Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BO5685

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
01-12-2010
Zaaknummer
AWB 09/1398
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling werkprogramma's producentenorganisaties visserij en aquacultuursector

interventiemaatregelen vis, uitsluiting steun, ontbreken werkprogramma

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/1398 17 november 2010

5151 Regeling werkprogramma's producentenorganisaties

visserij en aquacultuursector

Uitspraak in de zaak van:

A U.A., te B, appellante,

gemachtigde: C, voorzitter van appellante,

tegen

de Minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie, verweerder,

gemachtigde: A.C. Beemster, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 25 september 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante tegen een besluit van 12 mei 2009, waarbij verweerder appellantes aanvraag voor financiële steun in verband met het nemen van interventiemaatregelen heeft afgewezen, ongegrond verklaard.

Bij brief van 30 november 2009 heeft appellante de gronden van haar beroep aangevuld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 6 oktober 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij de gemachtigden het standpunt van partijen hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Voor de beoordeling van het onderhavige geschil zijn de volgende wettelijke voorschriften van belang.

Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad van 17 december 1999 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijproducten en producten van de aquacultuur (hierna: de Verordening) bepaalt in artikel 9 dat een producentenorganisatie aan het begin van ieder visseizoen een werkprogramma voorlegt aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaat die dat werkprogramma moeten goedkeuren. Dat werkprogramma dient – samengevat – de volgende elementen te bevatten: een afzetstrategie, een visplan, een productieplan en de bijzondere maatregelen en sancties. Verder bepaalt dit artikel in het derde lid onder a, dat als wordt nagelaten het werkprogramma op te stellen, de producentenorganisatie voor het betreffende visseizoen geen financiële steun voor interventiemaatregelen ontvangt.

De Regeling werkprogramma’s producentenorganisaties visserij- en aquacultuursector (hierna: de Regeling), bepaalt in artikel 3 (onder meer) dat een producentenorganisatie binnen zeven weken na het begin van het visseizoen het werkprogramma ter goedkeuring voorlegt aan de Minister en dat deze het werkprogramma binnen twaalf weken na het begin van het visseizoen goedkeurt.

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellante heeft met het formulier Interventieregeling vis voor het jaar 2008 financiële steun gevraagd voor het uit de markt nemen van door haar leden aangevoerde vis.

- In het besluit van 12 mei 2009 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen omdat appellante niet voldoet aan de voorwaarde dat zij moet beschikken over een door verweerder goedgekeurd werkprogramma.

- Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

- Dat bezwaar heeft verweerder bij besluit van 25 september 2009 ongegrond verklaard.

3. Het bestreden besluit

Verweerder heeft zich in het bestreden besluit op het standpunt gesteld dat appellante op grond van de Verordening gehouden is een werkprogramma op te stellen en dat zij geen financiële steun voor interventiemaatregelen ontvangt als zij dat nalaat. Met het insturen van het visplan is niet voldaan aan de voorwaarde om een werkprogramma op te stellen. Een werkprogramma omvat immers meer dan alleen een visplan. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt niet. Appellante heeft daartoe gewezen op het overleg met het ministerie van verweerder waarin is gesproken over het integreren van het visplan en het werkprogramma. Verweerder is van mening dat appellante daaruit niet heeft mogen concluderen dat zij kon volstaan met de indiening van een visplan.

Het klopt dat verweerder met ingang van het seizoen 2008 geen herinneringen meer heeft gestuurd voor het indienen van het werkprogramma. Het vereiste werd bij betrokkenen bekend verondersteld. Hoewel het wellicht zorgvuldiger was geweest om betrokkenen vooraf te informeren over het feit dat geen herinnering meer zou worden verstuurd, laat dit onverlet dat appellante verantwoordelijk is voor een tijdige indiening van het werkprogramma. Nu appellante eerder ook aanvragen heeft ingediend, mag worden verondersteld dat appellante bekend is met de voorwaarden en verplichtingen waaronder de steun wordt verleend.

4. Standpunt appellante

Appellante heeft in beroep het volgende aangevoerd. Er is sprake van een organisatie die goed werk verricht. Zij heeft te maken met ingewikkelde regelgeving. Er is inderdaad een fout gemaakt. Het werkprogramma is niet opgesteld en dat had wel moeten gebeuren. Appellante vindt dat zij voor dit nalaten nu wel erg hard wordt “gestraft”. Het is immers een behoorlijke financiële aderlating voor appellante als zij deze steun - ruim € 16.000,= - niet ontvangt. Een en ander had voorkomen kunnen worden als verweerder net als in voorgaande jaren een herinnering had gestuurd.

Ter zitting heeft appellante daar nog aan toegevoegd dat de controleverplichting voor verweerder zoals die is neergelegd in artikel 9 van de Verordening ook impliceert dat verweerder betrokkenen er vroegtijdig op wijst dat niet voldaan is aan de voorwaarden van het opstellen van een werkplan en de gevolgen daarvan. Als verweerder dat niet heeft gedaan, dan zou uitsluiting van steun niet mogen volgen.

5. Beoordeling van het geschil

5.1 In geschil is of verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat appellante niet in aanmerking komt voor financiële steun voor interventiemaatregelen, omdat zij geen werkprogramma voor het betreffende visseizoen heeft opgesteld.

5.2 Niet in geschil is dat appellante heeft nagelaten een werkprogramma voor het visseizoen 2008 – het jaar waarop de aanvraag betrekking heeft – op te stellen en ter goedkeuring voor te leggen aan verweerder.

Gelet op het ontbreken van het werkprogramma alsmede de in artikel 9, derde lid, onder a van de Verordening neergelegde gevolgen voor de financiële steun bij het ontbreken van een werkprogramma heeft verweerder zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat het verzoek om financiële steun voor genomen interventiemaatregelen zoals door appellante is gedaan, moet worden afgewezen. Dat er - zoals appellante stelt - per ongeluk een fout is gemaakt en het uitsluiten van steun een behoorlijke financiële aderlating is, leidt niet tot een andere conclusie. Daarbij neemt het College in aanmerking dat de Verordening noch de Regeling een hardheidsclausule bevat op grond waarvan bij het ontbreken van een werkprogramma toch financiële steun kan worden toegekend. Anders dan appellante veronderstelt, bestaan er geen aanknopingspunten voor het oordeel dat uitsluiting van steun op grond van artikel 9 van de Verordening achterwege zou moeten blijven als verweerder niet heeft gewezen op het ontbreken van een werkplan en de gevolgen daarvan.

5.3 Het voorgaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, mr R.C. Stam en mr. S.C. Stuldreher, in tegenwoordigheid van mr. M.J. van Veen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 17 november 2010.

w.g. M. Munsterman w.g. M.J. van Veen