Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BO6540

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
26-11-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
AWB 09/1479
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Kaderwet EZ-subsidies

Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1479 26 november 2010

27301 Kaderwet EZ-subsidies

Besluit stimulering duurzame energieproductie (SDE)

Uitspraak in de zaak van:

V.o.f. A te X, appellante,

gemachtigden: B, vennoot, en ir. T. Smit, werkzaam bij Host B.V.

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: mr. C. Cromheecke, werkzaam bij verweerders dienst Agentschap NL.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 11 december 2009, bij het College binnengekomen op 15 december 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 30 oktober 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen het besluit van 4 september 2009, waarbij de aanvraag van appellante om subsidie op grond van het Besluit stimulering duurzame energieproductie is afgewezen, ongegrond verklaard.

Bij brief van 26 februari 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

Op 15 oktober 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen, vertegenwoordigd door hun gemachtigden, zijn verschenen.

2. De grondslag van het geschil

2.1 In het Besluit stimulering duurzame energieproductie (hierna: het Besluit) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 27

1. Bij ministeriële regeling wordt, na overleg met Onze Minister van Financiën, per categorie productie-installaties een afzonderlijk subsidieplafond of voor meerdere categorieën tezamen één subsidieplafond vastgesteld voor het verlenen van subsidies voor de productie van hernieuwbaar gas.

2. Bij ministeriële regeling kunnen perioden worden vastgesteld waarbinnen aanvragen ontvangen moeten zijn.

(…)

Artikel 58

1. Ingeval van verdeling op volgorde van binnenkomst, verdeelt Onze Minister het beschikbare bedrag in de volgorde van ontvangst van de aanvragen, met dien verstande dat indien een aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag en met toepassing van artikel 4:5 van de Algemene wet bestuursrecht de gelegenheid heeft gehad de aanvraag aan te vullen, de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke voorschriften als datum van ontvangst geldt.

2. Indien honorering van alle aanvragen die op één dag zijn ontvangen ertoe zou leiden dat het beschikbare subsidieplafond zou worden overschreden, stelt Onze Minister de volgorde van ontvangst van deze aanvragen vast door middel van loting.

(…)"

2.1.1 In de Regeling aanwijzing categorieën duurzame energieproductie 2009 (hierna: de Regeling) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 51

1. De minister verstrekt op aanvraag subsidie aan producenten van hernieuwbaar gas geproduceerd door een productie-installatie voor de productie van hernieuwbaar gas met gebruik van uitsluitend:

a. biogas uit vergisting van groente, fruit- en tuinafval;

b. biogas uit vergisting en co-vergisting van dierlijke mest;

c. biogas uit overige vergisting.

2. Aanvragen om subsidie als bedoeld in het eerste lid, worden ontvangen in de periode van 6 april 2009 tot 30 oktober 2009, 17:00 uur.

3. Een aanvraag om subsidie wordt ingediend met gebruikmaking van het origineel van een ondertekend formulier, dat is opgenomen in de bij deze regeling behorende bijlage 4.

Artikel 52

1. Het subsidieplafond voor het verlenen van subsidie die is aangevraagd in de in artikel 51, tweede lid, bedoeld periode, bedraagt € 243.000.000,-.

2. De minister verdeelt het bedrag, genoemd in het eerste lid, op volgorde van binnenkomst van de aanvragen."

2.1.2 In de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is, voor zover hier van belang, het volgende bepaald:

"Artikel 4:5

1. het bestuursorgaan kan besluiten de aanvraag niet te behandelen, indien:

a. de aanvrager niet heeft voldaan aan enig wettelijk voorschrift voor het in behandeling nemen van de aanvraag, of

(…)

mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad de aanvraag binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn aan te vullen.

