Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2011:BP1471

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
20-01-2011
Datum publicatie
21-01-2011
Zaaknummer
AWB 08/613
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet personenvervoer 2000

Wetsverwijzingen
Algemene wet bestuursrecht 3:2
Wet personenvervoer 2000 32
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/613 20 januari 2011

14910 Wet personenvervoer 2000

Uitspraak in de zaak van:

Stadsbus Groep Maastricht N.V., te Maastricht, en

Veolia Transport Limburg Personeelsvoorziening B.V., te Breda (voorheen: Limex B.V.), appellanten,

gemachtigde: mr. R.J.H.M. Crombaghs, advocaat te Heerlen,

tegen

Gedeputeerde Staten van Limburg, verweerder,

gemachtigde: mr. E. Gransier-Sour, werkzaam bij verweerder.

Aan dit geding neemt tevens als partij deel:

Hermes Openbaar Vervoer B.V., te Weert,

gemachtigde: mr. H.C. van Olden, advocaat te Utrecht.

1. De procedure

Bij uitspraak van 16 november 2006 heeft het College in de zaak AWB 06/260 (te raadplegen op LJN: AZ3604 via <www.rechtspraak.nl>) beslist op het beroep van appellanten tegen een besluit van verweerder van 7 februari 2006. Bij dit besluit is niet-ontvankelijk verklaard het bezwaar van appellanten tegen de bij besluit van 22 november 2005 door verweerder verleende goedkeuring voor het hanteren van afwijkende tarieven door Hermes Openbaar Vervoer B.V. (hierna: Hermes). Het College heeft het beroep gegrond verklaard, het besluit van 7 februari 2006 vernietigd en aan verweerder opgedragen met inachtneming van die uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen.

Op 9 juni 2008 heeft de adviescommissie bezwaarschriften van de provincie Limburg (hierna: adviescommissie) verweerder en Hermes wederom gehoord naar aanleiding van het bezwaar. Appellanten zijn met voorafgaande kennisgeving niet op die hoorzitting verschenen.

Op 21 juni 2008 heeft de adviescommissie opnieuw advies uitgebracht over het bezwaar van appellanten.

Bij besluit van 1 juli 2008, verzonden op 9 juli 2008, heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben appellanten bij brief van 13 augustus 2008, bij het College binnengekomen op 14 augustus 2008, beroep ingesteld.

Bij brief van 9 september 2008 heeft verweerder een verweerschrift en op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend.

Bij brief van 20 oktober 2008 heeft Hermes haar standpunt uiteengezet.

Op 25 november 2010 heeft verweerder, desverzocht, nadere stukken ingediend.

Op 30 november 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Hierbij zijn verschenen namens appellanten mr. A. Bouws, namens verweerder zijn gemachtigde en A en namens Hermes mr. H.B.G. Aarninkhof en B.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor een uitgebreide weergave van de in dit geding van belang zijnde regelgeving en feiten en omstandigheden wordt verwezen naar genoemde uitspraak van het College van 16 november 2006. Het College volstaat thans met het volgende.

2.2 In de Wet personenvervoer 2000 (hierna: Wet) was ten tijde van belang onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 32

1. De concessiehouder kan aan een concessie voorschriften verbinden.

2. Aan een concessie worden in ieder geval voorschriften verbonden ten aanzien van:

(…)

d. de tarieven, de modellen van vervoerbewijzen en de vervoersvoorwaarden waartegen het openbaar vervoer moet worden verricht, alsmede de wijziging en openbaarmaking daarvan."

In de door verweerder aan Hermes verleende concessie voor openbaar vervoer in Zuid-Limburg en in Noord- en Midden-Limburg is, voor zover thans van belang, onder meer het volgende voorgeschreven:

"BIJLAGE 1

ALGEMENE BEPALINGEN CONCESSIE

(...)

Artikel 27. Tarieven en vervoersbewijzen

(…)

2. De concessiehouder heeft de mogelijkheid tot het voeren van eigen tarieven mits hiervoor goedkeuring van de concessieverlener is verkregen, conform de procedure zoals opgenomen in bijlage 10.

(...)

