Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BU2018

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-05-2010
Datum publicatie
27-10-2011
Zaaknummer
AWB 10/373
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Voorzieningenrechter

AWB 10/373 10 mei 2010

11201 Gezondheids- en welzijnswet voor dieren

Bestuursdwang

Uitspraak op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak van:

1. A,

2. A,

wonende te C, verzoekers,

gemachtigde: mr. J.A.F. Boor, advocaat te Utrecht,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. J.A. Diephuis, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Bij besluit van 1 maart 2010 heeft verweerders Dienst Regelingen aan verzoeker 1 een last onder bestuursdwang opgelegd wegens verwaarlozing van zijn paarden op grond van de artikelen 36 en 37 van de Gezondheids- en welzijnswet voor dieren (hierna: Gwwd). Verweerder heeft daarbij aangekondigd dat, wanneer de in het besluit vermelde herstelmaatregelen niet voor 9 maart 2010 zijn uitgevoerd, hij zal overgaan tot toepassing van bestuursdwang op kosten van verzoeker 1.

Op 24 maart 2010 heeft verzoeker 1 een bezwaarschrift ingediend tegen dit besluit.

Op 30 maart 2010 heeft verweerders AID de 79 paarden en pony’s van het bedrijf van verzoeker 1 meegevoerd en opgeslagen. Van het meevoeren en opslaan is op 1 april 2010 proces-verbaal opgemaakt als bedoeld in artikel 5:29, tweede lid, Awb, onder nummer TRCAID/2010/0633.

Verzoekers hebben zich bij faxbericht van 1 april 2010 ter zake tot verweerder gericht.

Bij brief van 15 april 2010 hebben verzoekers bij het College een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening primair strekkende tot bepaling dat verweerder de meegevoerde en opgeslagen dieren per ommegaande aan verzoekers afgeeft, onder bepaling van verbeurte van een dwangsom van € 10.000,-- per dag; en

subsidiair: verweerder te verbieden de dieren te verkopen voordat een op deze zaak betrekking hebbend vonnis van de strafrechter of uitspraak van de administratieve rechter in kracht van gewijsde is gegaan, onder verbeurte van een dwangsom van € 100.000,-- per dag indien verweerder dat verbod zou overtreden.

Bij brieven van 19 en 21 april 2010 hebben verzoekers nadere stukken overgelegd.

Verweerder heeft op 26 april 2010 en 3 mei 2010 een schriftelijke reactie ingediend op het verzoek om voorlopige voorziening en (nadere) stukken overgelegd.

Het verzoek om voorlopige voorziening is door de voorzieningenrechter behandeld ter zitting van 6 mei 2010, waar partijen bij monde van hun gemachtigden hun standpunt nader uiteen hebben gezet. Verzoekers zijn ter zitting verschenen en hebben eveneens het woord gevoerd. Voorts is aan de zijde van verweerder het woord gevoerd door D en E, beiden dierenarts in dienst van verweerder, en door F, controleur bij de AID.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In de Gwwd is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 37

Het is de houder van een dier verboden aan een dier de nodige verzorging te onthouden.

Artikel 38

Bij algemene maatregel van bestuur worden voor bij die maatregel aangewezen soorten of categorieën van houders van dieren van bij de maatregel aangewezen soorten of categorieën van dieren regelen gesteld omtrent de verzorging, voedering, drenking, behandeling en het africhten van dieren.

Artikel 106

Onze Minister is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.”

In het Besluit van 16 december 1999, houdende regelen ter zake van het houden, verzorgen en huisvesten van productiedieren (Besluit welzijn productiedieren) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 4

(…)

3. Een dier dat ziek wordt of gewond lijkt, wordt onmiddellijk op passende wijze verzorgd. Wanneer die zorg geen verbetering in de toestand van het dier brengt, wordt zo spoedig mogelijk een dierenarts geraadpleegd.

4. Een dier krijgt een toereikende hoeveelheid gezond en voor de soort en de leeftijd geschikt voeder zodat het in goede gezondheid blijft en aan zijn voedingsbehoeften wordt voldaan.

(….)

Artikel 5

(…)

9. Een voeder- of drinkwaterinstallatie is zo ontworpen, gebouwd en geplaatst dat het gevaar voor verontreiniging van voeder en water, alsmede mogelijke schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen de dieren tot een minimum wordt beperkt.