(…)

Artikel 4:25

1. Een subsidieplafond kan slechts bij of krachtens wettelijk voorschrift worden vastgesteld.

2. Een subsidie wordt geweigerd voor zover door verstrekking van de subsidie het subsidieplafond zou worden overschreden.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 6 april 2009 is bij verweerder de aanvraag van appellante voor subsidie op grond van de Stimuleringsregeling duurzame energieproductie binnengekomen. Hierbij is gebruik gemaakt van het daartoe bestemde formulier. Op het door appellante ingevulde formulier staat, voor zover hier van belang, het volgende:

"4. Projectgegevens

(…)

g. Geef een beschrijving van de energiebron of brandstofsoort die gebruikt wordt voor de productie van hernieuwbare energie: Dit zijn dus de biomassastromen die de vergister, verbrander etc, ingaan. Per brandstofsoort de tonnages opgegeven.

Biomassastroom ton/jaar

mest 18.000

positieve lijst producten 17.999

(o.a. gras, zuivel, glycerine)

i. Opgave van de hoeveelheid te produceren en aan het net te leveren hernieuwbare energie in MWh of Nm³ per kalenderjaar en opgave van de hoeveelheid nuttige aan te wenden warmte, die bij de berekening van het basisbedrag voor de SDE in aanmerking komt.

(…)

In een bijlage dient u een onderbouwing mee te sturen van de opgegeven hoeveelheden.

(…)"

Vervolgens is op dit formulier door appellante aangegeven dat de jaarlijkse bruto productieraming gas en de productieraming netlevering voor de jaren 2011 tot en met 2021 6.000.000 Nm³ is. Voor de jaren 2010 en 2022 is 4.500.000 Nm³ ingevuld.

- Bij brief van 7 mei 2009 heeft verweerder aan appellante medegedeeld dat in de aanvraag gegevens ontbreken en dat de aanvraag pas in behandeling zal worden genomen als deze gegevens zijn ontvangen.

Onder “Ontbrekende gegevens” staat:

"Bij vraag 4i van het aanvraagformulier wordt gevraagd om een bijlage met daarin een onderbouwing van de opgegeven hoeveelheden. Deze ontbreekt. Bij deze wil ik u verzoeken alsnog een overzicht te geven van de gasopbrengsten per ton biomassa. Aannemelijk gemaakt moet worden dat de door u opgegeven gasproductie bij vraag 4i reëel is."

- Op 11 mei 2009 heeft T. Smits namens appellante aan verweerder een mailbericht gestuurd en hierin staat onder meer:

"Voordat ik de reeds gegeven antwoorden in de subsidieaanvraag nader aanvul, wil ik u erop wijzen dat volgens mij alle noodzakelijke gegevens aanwezig waren op 6 april om de aanvraag volledig te beoordelen. In vraag 4h zijn de volgende hoeveelheden materiaal opgenomen:

Mest: 18.000 ton

Positieve lijst producten (o.a. gras, zuivel, glycerine) 17.999 ton

In vraag 4i wordt hieruit de jaarlijkse gasproductie (a.e.) afgeleid van 6.000.000 m³ a.e. per jaar. Hiermee is de gevraagde informatie, die in een bijlage toegevoegd zou moeten worden, reeds opgegeven. Aangezien deze onderbouwing in de aanvraag is opgegeven en de inhoud van een onderbouwing, die in de bijlage zou moeten worden toegevoegd verder niet gespecificeerd is, is onze aanvraag volledig.

(…)"

Verder bevat het mailbericht een schema waarin voor mest, gras, zuivel en glycerine afzonderlijk de jaarlijkse hoeveelheden, de biogasproductie per ton, de jaarlijkse gasproductie en de totale biogasproductie is weergegeven. De biogasproductie per ton is volgens dit schema bij mest 30 m³, bij gras 150 m³, bij zuivel 100 m³ en bij glycerine 630 m³.

- Op 15 mei 2009 heeft verweerder een ontvangstbevestiging van het bericht van 11 mei 2009 gestuurd, waarin verweerder aangeeft dat hij niet anders kan concluderen dan dat de op 11 mei jl. aangeleverde informatie een belangrijke en noodzakelijke aanvulling is op de ingediende aanvraag. Tengevolge hiervan is verweerder van mening dat de aanvraag volledig is per 11 mei 2009.