BIJLAGE 10 PROCEDURE TARIEVEN EN VERVOERBEWIJZEN

Alle door de concessiehouder te hanteren regionale tarieven en vervoerbewijzen, die afwijken van de nationale vervoerbewijzen (NVB), dienen vooraf door de concessieverlener i.c. Gedeputeerde Staten van Limburg te worden goedgekeurd. Voorstellen voor nieuwe van het NVB afwijkende tarieven en vervoerbewijzen en voor wijziging van lopende tarieven en vervoerbewijzen worden door de concessiehouder aan Gedeputeerde Staten voorgelegd.

Het voorstel bevat tenminste:

- de naam van het tarief

- het tarief en vervoerbewijzen en kaartassortiment;

- de redenen, die aan het voorstel ten grondslag liggen

- een inschatting over de te verwachte opbrengsten;

- de mate van afwijking van de tarieven van het NVB;

- een inschatting van de NVB opbrengsten-derving;

- geldigheidsperiode en geldigheidsgebied (zone, lijnen en/of lijnnummers);

- beschrijving van de wijze waarop het nieuwe tarief naar de reiziger wordt gecommuniceerd en gepromoot.

- het monitoring- en evaluatietraject,

- wijze waarop reiziger het vervoerbewijs kan verkrijgen (in de bus, voorverkoop, etc.);

- afstemming met andere concessieverleners en concessiehouders, indien het nieuwe tarief ook van toepassing op lijnen van andere concessiehouders/ concessieverleners;

- aanvullende informatie indien de concessieverlener dit noodzakelijk acht.

Complete voorstellen voor een van het NVB afwijkend tarief en vervoerbewijs of voor wijziging daarvan dienen tenminste 6 weken voor de beoogde ingangsdatum van het nieuwe of gewijzigde tarief bij Gedeputeerde Staten ingediend te worden. Indien een tariefactie ook van toepassing is op lijnen, welke niet onder de bevoegdheid van Gedeputeerde Staten van Limburg vallen, dient het voorstel ook bij de andere concessieverlener(s) te worden ingediend.

Het voorstel wordt getoetst op het te verwachte effect van het tarief op de opbrengsten, waarbij bij tariefacties die eerder hebben plaatsgevonden de evaluatieresultaten van eerdere tariefacties worden meegenomen.

Gedeputeerde Staten beslissen uiterlijk 3 weken voor de ingangsdatum op het voorstel.

Wordt goedkeuring aan het voorstel onthouden, dan mag het voorgestelde tarief niet gehanteerd worden.

Wordt goedkeuring verleend, dan maakt de concessiehouder uiterlijk 2 weken voor de ingangsdatum van het nieuwe of gewijzigde tarief het tarief, de geldigheidsperiode en het geldigheidsgebied alsmede de wijze van verkrijgbaarheid van de vervoerbewijzen openbaar.

In geval het tariefvoorstel ook bij andere concessieverlener(s) is ingediend, wordt goedkeuring slechts verleend als ook de andere betrokken concessieverlener(s) eveneens met het voorstel heeft (hebben) ingestemd.

Een maand na afloop van de geldigheidsperiode van het afwijkend tarief dient de concessiehouder bij Gedeputeerde Staten een evaluatierapport in, waarin opgenomen een berekening van de netto-opbrengsten als gevolg van het afwijkend tarief."

2.3 Bij brief van 28 augustus 2006 heeft verweerder NEA verzocht de WROOV-verdeelsleutels voor het derde en vierde kwartaal 2006 alsmede het gehele jaar 2007 aan te passen.

Op 28 september 2007 heeft NEA bij e-mail gericht aan medewerkers van respectievelijk verweerder, appellante Veolia en Hermes afwijzend op dat verzoek gereageerd, waarbij is verwezen naar een notitie waarin, voor zover hier van belang, het volgende staat vermeld:

"Omdat sinds kort de sleutels van het nieuwe onderzoek WROOV-Light 2006 bekend zijn, kan de volgende methode worden toegepast: vervang de sleutels van het onderzoek-2005 (welke de basis vormen voor het onderhoud-2006 !) van de limburgse basiselementen door die van het onderzoek-2006, en pas de overige sleutels naar rato aan zodat de sleutels per ambtsgebied/kaartgroep-combinatie optellen tot 100%.