(…)”

2.2 Bij de beoordeling van het verzoek om voorlopige voorziening gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

- Verzoeker 1 fokt en verhandelt paarden en pony’s en heeft daartoe de beschikking over een bedrijfslocatie met stallen en een weiland (locatie 1), evenals 3 percelen grasland (locaties 2, 3 en 4).

- Op 3 februari 2010 hebben controleurs van de AID, vergezeld van de toezichthoudende dierenarts van de Voedsel en Warenautoriteit (VWA) E, een controlebezoek gebracht aan locatie 1. Hun bevindingen zijn neergelegd in een Toezichtrapport hercontrole GWWD nr. 59786 bij Opsporing nr. 72887.

- De eindconclusie van de op 3 februari 2010 opgestelde diergeneeskundige verklaring luidt:

“Regelmatige controle door AID-VWA blijft nodig. Rantsoen, en hygiëne in de verblijven, zijn onvoldoende. Sinds ons bezoek op 23-12-2009 is 1 paard gestorven en 1 merrie heeft een abortus gehad (Zie meldingen Rendac). De wijze waarop de paarden worden gehouden is nog steeds onvoldoende.”

- Verweerder heeft op 12 februari 2010 aan verzoeker 1 een bevindingenbrief verzonden, met vooraankondiging bestuursdwang. De bevindingen luiden:

“1. Dat op voornoemde datum [toevoeging College: 3 februari 2010] en tijd meerdere stallen ernstig vuil waren en dat de paarden mede hierdoor niet konden beschikken over een droge ligplaats.

2. Dat op voornoemde datum en tijd, niet alle paarden van een kwalitatief en kwantitatief voedselrantsoen worden voorzien, waardoor deze paarden in een slechte tot matige conditie verkeren.

3. Wij zagen niet een voedervoorziening in het land en in de paddock, die zo is ontworpen, gebouwd en geplaatst dat er geen gevaar is voor verontreiniging van voeder, alsmede mogelijke schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen de dieren tot een minimum wordt beperkt. (…) De bevindingen van de controle zijn op 3 februari 2010 met U besproken.”

- Bij besluit van 1 maart 2010 heeft verweerder besloten tot oplegging van een last onder bestuursdwang met het verzoek om voor 9 2010 maart de volgende herstelmaatregelen te treffen:

“1. U dient ervoor zorg te dragen dat alle dieren de beschikking hebben over een geschikte huisvesting en comfortabele ligplaats. De stallen/hokken dient u te voorzien van een dikke laag droog en schoon strooisel. Deze laag dient zodanig dik te zijn dat de dieren continu een schoon en comfortabel droog ligbed hebben dat zich vormt naar het lichaam van de dieren als deze gaan liggen. Daartoe moet u dagelijks de mest verwijderen en voldoende stro bijstrooien. Deze situatie dient u ook in de toekomst te handhaven.

2. U dient permanent zorg te dragen voor een adequate verzorging en huisvesting van zieke/gewonde paarden.

3. U dient bij zieke/gewonde dieren te allen tijde een dierenarts te raadplegen en alle adviezen op te volgen. Deze werkwijze dient u ook in de toekomst, voor alle zieke dieren, te handhaven.

4. U dient de voedervoorziening zodanig te herstellen/aan te passen dat het gevaar voor verontreiniging van het voer, alsmede mogelijke schadelijke gevolgen van rivaliteit tussen de dieren tot een minimum worden beperkt. Deze situatie dient u ook in de toekomst te handhaven.

5. U dient ervoor zorg te dragen dat uw dieren voeder krijgen met tussenpozen die bij hun fysiologische behoefte passen. Bijvoorbeeld door eerder op de morgen te voeren. Deze werkwijze dient u ook in de toekomst, voor alle zieke dieren, te handhaven.

- Op 25, 26, 28, 29 en 30 maart 2010 hebben controleurs van de AID, deels in gezelschap van de toezichthoudende dierenarts, op alle locaties van het bedrijf van verzoeker 1 controles verricht en verslag van hun bevindingen gedaan in voornoemd Toezichtrapport. In de verklaring naar aanleiding van de rondgang op 30 maart 2010 langs alle bedrijfslocaties vermeldt de dierenarts E onder meer:

“Met F [toevoeging College: controleur AID] start ik om 8.30 met het bezoeken van de paarden en pony’s in de weilanden aan de G, H en I [toevoeging College: achtereenvolgens de locaties 4, 2 en 3]. F zegt dat hij deze locaties ook heeft bezocht op 25-3, 28-3 en 29-3. Hij zegt dat op deze dagen geen bijvoer in deze weilanden was. Er waren slechts oude voederresten te zien geweest. (…) Er staan magere en zeer magere paarden in de weilanden. Er is geen bijvoer. Ik zeg dat ik de situatie zeer onvoldoende vind en dat sprake is van een verslechtering sinds 3-2-2010.”