- Bij besluit van 4 september 2009 heeft verweerder de subsidieaanvraag afgewezen op grond van artikel 4:25, tweede lid, Awb.

- Hiertegen heeft appellante tijdig bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het standpunt van verweerder

In het bestreden besluit staat dat verweerder de aanvraag van appellante op 11 mei 2009 volledig heeft bevonden en dat hij vervolgens bij besluit van 4 september 2009 de aanvraag wegens budgetuitputting heeft afgewezen. Verweerder is van mening dat de informatie verstrekt onder vraag 4g van het aanvraagformulier niet afdoende is voor wat betreft de gevraagde onderbouwing van de hoeveelheden, nu onder vraag 4g slechts wordt gevraagd om een beschrijving van de brandstofsoorten die gebruikt worden voor de productie van hernieuwbare energie en de opgave van de tonnages per brandstofsoort. De op 11 mei 2009 aangeleverde informatie, betreffende de onderbouwing van de opgegeven hoeveelheden, is een belangrijke en noodzakelijke aanvulling om de aanvraag te kunnen beoordelen. De biogasproductie is per brandstofsoort immers verschillend. Middels de onderbouwing kan verweerder inschatten of de geraamde biogasopbrengst reëel is en of de biomassastromen in de genoemde hoeveelheden binnen de milieuvergunning mogen worden vergist.

In het verweerschrift heeft verweerder aangegeven dat 11 mei 2009 dient te worden aangemerkt als de datum van ontvangst en omdat het subsidiebudget op die dag reeds was uitgeput is de subsidieaanvraag bij besluit van 4 september 2009 terecht afgewezen. Verweerder is het niet eens met de stelling van appellante dat de gegevens die dienden te zijn opgenomen in bovengenoemde bijlage al zijn opgenomen in het aanvraagformulier. In de bijlage dient immers een onderbouwing te worden opgenomen van de in vraag 4i opgegeven hoeveelheden. Deze onderbouwing of gegevens die hiermee kunnen worden gelijkgesteld, heeft appellante niet aangeleverd in of bij het aanvraagformulier.

4. Het standpunt van appellante

Appellante voert, samengevat weergegeven, het volgende aan. Het beroep richt zich tegen de afwijzingsgrond waarin staat dat verweerder middels de onderbouwing kan inschatten of de geraamde biogasopbrengst reëel is en of de biogasstromen in de genoemde hoeveelheden binnen de milieuvergunning mogen worden vergist. Appellante voert aan dat de door verweerder gevraagde aanvullende gegevens niet nodig waren, nu de aanvraag volgens haar op 6 april 2009 al volledig was. Verder wijst zij er op dat deze gegevens, dat wil zeggen het uitsplitsen van de brandstofsoorten en de tonnen en het noemen van de biogasproductie per ton, bij de feitelijke uitvoering niet relevant zullen zijn, nu de mix van producten die vergist zullen worden, kan variëren. Voorts wijst appellante er op dat in haar bij de aanvraag overgelegde milieuvergunning de maximale capaciteit van haar productie-installatie reeds is vastgelegd. Zij voert aan dat de beslissing om de aanvraag onvolledig te laten zijn in plaats van volledig een geheel eigen buitenwettelijke interpretatie van verweerder is.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College ziet zich geplaatst voor de vraag of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de aanvraag van appellante van 6 april 2009 onvolledig was en dat derhalve terecht de gelegenheid is geboden om de aanvraag aan te vullen. In dit verband is van belang dat uit artikel 58, eerste lid, van het Besluit volgt dat de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke vereisten geldt als de dag van ontvangst en dat uit artikel 4:25, tweede lid, Awb volgt dat een subsidie wordt geweigerd voor zover door de verstrekking hiervan het subsidieplafond zou worden overschreden. Dit heeft tot gevolg dat indien de dag waarop de aanvraag voldoet aan de wettelijke vereisten ligt na de dag waarop het subsidieplafond is bereikt, deze aanvraag dient te worden geweigerd.