Indien deze sleutelset, en de oospronkelijke sleutelsets voor 2005 en 2006, worden toegepast op de verkopen van 2005 resp. 2006, blijkt dat de vermindering van de toegedeelde opbrengsten voor de strippenkaarten (kaartgroep 1 en 15) bijna in zijn geheel kunnen worden toegeschreven aan de (sterk) gedaalde verkopen, m.a.w. de totale daling blijkt bijna geheel een verkoopeffect te zijn, het sleuteleffect ligt dicht bij 100%.

De achterliggende oorzaak hiervan is de geisoleerde ligging van de provincie Limburg: bijna alle (d.w.z. meer dan 95% van de) verkopen in Limburg wordt 'gebruikt' bij limburgse basiselementen, en andersom geldt ook dat niet veel verkopen van buiten Limburg worden worden 'gebruikt' bij limburgse basiselementen.

De conclusie kan luiden dat de noodzakelijke aanpassing binnen het WROOV-systeem 'vanzelf' plaatsvindt doordat de sleutels worden toegepast op de (lagere) verkopen en het daarom NIET noodzakelijk lijkt tot correctie over te gaan."

3. Het bestreden besluit en het nadere standpunt van verweerder

3.1 Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellanten ongegrond verklaard onder verwijzing naar het advies van de adviescommissie. In dat advies is, in de kern samengevat, het volgende overwogen.

Het WROOV-systeem staat hier niet ter discussie. Het is inherent aan een systeem waarin een concessiehouder een eigen tarief mag voeren en de opbrengsten hiervan mag behouden dat dit tot gevolg kan hebben dat er minder opbrengsten tussen de andere concessiehouders kunnen worden verdeeld op basis van de WROOV-verdeelsleutels. Uit de (WROOV-)systematiek vloeit aldus voort dat appellanten nadeel kunnen ondervinden van de door verweerder goedgekeurde afwijkende kaartsoort van Hermes. Slechts ter beoordeling staat de beantwoording van de vraag of appellanten door de invoering van de afwijkende kaartsoort onevenredig worden getroffen en of zij eventueel gecompenseerd moeten worden.

Het is, aldus de adviescommissie, erg moeilijk, zo niet onmogelijk, om voorafgaand aan de invoering van een afwijkende kaartsoort in te schatten hoe hoog de inkomsten van die kaartsoort zullen zijn. Evenmin valt hierbij in te schatten in hoeverre nieuwe reizigers zullen worden getrokken en in hoeverre reizigers die een nationaal vervoerbewijs zouden hebben gekocht thans de afwijkende kaartsoort zullen kopen. Gelet op de aard van de systematiek, de ervaringen met eerdere andere afwijkende kaartsoorten, de aard en de prijs van het voorgestelde vervoerbewijs en het feit dat dit vervoerbewijs niet in de spits kon worden gebruikt, hoefde verweerder ten tijde van het nemen van het goedkeuringsbesluit redelijkerwijs niet te verwachten dat andere concessiehouders door dat besluit onevenredig (financieel) nadeel zouden lijden.

Verweerder en Hermes hebben tijdens de hoorzitting op 9 juni 2008 verklaard dat de invoering van het dalurenkaartje door Hermes nieuwe reizigers heeft getrokken. Dit betekent dat deze mensen geen nationaal vervoerbewijs zouden hebben gekocht en dat er dus geen sprake is van minder opbrengsten die op basis van de WROOV-verdeelsleutels konden worden verdeeld. Het is verder niet na te gaan hoeveel reizigers die het dalurenkaartje hebben gekocht anders een nationaal vervoerbewijs zouden hebben gekocht. Voorts mag redelijkerwijs worden aangenomen dat een aantal reizigers dat het dalurenkaartje heeft gekocht normaliter niet met de bus zou hebben gereisd. Voorts hebben verweerder en Hermes gesteld dat in de betreffende periode sprake was van teruglopende reizigersaantallen. Dat heeft geleid tot teruglopende inkomsten uit de verkoop van nationale vervoerbewijzen. Bovendien hebben de teruglopende reizigersaantallen geleid tot een beduidend lagere subsidie aan appellanten.