- Op 30 maart 2010 heeft verweerder de op 1 maart 2010 gegeven last onder bestuursdwang ten uitvoer gelegd door de 79 paarden en pony’s van het bedrijf van verzoeker 1 mee te voeren en onder te brengen op een opvanglocatie. Van het meevoeren en opslaan is zoals vermeld in rubriek 1 op 1 april 2010 proces-verbaal opgemaakt.

- Op 30 maart 2010 heeft de lokale dierenarts J in opdracht van verweerder een diergeneeskundig onderzoek gedaan naar de conditie van de paarden en pony’s bij de inbewaringneming en zijn bevindingen op 9 april 2010 in een verslag neergelegd. Vermeld is onder meer:

“(…) erg slechte voedingstoestand, vooral jonge dieren die nog moeten groeien. Veel graatmagere paarden, zie foto’s door AID genomen en foto’s van huidige stalhouder. (…) Een dag na aankomst op het bedrijf is er al een paard overleden waarschijnlijk door een combinatie van ondervoeding, vervoer en ontwormen. Dit paard had totaal geen enkele weerstand door de chronische ondervoeding.”

- De uitslag van een op verzoek van verweerder door de Gezondheidsdienst voor Dieren opgemaakt sectierapport van het op 31 maart 2010 op de opvanglocatie overleden paard met chipnummer * luidt:

“Ziekteverschijnselen: Verwaarlozing. Uitslag: Ernstige vermagering. Geen besmettelijke oorzaak vastgesteld. Toelichting: Het dier verkeert in een slechte voedingstoestand. In de staart en op de huid van de achterbenen en de buikzijde bevindt zich ingedroogde mest. Er zijn geen aanwijzingen voor ectoparasieten. Er zijn geen afwijkingen aan de hoeven.”

- Op 13 april 2010 heeft dierenarts K op verzoek van verzoeker 1 de in bewaring genomen paarden bij de opslaglocatie bezocht en tevens een bezoek gebracht aan de (lege) stallen van verzoeker op de bedrijfslocatie. Zijn bevindingen heeft K op schrift gesteld, waarin onder meer is verklaard:

“(…) De meeste paarden liepen los en waren dus ook niet klinisch te onderzoeken. (…) Derhalve hebben we de meeste paarden los in de wei beoordeeld, ik denk dat we er in geslaagd zijn een redelijk oordeel over de dieren te vellen. (…) Er waren drie paarden op de totale koppel van 78 dieren die duidelijk te mager waren. Over de oorzaak kan ik alleen maar dit zeggen, dat nader onderzoek noodzakelijk is, om er achter te komen of de dieren ergens lijdend aan zijn. Ook waren er twee paarden met huidproblemen. (….) De conditie van de overige paarden was als goed te beoordelen. Uitgezonderd de twee paarden met huidproblemen zag de rest van de koppel er goed glanzend uit. (…) Derhalve durf ik met een gerust hart te verklaren, dat het hier niet ging om een verwaarloosde koppel paarden.”

- Dierenarts J heeft van zijn bezoek aan de opvanglocatie op 20 april 2010 schriftelijk verslag gedaan. Vermeld is onder meer:

“heden alle paarden bekeken totaal 78. De merries die drachtig zijn staan er goed voor. (…) Het verschil met de conditie bij aankomst is spektakulair te noemen.”

- Bij brief van 22 april 2010 heeft verweerder verzoeker 1 in kennis gesteld van de voorwaarden voor teruggave van de paarden, welke overeenkomen met de op 1 maart 2010 aangezegde herstelmaatregelen. Daarnaast behelst de brief de voorwaarde dat de dieren voldoende moeten zijn hersteld om te kunnen worden teruggegeven en dat alle kosten van bestuursdwang vooraf moeten zijn voldaan.

- Bij brief van 23 april 2010 heeft verzoeker 1 geantwoord vooralsnog niet tot betaling bereid te zijn, omdat de inbewaringneming op grond van artikel 37 Gwwd niet was gerechtvaardigd.

