Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BO6522

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
AWB 08/617
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/617 15 oktober 2010

24000 Wet op de Kamers van Koophandel en Fabrieken 1963

Uitspraak in de zaak van:

Buco B.V., te Bussum, appellante,

gemachtigde: A AA, financieel en (fiscaal) juridisch adviseur te Hilversum,

tegen

de Kamer van Koophandel Gooi-, Eem- en Flevoland, verweerster,

gemachtigde: mr. J.E. Broug, werkzaam bij verweerster.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 17 augustus 2008 bij het College beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op haar bezwaar. Dit bezwaar was gericht tegen de hoogte van de door verweerster in rekening gebrachte kosten voor de aanmaning van appellante tot betaling van haar bijdrage voor het jaar 2008.

Bij brief van 8 september 2008 heeft verweerster een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 7 oktober 2008 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Bij brief van 3 november 2008 heeft verweerster een aanvullend verweerschrift ingediend.

Op 28 september 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante en verweerster zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Op 1 juli 2009 is de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Algemene wet bestuursrecht (Vierde tranche Algemene wet bestuursrecht; Stb. 2009, 264) in werking getreden. Deze wet, voor zover hier van belang, bepaalt:

" Artikel III

1. Op een verplichting tot betaling van een geldsom aan of door een bestuursorgaan die is vastgesteld of ontstaan voor het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet, blijft het recht zoals dat gold voor dat tijdstip van toepassing.

(…)"

De Wet op de kamers van koophandel en fabrieken 1997 (hierna: Wet KvK 1997), voor zover hier van belang, luidde:

" Artikel 41

(…)

2. Ingeval een bijdrage voor het geheel of voor een deel niet tijdig is voldaan, maant de kamer de nalatige schriftelijk aan om alsnog binnen veertien dagen na de ontvangst van de brief het daarin vermelde bedrag aan de kamer te doen toekomen. Volgt op deze aanmaning de betaling binnen de gestelde termijn niet, dan vaardigt de kamer een dwangbevel uit. Het dwangbevel levert een executoriale titel op, die met toepassing van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan worden tenuitvoergelegd. De aanmaning en incasso van het dwangbevel geschieden op kosten van de schuldenaar.

3. Binnen dertig dagen na betekening staat verzet tegen het dwangbevel open door dagvaarding van de betrokken kamer voor de kantonrechter van de rechtbank van het arrondissement waarin de kamer haar zetel heeft. Het verzet schorst het ten uitvoer leggen van het dwangbevel.

(...).

Artikel 55

1. Tegen een op grond van deze wet genomen besluit (…) kan een belanghebbende beroep instellen bij het College van Beroep voor het bedrijfsleven.

2. Het eerste lid geldt niet ten aanzien van besluiten waartegen bij of krachtens de wet een andere voorziening is opengesteld."

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij brief van 19 mei 2008 heeft verweerster appellante gemaand de factuur voor appellantes bijdrage voor het jaar 2008 binnen twee weken te voldoen. Appellante is daarbij een bedrag van € 6,- aan aanmaningskosten in rekening gebracht.

- Hiertegen heeft appellante een bezwaarschrift, gedateerd 30 juni 2008, ingediend. In bezwaar heeft appellante naar voren gebracht dat het produceren en verzenden van de aanmaning niet € 6,- kosten meebrengt.

- Bij besluit van 16 juli 2008 heeft verweerster de bezwaren ongegrond verklaard.