Er zijn, zo stelt de adviescommissie, verschillende factoren die (ook) invloed hebben gehad op de omzet van appellanten. Het had op hun weg gelegen om de schade als gevolg van de invoering van het dalurenkaartje aan te tonen. Zij hebben de hoogte van de schade op geen enkele wijze aangetoond of aannemelijk gemaakt. Dit klemt temeer omdat appellanten geen gebruik hebben gemaakt van de mogelijkheid om de bezwaargronden aan te vullen en zij voorts niet zijn verschenen op de hoorzitting.

Het goedkeuringsbesluit is niet (geheel) volgens de bepalingen van de concessie tot stand gekomen. Verweerder heeft verklaard dat de gevolgde procedure in lijn is met de gangbare praktijk. Verzoeken om goedkeuring worden vaak pas vlak voor de ingangsdatum voorgelegd aan verweerder. Hij probeert in alle gevallen toch tijdig een besluit te nemen vanwege de belangen van de betreffende concessiehouder en het openbaar vervoer in Limburg. Hierbij worden in het algemeen geen belangen van andere belanghebbenden geschaad. De gevolgde procedure verdient weliswaar niet de schoonheidsprijs, maar verweerder is niet onzorgvuldig geweest. Daarbij speelt een rol dat appellanten hun bezwaren onvoldoende hebben gemotiveerd.

3.2 In het verweerschrift heeft verweerder er op gewezen dat hij bij brief van 28 augustus 2006 aan NEA heeft gevraagd om naar aanleiding van de omzet van het dalurenkaartje van Hermes de verdeelsleutels aan te passen. Op grond van het jaarplan WROOV 2006 bestond vóór het derde kwartaal van 2006 geen mogelijkheid voor een concessieverlener om herziening van de verdeelsleutels aan te vragen naar aanleiding van de invoering van een regionale kaartsoort. Verweerder heeft geen eigen bevoegdheid om tot herberekening over te gaan; het is aan NEA om de gevolgen van de invoering van het dalurenkaartje te beoordelen en om op basis hiervan de verdeelsleutels aan te passen. Blijkens een bijgevoegde e-mail van 28 september 2007 heeft NEA besloten in dit geval daartoe niet over te gaan.

Het dalurenkaartje is niet de enige goedkope kaartsoort geweest die in Limburg is geïntroduceerd. Bij de invoering van een goedkope kaartsoort door Veolia is op haar verzoek het initiële tarief binnen drie dagen aangepast. In dat licht is het beroep op het formeel verzuim door appellanten dan ook opmerkelijk. Overigens zou het aanhouden van een langere termijn niet hebben geleid tot een wezenlijk ander primair besluit. Appellanten hebben herhaaldelijk aangegeven tegen het besluit als zodanig geen bezwaren te hebben. Zij hebben weliswaar gesteld schade te hebben, maar dit nimmer begroot en aangetoond.

Voorts wijst verweerder er op dat de verdeling van de opbrengsten uit de kaartverkoop een zaak is van vervoerders onderling, waarvoor wordt verwezen naar de uitspraak van het College van 16 november 2006 (AWB 06/516, <www.rechtspraak.nl>, LJN: AZ3605).

Verweerder heeft ter zitting verklaard dat hij het verzoek van Hermes heeft beoordeeld – conform de vaste praktijk destijds – op de wettelijke eis dat het afwijkende tarief niet hoger mag zijn dan de voor de nationale vervoerbewijzen vastgelegde tarieven. Voorts heeft verweerder in dit geval beoordeeld of de invoering van het dalurenkaartje al dan niet leidt tot onevenredige benadeling van appellanten. Hij heeft het verzoek niet getoetst aan de in bijlage 10 van de concessie neergelegde eisen waaraan een voorstel om afwijkende kaartsoorten te mogen invoeren dient te voldoen. Verweerder heeft daar als verklaring voor gegeven dat gelet op het onvoorspelbare gedrag van de reizigers op de markt het in feite niet mogelijk was om een inschatting vooraf te kunnen maken.

4. Het standpunt van appellanten

Appellanten hebben het volgende aangevoerd.

