Harvest om te zetten in een ontheffing voor onbepaalde tijd.

De afwijzing van dit verzoek door verweerder is gericht op rechtsgevolg en moet, gelet op artikel 1:3, tweede lid, Awb, worden aangemerkt als een besluit, waartegen bezwaar openstaat.

Met de brief van 9 juli 2010 heeft verweerder gereageerd op de brief van appellanten van 8 juni 2010. Verweerder geeft in de brief van 9 juli 2010 geen expliciete reactie op het verzoek van appellanten om de geldende ontheffing om te zetten naar een ontheffing voor onbepaalde tijd, maar verwijst naar de brief van 30 juni 2010. Nu die brief een appellabel besluit is, hebben appellanten hiertegen bezwaar kunnen indienen. Onder deze omstandigheden had verweerder het bezwaar van 10 augustus 2010 in ieder geval moeten aanmerken als bezwaar (mede) gericht tegen het besluit van 30 juni 2010.

Het College stelt vast dat dit bezwaar, ook voor zover gericht tegen het besluit van 30 juni 2010, tijdig is ingediend.

Hieruit volgt dat verweerder het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Verweerder zal alsnog een inhoudelijke beslissing op bezwaar moeten nemen waarbij appellanten in de gelegenheid gesteld moeten worden om de gronden van het bezwaar in te dienen en op hun bezwaar te worden gehoord.

Het College merkt op dat van appellanten verwacht mag worden dat gemotiveerd en specifiek wordt aangegeven voor welke bedrijven het bezwaar geldt. Dit omdat ter zitting is gebleken dat bedrijven wellicht om hen moverende redenen zouden willen afzien van verdere ontheffingen.

5.4 Uit het bovenstaande volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit zal worden vernietigd. Verweerder dient een inhoudelijk besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak. Gelet op de tijd die is verstreken sinds het indienen van het bezwaarschrift, ziet het College aanleiding voor het nemen van dit besluit een termijn van zes weken te bepalen.

5.5 Het College acht termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb. Op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht worden de kosten van beroepsmatig verleende rechtsbijstand vastgesteld op € 874,-- op basis van 2 punten (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting) tegen een waarde van € 437,-- per punt, waarbij het gewicht op gemiddeld is bepaald.

6. De beslissing

Het College

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het besluit van 27 augustus 2010;

- draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen met inachtneming

van deze uitspraak;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten ad € 874,- (zegge: achthonderdvierenzeventig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellanten het door hen betaalde griffierecht ad € 297,- (zegge:

tweehonderdzevenennegentig euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. L.C. Bannink als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2011.

w.g. E. Dijt w.g. L.C. Bannink