3. Het standpunt van verzoekers

Verzoekster 2, de dochter van verzoeker 1, houdt als hobby paarden en pony’s die zij deels van haar ouders heeft gekregen, deels zelf heeft gefokt of aangekocht volgens aan het verzoekschrift toegevoegde lijst. Ten aanzien van deze dieren was niet de AID, maar de Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming (LID) bevoegd op te treden.

De inbewaringneming en het opslaan van de dieren op 30 maart 2010 is ten onrechte niet in een besluit vastgelegd. Van spoedeisendheid was geen sprake. Nu de last tot bestuursdwang niet artikel 5:29 Awb vermeldt is de meevoering onrechtmatig.

Het besluit bestuursdwang is gegrond op de artikelen 36 en 37 van de Gwwd, maar het proces-verbaal meevoeren vermeldt alleen artikel 37 Gwwd.

Verzoekers hebben contra-expertise verklaringen overgelegd van o.a. een dierenarts, een gepensioneerde Hoofdinspecteur van de Rijksrecherche tevens paardenpaspoortconsulent, evenals een taxatierapport van een door hen ingeschakelde taxateur, uit welk rapport blijkt dat geen sprake is van verwaarlozing en welzijnsproblemen. Integendeel, verzoekers runnen een keurig bedrijf, zoals wordt bevestigd door de door verzoekers overgelegde foto’s. De onderhavige problematiek is te wijten aan een prestige strijd van de AID en geeft blijk van machtmisbruik. Het in bewaring nemen van de paarden is disproportioneel en richt verzoekers geestelijk en economisch te gronde. Gewezen wordt op onjuistheden in het taxatierapport van verweerder en op het grote verschil in getaxeerde waarde in vergelijking met de uitkomst van de contrataxatie in opdracht van verzoekers. Op alle door de AID bezochte locaties konden de paarden gras eten, waar ze ook werden bijgevoerd. Omdat de paarden op 25 maart 2010 voor het eerst het land in gingen moesten ze eerst uithollen, alvorens te worden gevoederd. Vooraf waren alle paarden ontwormd. Omdat verweerder op 30 maart 2010 de paarden wederom heeft ontwormd is er één gestorven.

Verzoekers betwisten de juistheid van de voorlopige opgave door verweerder van de kosten van het transport ten behoeve van de inbewaringneming, inclusief het onnodig ontwormen en kappen van de paarden. Verzoekers vragen schorsing van de beschikking op grond waarvan verweerder kosten in rekening mag brengen en ontkennen dat zij gehouden zijn tot betaling, omdat niet bewezen is dat sprake is van verwaarlozing of het onthouden van de nodige verzorging.

4. Het standpunt van verweerder

In het besluit van 1 maart 2010 heeft verweerder de bevindingen van de hercontrole op 3 februari 2010 van locatie 1 van het bedrijf van verzoeker 1 weergegeven en op grond daarvan besloten tot oplegging van de last onder bestuursdwang. Tevens is bijgevoegd de verklaring van de VWA-dierenarts. Volgens verweerder is de situatie op het bedrijf van verzoeker 1 al langer zorgelijk, zoals blijkt uit controles van de AID in december 2009, waarbij twee paarden zijn weggevoerd. De bezwaarprocedure betreffende de toepassing van bestuursdwang in december 2009 is nog niet geëindigd in een beslissing op bezwaar. Verzoeker is herhaaldelijk gewaarschuwd dat de wijze waarop de paarden worden gehouden uit welzijnsoogpunt onvoldoende is. Verzoeker ontkent de problemen.

Volgens de verklaring van de VWA-dierenarts van 26/28 april [toevoeging College: bedoeld is maart] 2010 zijn er vele – en niet enkele – magere paarden aangetroffen. Bovendien heeft de dierenarts op 26 april [toevoeging College: bedoeld is maart] 2010 in een weiland oud, muf en schimmelig hooi, bruin en muf stro, en stinkende rotte aardappelen aangetroffen. Het perceel was kaal en zat voor een kwart onder de mest. Een ander weiland was eveneens kaal. In verse ponymest heeft zij bloedwormen aangetroffen, waarvan minstens één levende. In de dierenartsverklaring van 9 april 2010 over de situatie op 30 maart 2010 wordt geconcludeerd dat de paarden voor het merendeel een slechte tot zeer slechte conditie hebben en dat de oorzaak daarvoor allereerst is gelegen in een onvoldoende rantsoen en verder in slechte hygiëne en (niet behandelde) worminfecties. Deze conclusie wordt door een tweede dierenarts bevestigd. Bij aankomst hadden 26 dieren een body index score van 1 (zeer mager), 32 dieren een score van 2 (mager) en 21 dieren een score van 3 (normaal). In categorie 3 zaten mede de drachtige paarden, wat het beeld vertekent. Dit betekent dat het overgrote deel zeer mager of mager was. De dierenarts K heeft de dieren pas gezien nadat zij twee weken bij de opslaghouder waren verzorgd. Daarnaast is zijn verklaring globaal en weinig zeggend.