Onder verwijzing naar het bestreden besluit en de uitspraak van het College van 16 november 2006 (AWB 06/260) staat vast dat het bestreden besluit nadelige financiële consequenties heeft voor appellanten. Eveneens staat op grond van voornoemde uitspraak van het College vast dat deze financiële consequenties door NEA hadden kunnen worden berekend en dat deze consequenties zich voordoen vanaf begin 2006.

De overweging van verweerder dat het (WROOV-)systeem niet ter discussie kan staan is allereerst in strijd met genoemde uitspraak van het College, waarin is overwogen dat niet de verdeelsleutelsystematiek maar de goedkeuring van de invoering van het dalurenkaartje financiële gevolgen voor appellanten heeft. Uit deze uitspraak blijkt voorts dat, gelet op diens verzoek aan NEA van 28 augustus 2006 tot het vaststellen van nieuwe verdeelsleutels, verweerder ook de mening is toegedaan dat met behulp van het WROOV-systeem de financiële consequenties voor appellanten kunnen worden bepaald. Verweerder had echter ook het eerste en tweede kwartaal van 2006 bij de herberekening moeten betrekken. Kennelijk ging verweerder er hierbij van uit dat de financiële nadelige consequenties voor appellanten zich pas in het jaar 2007 zouden openbaren, hetgeen echter in strijd is met genoemde uitspraak van het College. NEA is voorts zeer goed in staat om op voorhand in te schatten hoe hoog de inkomsten van het dalurenkaartje zullen zijn. In dat licht kon verweerder niet tot de conclusie komen dat niet te verwachten was dat appellanten door het goedkeuringsbesluit onevenredig financieel nadeel zouden leiden.

Door de invoering van de afwijkende kaartsoort bedraagt de omzetderving voor appellanten tussen de € 100.000 en

€ 300.000, afhankelijk van het percentage reizigers dat wisselt van het nationale vervoerbewijs naar het dalurenkaartje van Hermes. Als gevolg van de in deze kaartsoort gehanteerde dumpprijs daalde de verkoop van nationale vervoerbewijzen waardoor appellanten rechtstreeks in hun financiële belangen worden getroffen. De opbrengsten van deze kaartsoort mocht Hermes zelf behouden en werden buiten de WROOV-verdeling gehouden. Dat volgens Hermes en verweerder sprake zou zijn van teruglopende reizigersaantallen is onjuist.

Ten onrechte betoogt verweerder dat appellanten hun verzoek om schade dienen te onderbouwen. Zij beschikken immers niet over de exacte omzetcijfers ter zake van het dalurenkaartje van Hermes. Het is aan verweerder om NEA te verzoeken om de verdeelsleutels aan te passen. Dat heeft hij weliswaar gedaan, maar niet voor de eerste twee kwartalen van 2006.

De omstandigheid dat verschillende vervoerders een eigen afwijkende kaartsoort hebben geïntroduceerd is hier niet relevant. Overigens is er nimmer een kaartsoort geïntroduceerd tegen onderhavige lage tarieven. De eurokaart van appellanten heeft juist voor hen geen extra inkomsten gegenereerd.

Appellanten wijzen er op dat het goedkeuringsbesluit berust op onvolledige en zeer marginale informatie en verder niet conform de bepalingen van de concessie tot stand is gekomen. Derhalve heeft verweerder geen zorgvuldige belangenafweging gemaakt. Verweerders gangbare praktijk dat goedkeuring wordt verleend aan verzoeken die kort vóór de ingangsdatum van de invoering van de afwijkende kaartsoort worden voorgelegd, is in strijd met de ter zake toepasselijke regels.

Appellanten verzoeken het College het beroep gegrond te verklaren en zelf in de zaak te voorzien door te bepalen dat de financiële gevolgen voor appellanten door verweerder berekend en vergoed dienen te worden, dan wel verweerder op te dragen met inachtneming van de uitspraak opnieuw op het bezwaar te beslissen, en verweerder te veroordelen in de proceskosten en tot betaling van het griffierecht.