3. Het standpunt van verweerster

Verweerster heeft zich op het standpunt gesteld dat zij tijdig bij besluit van 16 juli 2008 een beslissing heeft genomen op het bezwaar. In dit besluit heeft verweerster aangegeven dat thans uit artikel 4:113 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) volgt dat voor de aanmaning een vergoeding in rekening kan worden gebracht van € 6,- indien de schuld minder dan € 454, bedraagt. Gelet hierop is volgens verweerster de vraag of € 6,- aan aanmaningskosten nu te hoog of te laag is voor de werkzaamheden die ten aanzien van de aanmaning worden uitgevoerd niet relevant. In het aanvullend verweerschrift heeft verweerster daaraan toegevoegd dat het feit dat artikel 4:113 Awb op het moment van het sturen van de aanmaning nog niet in werking was getreden niet afdoet aan haar oordeel dat de hoogte van het in rekening gebrachte bedrag aan aanmaningskosten de toets der redelijkheid kan doorstaan.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft aangevoerd dat het besluit van 16 juli 2008 niet overeenkomstig afdeling 3.6 Awb is bekendgemaakt. Appellante blijft verder bij haar standpunt dat het produceren en verzenden van de aanmaning niet € 6,- kosten meebrengt. Zij heeft er in dit verband op gewezen dat verweerster in 2007 nog € 2,50 in rekening bracht voor het aanmanen, zodat die kosten in 2008 niet opeens € 6,- kunnen bedragen. De stelling van verweerster dat de hoogte van de aanmaningskosten is gebaseerd op artikel 4:113 Awb is volgens appellante verder onjuist, aangezien dit artikel ten tijde van het verzenden van de aanmaning niet in de Awb was opgenomen.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 De aanmaning ter zake van appellantes bijdrage voor het jaar 2008 bevat een verplichting voor appelante tot betaling van € 6,- aan verweerster. Nu deze verplichting is vastgesteld voor 1 juli 2009 blijft daarop ingevolge artikel III van de wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb (Vierde tranche Awb) het recht van toepassing zoals dat gold voor 1 juli 2009.

5.2 Verweerster heeft appellante naar het oordeel van het College terecht ontvangen in haar bezwaar tegen de aanmaning. Daarbij neemt het College in aanmerking dat is gebleken dat de aanmaning haar grondslag vindt in artikel 41, tweede lid, Wet KvK 1997 en dat deze, voor zover een vergoeding in rekening wordt gebracht, is gericht op rechtsgevolg. De aanmaning is derhalve een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, Awb. Verder neemt het College in aanmerking dat aan appellante in het eerste lid van artikel 55 Wet KvK 1997 het recht is toegekend tegen dit besluit bij het College beroep in te stellen. Het tweede lid van dit artikel op grond waarvan een belanghebbende geen beroep bij het College kan instellen ten aanzien van besluiten waartegen bij of krachtens de wet een andere voorziening is opengesteld, is niet van toepassing. Ingevolge artikel 41, derde lid, Wet KvK 1997 staat weliswaar verzet tegen een dwangbevel open door dagvaarding van de betrokken kamer voor de kantonrechter, maar deze voorziening geldt niet tegen een aanmaning waarop geen dwangbevel is gevolgd. Van dit laatste is in het onderhavige geval sprake.

5.3 Mede gelet op de ter terechtzitting door appellante geuite wens haar beroep zoveel mogelijk inhoudelijk te behandelen, gaat het College ervan uit dat verweerster op 16 juli 2008 daadwerkelijk op het bezwaarschrift van appellante heeft beslist en dat het beroep van appellante, dat zij, eenmaal bekend geworden met die beslissing, bij brief van 7 oktober 2008 van gronden heeft voorzien, zich met toepassing van het bepaalde bij artikel 6:10, eerste lid, onder a, van de Awb, voor inhoudelijke behandeling leent.

5.4 Het College overweegt dat de hoogte van de vergoeding voor de aanmaning die verweerster in rekening heeft gebracht niet volgt uit artikel 4:113 Awb. Dit artikel is ingevoerd met de op 1 juli 2009 in werking getreden wet van 25 juni 2009 tot aanvulling van de Awb (Vierde tranche Awb), terwijl, zoals hiervoor onder rechtsoverweging 5.1 is overwogen, op de aanmaning het recht van toepassing blijft zoals dat gold voor 1 juli 2009.

Hetgeen appellante ter zake van de hoogte van de aanmaningskosten heeft aangevoerd biedt onvoldoende aanknopingspunt voor het oordeel dat verweerster niet in redelijkheid een bedrag van € 6,- als vergoeding voor die kosten in rekening heeft kunnen brengen.

5.5 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor toekenning van een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 Awb bestaat geen aanleiding.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. R.R. Winter, mr. H.A.B. van Dorst-Tatomir en mr. R.C. Stam, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 15 oktober 2010.

w.g. R.R. Winter w.g. B.S. Jansen