Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BO8034

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-02-2010
Datum publicatie
20-12-2010
Zaaknummer
AWB 08/197
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/197 17 februari 2010

20020 Wet op de Registeraccountants

Raad van tucht Den Haag

Uitspraak in de zaak van:

A RA, kantoorhoudend te B, appellant van een beslissing van de raad van tucht voor registeraccountants en Accountants-Administratieconsulenten te Amsterdam (hierna: de raad van tucht), gewezen op 14 januari 2008.

1. De procedure

Bij brief, gedateerd 15 januari 2008, heeft de raad van tucht appellant afschrift toegezonden van evenvermelde beslissing, gegeven op een klacht, op 21 juli 2006 door C (hierna: klager) ingediend tegen A RA.

Bij een op 14 maart 2008 ingediend beroepschrift heeft appellant tegen die beslissing beroep bij het College ingesteld.

De raad van tucht heeft bij brief van 13 mei 2008 de stukken als bedoeld in artikel 53 Wet op de Registeraccountants (hierna: Wet RA) doen toekomen aan de griffier van het College.

Bij brief van 12 juni 2008 heeft klager twee stukken in het geding gebracht en op het beroepschrift gereageerd.

Op 22 oktober 2009 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en klager hun standpunten hebben toegelicht.

2. De beslissing van de raad van tucht

Bij de bestreden tuchtbeslissing heeft de raad van tucht de klacht gegrond verklaard wat betreft de onderdelen A t/m D en terzake aan appellant de maatregel van schorsing als registeraccountant opgelegd voor de duur van drie maanden. Onderdeel E van de klacht is ongegrond verklaard.

Ter zake van de formulering van de klacht door de raad van tucht, de beoordeling van deze klacht en de daarbij in aanmerking genomen feiten en omstandigheden wordt verwezen naar de inhoud van de bestreden tuchtbeslissing, die in afschrift aan deze uitspraak is gehecht en als hier ingelast wordt beschouwd.

3. De beoordeling van het beroep

3.1 Appellant heeft vijf grieven opgeworpen tegen het oordeel van de raad van tucht, vier gericht tegen de klachtbeoordeling door de raad van tucht en één tegen de opgelegde maatregel.

Deze grieven zal het College achtereenvolgens bespreken.

3.2 Met zijn eerste grief richt appellant zich tegen het oordeel van de raad van tucht dat het door appellant opgemaakte rapport van bevindingen van 16 augustus 2004 een deugdelijke grondslag ontbeert.

3.2.1 Allereerst betoogt appellant dat de raad van tucht in overweging 5.1. ten onrechte heeft vastgesteld dat appellant de balansen over de jaren 2000 en 2001 niet in zijn onderzoek heeft betrokken. Daartoe stelt appellant dat de raad van tucht geen kennis heeft genomen van het werkdossier van appellant en de stukken die hij in het kader van het onderzoek heeft geraadpleegd. Aldus ontbreekt het bewijs dat appellant de balansen niet heeft gecontroleerd. Appellant is overigens van mening dat voor het door hem verrichte controleonderzoek van de staten van baten en lasten het raadplegen van de balansen niet nodig was. Appellant heeft ter verkrijging van een deugdelijke grondslag voor zijn afkeurende accountantsverklaringen bij de staat van baten en lasten 2001 gebruik gemaakt van een werkprogramma volgens een model dat beschikbaar is gesteld door SRA (Samenwerkingsverband Registeraccountants en Accountants Administratieconsulenten) en waarin geen melding wordt gemaakt van het onderzoeken van de balansen. Hij heeft dit werkprogramma met de hem ter beschikking staande gegevens uitgevoerd en met name ook kennis genomen van huurcontracten en aktes, zodat de conclusie van de raad van tucht dat appellant niet meer heeft gedaan dan een onderzoek doen naar hem ter beschikking gestelde financiële informatie, niet juist is.