5. Het standpunt van Hermes

Appellanten hebben niet de negatieve financiële gevolgen van het bestreden besluit onderbouwd. Voorts heeft NEA geconcludeerd dat het niet noodzakelijk is om over te gaan tot correctie van de WROOV-verdeelsleutels naar aanleiding van het dalurenkaartje. Het feit dat dit kaartje een dalurenkaart was en een sterk wervend karakter had, sluit uit dat de invoering van dit kaartje een verlies aan bestaande reizigers betekende. Er was juist immers een trend van een dalend aantal reizigers.

Ook al zou er schade zijn voor appellanten dan nog heeft verweerder terecht geconcludeerd dat van een onevenredige benadeling van appellanten geen sprake is geweest.

Met betrekking tot de stelling van appellanten dat de schade kleiner zou zijn geweest als de kaart op een later tijdstip zou zijn ingegaan volgt Hermes het standpunt van verweerder dat een langere termijn voor besluitvorming niet zou hebben geleid tot een ander besluit.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 In dit geschil is aan de orde de beantwoording van de vraag of verweerder bij het thans bestreden besluit heeft kunnen handhaven zijn goedkeuring aan Hermes om een dalurenkaartje van € 3 voor een bepaalde periode in te voeren. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

6.2 Anders dan appellanten in beroep betogen volgt uit de uitspraak van het College van 16 november 2006 (AWB 06/260) niet dat thans in rechte vaststaat dat appellanten als gevolg van de onderhavige goedkeuring financieel nadeel hebben geleden en dat NEA dit nadeel aan de hand van aanpassing van de WROOV-verdeelsleutels vanaf het eerste kwartaal van 2006 kan bepalen. Appellanten gaan er kennelijk aan voorbij dat het College in die uitspraak, louter ter argumentatie van het oordeel dat appellanten als belanghebbenden in de zin van artikel 1:2, eerste lid, van de Awb, moeten worden aangemerkt, slechts de mogelijkheid van financieel nadeel voor hen heeft onderkend. In die uitspraak is met name geen oordeel gegeven over het al dan niet aanwezig zijn van nadelen die voor financiële compensatie in aanmerking zouden moeten komen. Derhalve komt aan voornoemde uitspraak niet de door appellanten gestelde betekenis toe.

6.3 Naar aanleiding van hetgeen appellanten verder hebben aangevoerd overweegt het College als volgt.

Aan een voorstel van de concessiehouder om nieuwe, van de nationale vervoerbewijzen afwijkende, tarieven en vervoerbewijzen te introduceren worden, blijkens het hiervoor in rubriek 2 vermelde, ingevolge bijlage 10 van de aan Hermes verleende concessie, bepaalde eisen gesteld. Deze eisen hebben onder meer betrekking op de mate waarin wordt afgeweken van de tarieven van de nationale vervoerbewijzen. Tevens moet een zodanig voorstel een inschatting bevatten van de opbrengstenderving voor de nationale vervoerbewijzen.

6.4 Verweerder en Hermes hebben niet bestreden – en ook voor het College staat vast – dat bij het voorstel van Hermes, strekkende tot invoering van het dalurenkaartje, dit soort gegevens ontbrak. Verweerders uitvoeringsprakijk destijds was dat het al dan niet verlenen van goedkeuring aan de introductie van een afwijkende kaartsoort slechts afhankelijk was van de beantwoording van de vraag of het voorgelegde afwijkende tarief niet hoger was dan de voor de nationale vervoerbewijzen vastgelegde tarieven. Aldus beschikte verweerder met betrekking tot het voorstel van Hermes niet over gegevens die hij kennelijk in het licht van de concessie zelf wel van belang achtte om ter zake een evenwichtige inschatting te kunnen maken van de – eventuele financiële – gevolgen van de invoering van het dalurenkaartje – onder meer – voor de andere concessiehouders, zoals appellanten.

Het College staat derhalve voor de beantwoording van de vraag of het thans bestreden besluit, waarbij het besluit de gevraagde goedkeuring zonder appellanten financieel te compenseren is gehandhaafd, niettemin de toets der kritiek kan doorstaan. Dienaangaande overweegt het College als volgt.