5.2 Niet in geschil is dat het gestelde subsidieplafond reeds op 6 april 2009 was bereikt en dat het indienen van een onvolledige aanvraag op 6 april 2009, met zich bracht dat uitgesloten was dat de gevraagde subsidie, na aanvulling van de aanvraag, nog zou kunnen worden verleend.

5.3 Onder vraag 4i van het aanvraagformulier is verzocht om een opgave van de hoeveelheid te produceren en aan het net te leveren hernieuwbare energie en daarbij is aangegeven dat in een bijlage een onderbouwing moet worden gegeven van de opgegeven hoeveelheden.

Vast staat dat appellante een dergelijke bijlage niet bij haar aanvraag van 6 april 2009 heeft gevoegd en het College stelt vast dat de bedoelde onderbouwing eerst op 11 mei 2009 is verstrekt. In het bericht van 11 mei 2009 is immers, anders dan in de aanvraag van 6 april 2009, per brandstofsoort afzonderlijk het tonnage, de biogasproductie per ton en de jaarlijkse gasproductie aangegeven. Het betoog van appellante dat verweerder ook zonder deze nadere gegevens, op basis van de in de aanvraag aanwezige gegevens had kunnen en moeten inschatten of de geraamde biogasopbrengst van 6.000.000 m³ reëel is en dat derhalve reeds op 6 april 2009 sprake was van een volledige aanvraag volgt het College niet. Hoewel uit de aanvraag onder vraag 4g volgt dat er jaarlijks 18.000 ton aan mest en 17.999 ton aan zogenoemde positieve lijst producten gebruikt zouden gaan worden voor de productie van hernieuwbare energie en uit de aanvraag volgt dat de jaarlijkse productieraming 6.000.000 m³ aan gas betreft, heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat hieruit geen onderbouwing van de biogasproductie per brandstofsoort kan worden afgeleid, nu de gegevens ten aanzien van gras, zuivel en glycerine in de aanvraag niet zijn gescheiden. De door appellante in de aanvraag gemaakte verwijzing naar zogenoemde positieve lijst producten heeft verweerder in dit verband terecht te onbepaald geacht. Op deze bij de Uitvoeringsregeling Meststoffenwet behorende lijst staat immers een veelheid van producten, waarvan de gasproductie bij co-vergisting per brandstofsoort aanzienlijk kan verschillen. Dit wordt bevestigd in het door appellante op 11 mei 2009 aangeleverde schema. Dat in de praktijk de mix van gebruikte brandstofsoorten in meer of mindere mate kan variëren van de in de bijlage bedoelde onderbouwing betekent niet dat de gevraagde onderbouwing daarmee zinloos zou zijn, nu verweerder op basis hiervan een inschatting maakt of de opgegeven hoeveelheid te produceren hernieuwbare energie reëel is, ter voorkoming van subsidiëring van onrealistische projecten. Voorts is in dit verband niet van belang dat in de milieuvergunning de maximale capaciteit van de productie-installatie is vastgelegd, nu daarmee geen inzicht wordt gegeven in het realiteitsgehalte van de opgegeven hoeveelheid te produceren hernieuwbare energie.

5.4 Gelet op het voorgaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de aanvraag van appellante van 6 april 2009 onvolledig was en heeft hij, nadat deze aanvraag op 11 mei 2009 was aangevuld, deze, gelet op artikel 58, eerste lid, van het Besluit en artikel 4:25, tweede lid, Awb terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.

5.5 Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, mr. M. Munsterman en mr. dr. S.A.C.M. Lavrijssen, in tegenwoordigheid van mr. R. Kegge, als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 26 november 2010.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. R. Kegge