Met verwijzing naar overweging 5.2. van de uitspraak van de raad van tucht betoogt appellant dat zijn onderzoek niet een persoonsgericht onderzoek is, zodat hij niet gehouden was hoor en wederhoor toe te passen op zijn bevindingen. De conceptjaarstukken waren onderwerp van onderzoek. Deze stukken waren niet ondertekend zodat hij niet kon vaststellen dat deze door klager waren samengesteld. Het controleonderzoek was niet gericht op klager. Bovendien zou het horen van klager niets meer kunnen toevoegen aan de reeds aanwezige deugdelijke grondslag van de verklaring van appellant, gezien de werkzaamheden die appellant in het kader van het voornoemde werkprogramma heeft uitgevoerd.

Het College overweegt als volgt.

3.2.2 Ingevolge artikel 11 Verordening Gedrags- en beroepsregels registeraccountants 1994 (hierna: GBR-1994) doet de registeraccountant slechts mededelingen omtrent de uitkomst van zijn arbeid voor zover zijn deskundigheid en de door hem verrichte werkzaamheden daarvoor een deugdelijke grondslag vormen, en draagt hij er zorg voor dat zijn mededelingen een duidelijk beeld geven van de uitkomsten van zijn arbeid. Dit voorschrift heeft tevens betrekking op de zorgvuldigheid die in acht moet worden genomen bij de voorbereiding van een document, bevattende de uitkomst van de arbeid van een registeraccountant, zoals een door hem opgesteld rapport.

Blijkens het gestelde in de aanhef van het rapport van bevindingen van 16 augustus 2004 heeft appellant een opdracht aanvaard van D tot het verrichten van een onderzoek naar “de volledigheid van de opbrengsten en naar de rechtmatigheid van de kosten blijkend uit de transacties, documenten en juridische titels die zijn vastgelegd in de administratie in ruime zin en de boekhouding in het bijzonder die u over het jaar 2001 door de heer C ter beschikking zijn gesteld met betrekking tot de exploitatie van de onroerende zaken staande en gelegen aan (…) waarvan u en de heer C gezamenlijk eigenaren waren”. Appellant heeft in zijn rapport op meerdere plaatsen vermeld dat de door hem onderzochte documenten onvolledig danwel deels onleesbaar waren, discrepanties vertoonden en/of de daarin vervatte gegevens niet onderbouwd waren. Voorts beschikte appellant slechts over de staat van baten en lasten uit de conceptjaarstukken met betrekking tot het jaar 2001. Appellant heeft zijn onderzoek als een controleonderzoek betiteld en heeft een afkeurende verklaring afgegeven.

Het College stelt vast dat appellant geen hoor en wederhoor heeft toegepast bij klager, die verantwoordelijk was voor de opgestelde stukken en evenmin bij hem navraag heeft gedaan naar de ontbrekende (passages uit) de aanwezige documenten. Evenmin heeft appellant een concept van zijn bevindingen aan klager voorgelegd alvorens hij zijn rapport heeft uitgebracht.

Het College volgt het oordeel van de raad van tucht dat het rapport een deugdelijke grondslag ontbeert. Daartoe overweegt het College dat gelet op de aard en inhoud van het uitgebrachte rapport en de verstrekkende conclusie ervan, appellant zich niet had mogen beperken tot het onderzoek van de (gebrekkige) gegevens die hem door zijn opdrachtgever ter beschikking waren gesteld. Het College is van oordeel dat niet kan worden staande gehouden - zoals door appellant bij het College is betoogd - dat hij niet op de hoogte was van het feit dat klager verantwoordelijk was voor het beheer, de administratie en de opstelling van de (concept)jaarstukken terzake van de exploitatie van de onroerende zaken die onderwerp van het onderzoek van appellant vormden. Immers, onder punt 4 van de bevindingen in het rapport maakt appellant daar zelf melding van. Gelet op de directe betrokkenheid van klager bij de handelingen die het voorwerp vormen van het onderzoek waarvan de bevindingen in het rapport zijn neergelegd en het hiervoor weergegeven karakter van het rapport, in samenhang met de omstandigheid dat appellant over onvolledige en gebrekkige gegevens beschikte, zoals hij zelf had geconstateerd, is het College van oordeel dat appellant zich tot klager had moeten wenden om de voor het onderzoek noodzakelijke bescheiden te verkrijgen. Aan dit oordeel doet niet af de stelling van appellant dat hij het uitgesloten acht dat de uitkomst van zijn onderzoek onjuist zou zijn, omdat hij gebruik heeft gemaakt van een standaard werkprogramma in combinatie met de hem door de opdrachtgever ter beschikking gestelde gegevens.

