Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BP0451

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
10-11-2010
Datum publicatie
11-01-2011
Zaaknummer
AWB 09/772
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/772 10 november 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: C, zoon van appellant,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. D.L. Hoogenkamp, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft verweerder afwijzend beslist op de aanvraag van appellant om bedrijfstoeslag voor het jaar 2008 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling).

Bij besluit van 17 maart 2009 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant tijdig beroep ingesteld bij verweerder. Het beroepschrift is door verweerder met toepassing van artikel 6:15, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) doorgezonden aan het College.

Bij brief van 23 juni 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 3 juli 2009 heeft appellant nadere gronden ingediend en daarbij enkele stukken toegevoegd.

Bij brief van 29 juli 2009 heeft verweerder een nader verweerschrift ingediend.

Bij brieven van 2 augustus 2009 en 16 september 2009 heeft appellant gereageerd op het nadere verweer, respectievelijk een nader stuk ingediend.

Op 25 augustus 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen zijn vertegenwoordigd door hun gemachtigden.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Verweerder heeft de aanvraag van appellant om bedrijfstoeslag op grond van de Regeling voor het jaar 2008 afgewezen. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant hiertegen ongegrond verklaard. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat appellant, gelet op de artikelen 11, tweede lid, 12, eerste lid, en 21, eerste lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004, tot uiterlijk 15 mei 2008 de mogelijkheid had om een Gecombineerde opgave met de daarbij behorende stukken in te dienen teneinde aanspraak te maken op uitbetaling van zijn toeslagrechten. Vanaf die datum geldt een kortingsperiode tot en met 9 juni 2008.

Verweerder heeft appellants Gecombineerde opgave 2008 ontvangen op 14 mei 2008 zonder de voor de beoordeling van de aanvraag benodigde bedrijfskaart en het overzicht gewaspercelen. De verzamelaanvraag van appellant bevatte dan ook onvoldoende gegevens om te kunnen bepalen of appellant voldeed aan de voorwaarden voor uitbetaling van de bedrijfstoeslag 2008. Daarom moest de aanvraag om bedrijfstoeslag worden afgewezen.

In het verweerschrift heeft verweerder hieraan toegevoegd dat hij op 30 juli 2008 weliswaar alsnog het overzicht gewaspercelen en de bedrijfskaart van appellant heeft ontvangen, maar dat deze gegevens na 9 juni 2008 en derhalve te laat zijn ingediend.

2.2 Appellant heeft in beroep, samengevat weergegeven, het volgende aangevoerd.

Verweerder heeft appellant niet tijdig de juiste topografische bedrijfskaart - met hierop de percelen die hij wilde opgeven voor uitbetaling van zijn toeslagrechten - gezonden, zelfs niet nadat appellant hierover telefonisch contact had opgenomen met een medewerker van verweerders Dienst Regelingen. Dat appellant de juiste bedrijfskaart niet tijdig heeft ingediend bij zijn aanvraag om bedrijfstoeslag kan hem dan ook niet worden verweten. Verweerder beschikte bovendien wel tijdig over een door appellant zelf vervaardigde kadastrale kaart met hierop aangegeven de betreffende percelen. Deze kadastrale kaart is bij eerdere aanvragen wel geaccepteerd door verweerder, zodat appellant er van uit mocht gaan dat deze ook voldoende was voor de onderhavige aanvraag. Daarnaast heeft verweerder appellant pas op 17 juli 2008 op de hoogte gesteld van het feit dat de kadastrale kaart, anders dan in 2007, niet werd geaccepteerd, zodat appellant de bedrijfskaart niet meer op tijd kon indienen. Dit klemt te meer nu appellant reeds in zijn aanvraag had vermeld dat de correcte topografische kaart niet was bijgeleverd door het LNV-loket.

2.3 Het College overweegt dat Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie onder meer voorschriften bevat met betrekking tot de inhoud van de verzamelaanvraag, die onderdeel uitmaakt van de Gecombineerde opgave. Deze aanvraag moet volgens artikel 12, eerste lid, aanhef en onder d, van de Verordening alle gegevens bevatten die nodig zijn om te bepalen of aanspraak op de steun kan worden gemaakt, en in het bijzonder de voor de identificatie van alle percelen landbouwgrond van het bedrijf benodigde gegevens, zoals de oppervlakte van deze percelen, de ligging ervan en het grondgebruik op die percelen. Volgens het derde lid van artikel 12, voor zover thans van belang, worden op het grafische materiaal dat aan de landbouwer wordt bezorgd, de grenzen en de unieke identificatie van de referentiepercelen aangegeven en geeft de landbouwer daarop de ligging van elk perceel landbouwgrond aan.