Verweerder benadrukt dat minder verstrekkende maatregelen niet mogelijk zijn geweest. Het is geen optie om min of meer permanent toezicht op het bedrijf te houden. Men wil de problemen nu eenmaal niet onder ogen zien. Uit de dierenartsverklaring van 30 maart 2010, de lage bodyconditiescores en de foto’s van de paarden bij aankomst, blijkt in welke slechte staat de paarden op 30 maart 2010 bij de bewaarneming zijn aangekomen. Dat de dierenartsverklaring van 20 april 2010 gewag maakt van een spectaculaire verbetering van de conditie van de paarden is louter het gevolg van adequate verzorging. Verweerder is van mening dat het besluit van 1 maart 2010 terecht is genomen en verzoekt het verzoek om voorlopige voorziening af te wijzen.

5. De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 19, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:81 van de Awb kan, hangende de beslissing op bezwaar en indien van de beslissing daarop beroep bij het College openstaat, de voorzieningenrechter van het College een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, zulks vereist.

De voorzieningenrechter overweegt dienaangaande het volgende.

Met betrekking tot het spoedeisend belang staat vast dat de huisvestingskosten van de paarden en pony’s op de plaats van opvang meer dan € 1000,-- per dag bedragen en dat de (door verweerder) getaxeerde waarde van de dieren gering is, met als gevolg dat verkoop van de dieren met toepassing van artikel 5:30, tweede lid, Awb in het verschiet ligt. Op grond hiervan is sprake van voldoende spoedeisend belang.

Verweerder heeft na eerdere bedrijfsbezoeken in december 2009, waarvan in het besluit van 1 maart 2010 melding wordt gemaakt, op 3 februari 2010 in gezelschap van de toezichthoudende dierenarts een controlebezoek op het bedrijf (bedrijfslocatie 1) van verzoeker 1 afgelegd en vastgesteld dat de wijze waarop daar paarden werden gehouden (nog steeds) onvoldoende was. Na bespreking van de bevindingen met verzoeker 1 heeft verweerder deze vastgelegd in een bevindingenbrief van 12 februari 2010 en aan verzoeker een vooraankondiging bestuursdwang gedaan. Daarna is bij het door verzoeker 1 in bezwaar bestreden besluit de last onder bestuurswang opgelegd, waarbij verzoeker de gelegenheid is gegeven een aantal herstelmaatregelen nemen om tenuitvoerlegging van de last te voorkomen. Toen tijdens bedrijfscontroles gehouden in de periode van 25 tot 30 maart 2010 gebleken was dat aan deze herstelmaatregelen geen van alle genoegzaam gevolg was gegeven, is verweerder overgegaan tot tenuitvoerlegging van de op 1 maart 2010 opgelegde last.

De voorzieningenrechter is voorshands van oordeel dat het besluit tot oplegging van de last onder bestuursdwang op goede gronden is genomen en dat in het proces-verbaal van 1 april 2010 terecht is geconstateerd dat verzoeker 1 de afspraken met betrekking tot de verzorging van de op zijn bedrijf aanwezige paarden en pony’s niet (tijdig) is nagekomen. Verweerders AID heeft hieruit geconcludeerd dat verzoeker 1 de paarden de nodige verzorging heeft onthouden en daarmee artikel 37 Gwwd vermoedelijk heeft overtreden. De aanvankelijk gestelde (vermoedelijke) overtreding van artikel 36 Gwwd is daarbij niet gehandhaafd.