Appellant miskent dat hij zelf verantwoordelijk is voor de vaktechnisch deugdelijke grondslag van zijn rapport en als blijkt dat hij bij het onderzoek naar de financiële verantwoording van het door klager in gemeenschappelijk familiebezit beheerde onroerend goed stuit op lacunes in de administratie, dient hij zich alsnog van de relevante gegevens te voorzien of daartoe pogingen in het werk te stellen in plaats van conclusies aan niet vergaarde feiten te verbinden. Zo had het op zijn minst op de weg van appellant gelegen om bij klager als direct verantwoordelijke voor het financiële beheer van het onroerend goed nader te informeren en hem te horen over het ontstane beeld, alvorens een rapport van deze aard en met deze inhoud uit te brengen. Vanwege dit verzuim heeft appellant in strijd gehandeld met artikel 11 van de GBR-1994.

3.3 Met zijn tweede grief stelt appellant zich te weer tegen het oordeel van de raad van tucht dat het rapport van appellant blijk geeft van vooringenomenheid en partijdigheid. Appellant wijst hierbij op het feit dat hij bij het uitbrengen van zijn rapport een bijzonder belang vertegenwoordigde, namelijk dat van zijn opdrachtgever en dat hij hiervan in zijn rapport melding heeft gemaakt. Daarmee heeft appellant naar zijn mening voldaan aan artikel 9, tweede lid, van de GBR-1994.

Het College stelt voorop dat niet in geschil is dat betrokkene met het uitbrengen van het bovengenoemde rapport een bijzonder belang als genoemd in artikel 9, tweede lid, van de GBR-1994, diende. Dit laat evenwel onverlet dat een registeraccountant steeds is gehouden tot onpartijdige oordeelsvorming. Deze norm, neergelegd in artikel 9, eerste lid, GBR-1994, vergt in een situatie waarin hij een bijzonder belang vertegenwoordigt dat de accountant objectiviteit dient te betrachten bij zijn werkzaamheden waar het betreft de vast te stellen feiten en het geven van overwegingen.

Aan die opstelling heeft het appellant ontbroken. Het College onderschrijft de conclusie van partijdigheid die de raad van tucht heeft verbonden aan de uit het rapport van appellant aangehaalde passages. Deze geven blijk van een vooringenomen opstelling van appellant, waarbij aangetroffen discrepanties in de huuropbrengsten, ontbrekende bankafschriften en doorhalingen stelselmatig worden uitgelegd in het nadeel van klager en zonder dat enige poging wordt ondernomen om na te gaan of de ongefundeerde verdenking van appellant terecht is.

Het College is dan ook van oordeel dat appellant in strijd heeft gehandeld met artikel 9, eerste lid, van de GBR-1994. De grief faalt.

3.4. De derde grief strekt ten betoge dat de raad van tucht ten onrechte heeft geoordeeld dat appellant artikel 5 GBR 1994 heeft overtreden. Appellant wijst erop dat hij nimmer het woord fraudeur in zijn rapport heeft gebruikt en dat het de raad van tucht niet vrij staat zijn rapport anders te interpreteren dan naar de letter ervan.

Het College is van oordeel dat de raad van tucht terecht heeft overwogen dat de beschrijving van de werkzaamheden in het rapport, met name de volgende passage:

“Bij het verrichten van mijn werkzaamheden heb ik speciaal aandacht besteed aan het ontdekken van fraude, onjuistheden of onwettig handelen. Ook heb ik extra aandacht besteed aan de mogelijke (opzettelijke) benadeling van u mijn opdrachtgever.(…)”

in samenhang bezien met de in het rapport door appellant gedane veronderstellingen en de gekozen bewoordingen, het beeld heeft geschapen dat klager een fraudeur is.