6.5 De hiervoor geschetste uitvoeringspraktijk van verweerder week af van hetgeen in de hiervoor aangeduide eisen in bijlage 10 van de concessie is voorgeschreven. Dat werkte in de hand dat pas achteraf gefundeerd eventueel financieel te compenseren nadelen zichtbaar werden. Niet weersproken is dat verweerder, handelende volgens dezelfde uitvoeringspraktijk, destijds ook goedkeuring heeft verleend aan appellante Veolia om het zogenoemde eurokaartje in te voeren.

6.6 Verweerder heeft bij brief van 28 augustus 2006 NEA verzocht de verdeelsleutels van het WROOV-systeem aan te passen met ingang van het derde kwartaal van 2006 tot en met het gehele jaar 2007 onder opgave van de in het eerste en tweede kwartaal van 2006 gerealiseerde omzetten van het dalurenkaartje van Hermes. Niet in geschil is dat appellanten de reactie van NEA van 28 september 2007 hebben ontvangen. In die reactie is in den brede gemotiveerd dat en waarom de verdeelsleutels van het WROOV-systeem in verband met de invoering van het dalurenkaartje niet worden aangepast.

Aldus blijkt dat verweerder alsnog, zij het achteraf in bezwaar, de financiële gevolgen van de invoering van het dalurenkaartje voor appellanten door NEA – ook door appellanten de terzake aangewezen instantie geacht – heeft doen onderzoeken en op basis daarvan tot de slotsom is gekomen dat voor financiële compensatie van appellanten geen aanleiding bestond.

In deze omstandigheden acht College het toelaatbaar dat verweerder zich op het standpunt heeft gesteld dat het na het bekend worden van de reactie van NEA aan appellanten was om aannemelijk te maken dat het goedkeuringsbesluit van verweerder voor hen wel nadelige financiële gevolgen heeft gehad. Ondanks dat zij daartoe ruimschoots de gelegenheid hebben gehad, hebben appellanten aan hun stelling geen valide cijfermatige onderbouwing gegeven. Niet kan daartoe dienen het rekenvoorbeeld van appellanten waaruit naar voren komt dat hun opbrengstenderving tussen € 100.000 en

€ 300.000 bedraagt. Die berekening is immers gebaseerd op de gerealiseerde omzetten van nationale vervoerbewijzen in 2005 – van appellante Stadsbus Groep Maastricht N.V. –, terwijl bijna alle gerealiseerde omzetten van het dalurenkaartje van Hermes van daarna dateren: dat kaartje was immers geldig van 1 december 2005 tot 10 december 2006. Ook overigens hebben appellanten geen feiten en omstandigheden gepresenteerd die aanleiding kunnen zijn voor twijfel aan de juistheid van de opvattingen van NEA.

Voorts leidt het College uit de in de hiervoor in rubriek 2.3 weergegeven redengeving van NEA, ertoe strekkende dat geen aanpassing plaatsvindt van de WROOV-verdeelsleutels vanaf het derde kwartaal van 2006 tot en met het gehele jaar 2007, af dat een expliciet verzoek om onderzoek naar de financiële gevolgen betrekking hebbend op de eerste twee kwartalen van 2006 niet tot een ander inhoudelijk oordeel van NEA zou hebben geleid.

6.7 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat verweerder bij de totstandkoming van het bestreden besluit alsnog voldoende zorgvuldig de belangen van appellanten in ogenschouw heeft genomen. Dat bij de totstandkoming van de beschikking in primo de in bijlage 10 van de concessie voorgeschreven termijnen niet ten volle in acht zijn genomen acht het College, te minder nu van schadelijke effecten aan de zijde van appellanten niet is kunnen blijken, geen reden om het bestreden besluit niet in stand te laten.

6.8 Het College komt dan ook tot de slotsom dat verweerder in het bestreden besluit de aan Hermes verleende goedkeuring zonder appellanten financieel te compenseren heeft kunnen handhaven. Derhalve is het beroep ongegrond.

6.9 Het College acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.

7. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. R.R. Winter, mr. E.R. Eggeraat en mr. E. Dijt, in tegenwoordigheid van mr. S.D.M. Michael als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 20 januari 2011.

w.g. R.R. Winter w.g. S.D.M. Michael