Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BO5382

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-10-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/974
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Herziening
Inhoudsindicatie

Herziening

Sector 1

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AB 2011/16 met annotatie van R. Ortlep
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/974 27 oktober 2010

50001 Herziening

Sector 1

Uitspraak op het herzieningsverzoek van:

A en B, te C, verzoekers,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. R.Th.G. van der Veldt, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Verzoekers hebben bij brief van 17 juli 2009, bij het College binnengekomen op 20 juli 2009, verzocht om herziening van de door het College op 5 september 2006 gedane uitspraak met procedurenummer AWB 05/249.

Verweerder heeft bij brief van 20 augustus 2009 een verweerschrift ingediend.

Op 24 augustus 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij verzoekers zijn verschenen en verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

2. Het standpunt van verzoekers

Verzoekers hebben aangevoerd dat zich een nieuw feit heeft voorgedaan. Het is verzoekers namelijk gebleken dat verweerder niet alleen op 12 februari 2004 een besmetverklaring heeft uitgevaardigd, tegen welk besluit de procedure met nummer 05/249 was gericht, maar dat dit ook op 26 januari 2004 is gebeurd. Een kopie van dit besluit is verzoekers op 27 januari 2004 overhandigd door twee medewerkers van verweerders Plantenziektekundige Dienst. Het origineel zou later aangetekend worden toegezonden, maar dat is nooit gebeurd. Een vergelijking van de besluiten van 26 januari 2004 en 12 februari 2004 leert dat de latere besmetverklaring aanzienlijk zwaarder is dan de eerste. Waarop die verzwaring is gebaseerd - in een tijdsbestek van 17 dagen en zonder enige wijziging in de feitelijke situatie - wordt nergens duidelijk. Derhalve rest verzoekers niets dan te concluderen dat verweerder zijn besluit van 26 januari 2004 op louter subjectieve gronden heeft verzwaard. Op basis hiervan vragen verzoekers de procedure te heropenen en het besluit van 26 januari 2004 hierin op te nemen. Aangezien van een gedegen en zorgvuldige besluitvorming van de zijde van verweerder geen sprake lijkt, vragen verzoekers om nietigverklaring van het besluit van 12 februari 2004 ten gunste van het besluit van 26 januari 2004.

3. Het standpunt van verweerder

Verweerder heeft allereerst gesteld dat verzoekster niet-ontvankelijk dient te worden verklaard omdat zij geen partij was bij de procedure die heeft geleid tot de uitspraak waarvan herziening wordt verzocht. Verder heeft verweerder het standpunt ingenomen dat de feiten waarop verzoeker zich beroept reeds bekend waren voorafgaand aan de uitspraak, zodat hetgeen in het herzieningsverzoek is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als een omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, sub b, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb). Voorts heeft verweerder gesteld dat niet valt in te zien dat hetgeen in het herzieningsverzoek is aangevoerd tot een andere uitspraak had geleid. De brief van 26 januari 2004 is een conceptbesluit waartegen verzoeker geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Bovendien is het zwaardere primaire besluit van 12 februari 2004, dat heeft geresulteerd in de beslissing op bezwaar van 20 april 2005, door het College inhoudelijk getoetst en heeft het die toets doorstaan. Een minder verstrekkend conceptbesluit kan reeds daarom onmogelijk iets afdoen aan de door het College reeds verrichte toets. Ten slotte stelt verweerder dat een herzieningsverzoek de herziening moet betreffen van een in de onherroepelijke uitspraak beoordeeld besluit, terwijl het verzoekers bedoeling is om juist een ander besluit ter beoordeling voor te leggen. Volgens verweerder is het instrument van herziening niet bedoeld voor een dergelijke situatie.

4. De beoordeling van het verzoek om herziening

4.1 Ter zitting hebben verzoekers verklaard dat zij er geen bezwaar tegen hebben als B niet als belanghebbende wordt aangemerkt. Het College leidt hieruit af dat alleen A als formele verzoeker moet worden beschouwd. Dit punt kan hier verder onbesproken blijven.

4.2 Verweerders gemachtigde heeft zich ter zitting -mede- op het standpunt gesteld dat het verzoek om herziening onredelijk laat is ingediend. Het College volgt verweerder hierin echter niet. Verzoekers hebben op de zitting uiteen gezet waardoor het tijdsverloop tussen het uitreiken van de brief van 26 januari 2004 en het verzoek van 17 juli 2009 is ontstaan. Daarbij hebben zij er op gewezen dat bij de uitreiking van de brief op 27 januari 2004 een bijzonder onplezierig gesprek is ontstaan met de medewerkers van de Plantenziektekundige Dienst. De brief is vervolgens in een bureaula beland en twee weken later ontvingen verzoekers het besluit van 12 februari 2004 waartegen zij rechtsmiddelen hebben ingesteld, hetgeen uiteindelijk heeft geresulteerd in de uitspraak van 5 september 2006. Verzoekers hebben nooit, zoals was toegezegd, een (aangetekend) origineel van de brief van 26 januari 2004 ontvangen. Verweerder heeft gesteld dat het bij de brief van 26 januari 2004 ging om een concept-besluit, maar heeft ter zitting toegegeven dat dit concept niet van een origineel besluit te onderscheiden is en dat een dergelijke gang van zaken geen schoonheidsprijs verdient.

Onder deze omstandigheden is er, naar het oordeel van het College, geen ruimte voor het oordeel dat verzoekers hun herzieningsverzoek onredelijk laat hebben ingediend.

4.3 Ingevolge artikel 8:88, eerste lid, van de Awb kan het College op verzoek van een partij een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van feiten of omstandigheden die:

a. hebben plaatsgevonden voor die uitspraak;

b. bij de indiener van het verzoekschrift voor de uitspraak niet bekend waren en redelijkerwijs niet bekend konden zijn, en

c. waren zij bij het College eerder bekend geweest, tot een andere uitspraak zouden hebben kunnen leiden.

4.4 Vast staat dat verweerders schrijven van 26 januari 2004, dat door verzoekers als nieuw feit naar voren is gebracht, weliswaar dateert van voor de uitspraak van het College zodat voldaan is aan het vereiste van artikel 8:88, eerste lid, sub a, van de Awb, maar aan verzoekers al bekend was voor die uitspraak. Deze brief is immers op 27 januari 2004 persoonlijk door een medewerker van verweerder overhandigd. Nu derhalve sprake is van een feit dat al bekend was bij de indiener van het verzoekschrift vóór de uitspraak, is niet voldaan aan de voorwaarde die wordt gesteld in artikel 8:88, eerste lid, sub b van de Awb. Het verzoek om herziening kan reeds hierom niet voor toewijzing in aanmerking komen. Hetgeen overigens nog is aangevoerd kan buiten bespreking blijven.

5. De beslissing

Het College wijst het verzoek om herziening af.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. M.A. van der Ham en mr. M.M. Smorenburg, in tegenwoordigheid van mr. R. Hollestelle als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 oktober 2010.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. R. Hollestelle