Gelet op de stukken en het verhandelde ter zitting stelt de voorzieningenrechter thans vast dat verzoeker 1 de uit artikel 37 Gwwd voor hem voortvloeiende gedragsvoorschriften niet heeft nageleefd, en een maatregel gericht op herstel van de rechtmatige situatie derhalve geboden was. Die maatregel heeft verweerder met gebruikmaking van de hem in artikel 106 Gwwd gegeven bevoegdheid genomen. De oplegging van deze last onder bestuursdwang voldoet aan de daaraan te stellen eisen. Verweerder heeft daarbij de voorschriften van de artikelen 5:21 en 5:24 Awb in acht genomen. Het argument van verzoekers dat verweerder alvorens tot tenuitvoerlegging van de last over te gaan, een nader besluit had moeten nemen, faalt. Immers, artikel 5:21 Awb impliceert de bevoegdheid om feitelijk op te treden, als de last niet of niet tijdig wordt uitgevoerd. Evenmin is vereist dat het besluit tot oplegging van de last onder bestuursdwang specifiek naar de in artikel 5:29 Awb genoemde mogelijkheid van het meevoeren en opslaan van zaken verwijst. Overigens wordt dit wetsartikel wel volledig geciteerd in het wettelijk kader in de Bijlage bij het bestreden besluit.

De oplegging en uitvoering van de last onder bestuursdwang is voorshands ook niet disproportioneel te noemen. Het overgrote deel van de paarden en veulens op het bedrijf van verzoeker 1 had een bodyscore mager tot zeer mager, hetgeen de conclusie rechtvaardigt dat hun het nodige voedsel was onthouden, terwijl hun voedervoorziening en leefomstandigheden ook overigens niet aan de daaraan te stellen eisen voldeden. Hetgeen verweerders dierenartsen over de toestand van de drachtige merries hebben gesteld, komt de voorzieningenrechter voorts niet onaannemelijk voor. Voldoende aannemelijk is dat verzoeker 1 (bij herhaling) heeft nagelaten een dierenarts te consulteren voor zijn zieke dieren, alsook voor de miskramen en verwerping van een aantal drachtige merries op zijn bedrijf het afgelopen jaar. Volgens verklaring van verzoeker 1 achtte hij consulteren van een dierenarts niet nodig omdat voor hem de oorzaak van de miskramen en verwerping voldoende vaststond. De voorzieningenrechter overweegt in dit verband dat uit de stukken en ook ter zitting herhaaldelijk het door verweerder geschetste beeld wordt bevestigd dat verzoeker 1 de ernst van de situatie niet onder ogen ziet, zodat meevoeren en opslaan van de dieren voorshands de enige oplossing was. Gelet op de houding van verzoeker 1 bestond - en bestaat ook thans - weinig uitzicht op verbetering van de situatie.

Aan dit oordeel doet de in opdracht van verzoeker 1 opgestelde verklaring van de dierenarts K niet af, nu deze de dieren pas twee weken na het meevoeren heeft gezien en hun conditie inmiddels was verbeterd. De overige door verzoeker ingebrachte verklaringen schetsen evenmin een beeld van de situatie ten tijde in geding.

Los daarvan staat het kostenverhaal, waartoe verweerder terecht heeft besloten, nu niet is gebleken dat de kosten redelijkerwijs niet ten laste van verzoeker 1 behoren te komen. Zijdens verweerder is ter zitting bevestigd dat daarover nog een aparte beschikking zal worden genomen, zodat hieraan in deze procedure kan worden voorbijgegaan.

Ten slotte overweegt de voorzieningenrechter dat verweerder in de beslissing op bezwaar nader aandacht zal moeten besteden aan de (proces)positie van verzoekster 2. De procedure in kort geding leent zich niet voor een diepgaand onderzoek ter zake. Verweerder zal bij de beslissing op bezwaar moeten onderzoeken of verzoekster 2 als mede-overtreder moet worden aangemerkt en/of als mede-adressaat van de aan verzoeker 1 opgelegde last onder bestuursdwang kan worden beschouwd en of zij (ook) rechthebbende op het gebruik van de zaak is als bedoeld in artikel 5:24, derde lid, Awb. De voorzieningenrechter ziet evenwel geen aanleiding om de paarden die beweerdelijk aan verzoekster 2 toebehoren - maar mede op het bedrijf van verzoeker 1 werden gehouden - voor de toepassing van de maatregel te onderscheiden van de andere op het bedrijf aanwezige paarden.

De slotsom moet zijn dat verweerder terecht tot oplegging en uitvoering van de last onder bestuursdwang is gekomen, zodat het verzoek moet worden afgewezen.

Voor een veroordeling van verweerder in de proceskosten op de voet van artikel 8:75 Awb vindt de voorzieningenrechter geen aanleiding.

6. De beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Allus gewezen door mr. F. Stuurop, in tegenwoordigheid van mr. A. Bruining als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 mei 2010.

w.g. F. Stuurop w.g. A. Bruining