2.4 Naar het oordeel van het College brengt een zorgvuldige voorbereiding van een beslissing op een aanvraag om bedrijfstoeslag met zich dat verweerder, indien niet alle voor de beoordeling van de aanvraag benodigde gegevens zijn bijgevoegd, de aanvrager tijdig in de gelegenheid stelt om die gegevens alsnog binnen een redelijke termijn te verstrekken. Dit oordeel ligt in lijn met hetgeen de wetgever tot uitgangspunt heeft genomen bij de totstandkoming van artikel 4:5 Awb. In dat artikel is geregeld dat een bestuursorgaan kan besluiten een ongenoegzame aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen. In de Memorie van Toelichting (Kamerstukken II 1988-1989, 21 221, nr. 3, blz. 91) is gesteld dat deze bepaling aansluit bij de jurisprudentie. Daarbij zijn ter illustratie twee concrete uitspraken van de voormalige Afdeling rechtspraak van de Raad van State genoemd, waarin is geoordeeld dat een zorgvuldige voorbereiding van een beslissing op een aanvraag voor een bouwvergunning met zich brengt dat de aanvrager, nu niet alle voor een beoordeling van de aanvraag noodzakelijk geachte tekeningen e.d. waren overgelegd, in de gelegenheid diende te worden gesteld om de bescheiden binnen een redelijke termijn te completeren. Dit wijst erop dat de wetgever heeft aangenomen dat de in het eerste lid van artikel 4:5 Awb neergelegde eis dat de aanvrager door het bestuursorgaan in de gelegenheid moet zijn gesteld om een ongenoegzame aanvraag aan te vullen zich in het algemeen, buiten de context van de in dat artikel geregelde wijze van vereenvoudigde afdoening van een aanvraag, reeds in de rechtspraak had afgetekend als uitvloeisel van het zorgvuldigheidsbeginsel.

Vast staat dat de door verweerder op 14 mei 2008 ontvangen Gecombineerde opgave 2008 geen volledige aanvraag om vaststelling van bedrijfstoeslag bevatte. Bij die aanvraag ontbraken immers enkele voor de vaststelling van de aanspraak op bedrijfstoeslag essentiële gegevens, te weten het overzicht gewaspercelen waarop staat aangegeven welke percelen appellant in gebruik heeft, welk gewas er op staat en welke oppervlakte voor de toeslagrechten geldt, alsmede de bedrijfskaarten met daarop de exacte ligging van de percelen die appellant voor de uitbetaling van zijn toeslagrechten wenste te benutten. Verweerder kon de aanvraag zonder deze gegevens niet beoordelen.

2.5 Nu de aanvraag niet voldeed aan hetgeen daaromtrent in Verordening (EG) 796/2004 is voorgeschreven had verweerder naar het oordeel van het College na de ontvangst van die aanvraag aanleiding moeten zien om appellant in de gelegenheid te stellen de ontbrekende gegevens alsnog aan te leveren. Hiervoor bestond temeer aanleiding nu appellant op het aanvraagformulier had aangegeven dat de bedrijfskaart kaart niet bij het aanvraagmateriaal was gevoegd, en dat hij daarom een kadastrale kaart had bijgesloten.

In de enkele omstandigheid dat voor de indiening van de verzamelaanvraag strikte termijnen gelden ziet het College geen grond voor de conclusie dat verweerder appellant vorengenoemde herstelmogelijkheid niet had hoeven bieden. Door op de aanvraag te beslissen zonder appellant eerst de gelegenheid te hebben geboden om de aanvraag te completeren heeft verweerder gehandeld in strijd met het in artikel 3:2 Awb neergelegde zorgvuldigheidsbeginsel. Hieruit volgt dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit dient te worden vernietigd.

2.6 Deze gevolgtrekking kan er evenwel niet toe leiden dat appellant alsnog in aanmerking komt voor bedrijfstoeslag. Uit de van toepassing zijnde bepalingen van Verordening (EG) nr. 796/2004, te weten artikel 11, tweede lid, in verbinding met artikel 21, eerste lid, volgt immers dat de verzamelaanvraag uiterlijk op 15 mei moest worden ingediend. Na het verstrijken van die datum moest, behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden, waarvan in dit geval niet is gebleken, een verlaging van 1% per werkdag worden toegepast op de bedragen waarop de landbouwer recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend. Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag echter afgewezen, zo is voorgeschreven in de laatste volzin van artikel 21, eerste lid. De Europese regelgeving liet verweerder derhalve geen ruimte om de aanvraag (gedeeltelijk) in te willigen nadat de kortingsperiode was verstreken.

Het College ziet hierin aanleiding om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten.

2.7 Nu niet is gebleken van voor vergoeding in aanmerking komende proceskosten bestaat er geen aanleiding om artikel 8:75 Awb toe te passen.

3. De beslissing

Het College:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;

- bepaalt dat verweerder aan appellant het door appellant betaalde griffierecht ten bedrage van € 150,-- (zegge: honderdvijftig

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. C.M. Leliveld als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 10 november 2010.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. C.M. Leliveld