Het feit dat appellant in zijn rapport het woord “fraudeur” niet heeft gebezigd laat onverlet dat appellant door zijn bevindingen zo te formuleren als hij heeft gedaan, wel degelijk de suggestie heeft gewekt dat klager fraude heeft gepleegd. Door zonder deugdelijke grondslag in het rapport een zo ernstige verdachtmaking te uiten heeft appellant ook artikel 5 GBR-1994 overtreden.

3.5 Met zijn vierde grief bestrijdt appellant het oordeel van de raad van tucht dat hij - door kopieën van zijn rapport van bevindingen te zenden aan E en F - respectievelijk de broer en vader van zijn opdrachtgever - in strijd heeft gehandeld met artikel 10 GBR-1994. Appellant wijst erop dat E de gemachtigde is van zijn opdrachtgever en dat die hem heeft verzocht (ook) een kopie naar de heer F te zenden. Volgens appellant is F belanghebbende bij de uitkomst van zijn onderzoek, aangezien hij aan appellant een opdracht heeft verleend tot een soortgelijk onderzoek naar de door klager verantwoorde opbrengsten en kosten van panden waarvan F het vruchtgebruik had. Voorts heeft appellant erop gewezen dat de raad van tucht in een vergelijkbare klacht geoordeeld heeft dat zijn handelwijze nog juist aanvaardbaar was. Het ging in dat geval om de verstrekking door appellant van een kopie van zijn rapport aan de gemachtigde van zijn opdrachtgever.

Het College overweegt dat het verzoek van de opdrachtgever aan een registeraccountant om een kopie van het rapport aan derden te verzenden de registeraccountant niet ontslaat van zijn plicht vertrouwelijke informatie die te zijner kennis is gekomen, geheim te houden. Door verstrekking van een kopie van de rapportage aan een derde (F) op verzoek van de gemachtigde van de opdrachtgever heeft appellant naar het oordeel van het College in strijd met zijn geheimhoudingsverplichting gehandeld. Het mogelijke belang dat die derde heeft bij het kennisnemen van de uitkomsten van het onderzoek, maakt dat niet anders. De stelling van appellant dat de raad van tucht een dergelijke handelwijze in een vergelijkbaar geval wel aanvaardbaar heeft geacht, gaat niet op. Het door appellant aangehaalde geval is niet vergelijkbaar omdat het daar een verstrekking aan de gemachtigde van de opdrachtgever betrof en niet, zoals hier aan de orde, aan een derde op verzoek van de gemachtigde van de opdrachtgever.

Ook deze grief faalt.

3.6 De vijfde grief houdt in dat de raad van tucht ten onrechte de maatregel van schorsing als registeraccountant voor de duur van drie maanden heeft opgelegd. Volgens appellant passen de aan de opgelegde maatregel ten grondslag gelegde overwegingen niet in een in onafhankelijkheid uitgevoerde tuchtrechtelijke uitspraak en klemt dat temeer daar de raad van tucht ten onrechte heeft nagelaten zijn beeldvorming te baseren op een gedegen dossieronderzoek.

Onder de vaststelling dat appellant bij het uitvoeren van zijn opdracht de artikelen 5,9,10 en 11 van het GBR-1994 heeft overtreden en hij ter zitting van het College – net als bij de zitting van de raad van tucht – geen blijk heeft gegeven van inzicht in de eisen die aan zijn handelen als registeraccountant worden gesteld, door desgevraagd te verklaren een volgende keer niet anders te zullen handelen, is het College van oordeel dat de raad van tucht appellant niet tekort heeft gedaan bij het opleggen van deze maatregel.

3.7 Het hiervoor overwogene leidt tot de slotsom dat het beroep moet worden verworpen.

3.8 Na te melden beslissing op het beroep berust op titel II van de Wet RA en artikelen 5, 9,10 en 11 GBR-1994.

4. De beslissing

Het College:

- verwerpt het beroep

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, mr. H.A.B van Dorst-Tatomir en mr. M. van Duuren, in tegenwoordigheid van mr. R. Hollestelle, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2010.

w.g. F. Stuurop w.g. R. Hollestelle