Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BO3312

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
21-10-2010
Datum publicatie
09-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/251
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(vijfde enkelvoudige kamer)

AWB 09/251 21 oktober 2010

27000 Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen

Uitspraak in de zaak van:

Klieverik Heli B.V., te Oldenzaal, appellante,

gemachtigde: M.J.C. Meuwese CB, werkzaam bij de Koninklijke Metaalunie,

tegen

de Minister van Economische Zaken, verweerder,

gemachtigden: mr. H. Azzahimi en mr. ing. R.J.J. Wijnands, beiden werkzaam bij verweerders agentschap SenterNovem, thans genaamd Agentschap NL.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 12 februari 2009, bij het College binnengekomen op 13 februari 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 7 januari 2009.

Bij dit besluit is het bezwaar van appellante tegen het besluit van verweerder van 17 oktober 2008, waarbij appellantes verzoek om herziening van een eerder verstrekte S&O-verklaring als bedoeld in de Wet vermindering afdracht loonbelasting en premie volksverzekeringen (hierna: Wva) is afgewezen, ongegrond verklaard.

Bij brief van 26 maart 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 19 augustus 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellante en verweerder zich hebben laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden. Verder zijn verschenen A en B, beiden werkzaam bij appellante.

2. De grondslag van het geschil

2.1 De Wva, voor zover hier van belang, bepaalt:

" Artikel 22

1. De S&O-inhoudingsplichtige kan voor een aaneengesloten periode van ten minste drie kalendermaanden en ten hoogste zes kalendermaanden vallende binnen één kalenderjaar en in totaal voor niet meer dan drie perioden per kalenderjaar, een S&O-verklaring aanvragen. Een kalendermaand waarop een aanvraag betrekking heeft kan niet meer worden betrokken in een latere aanvraag.

2. De S&O-inhoudingsplichtige kan, in afwijking van het eerste lid, een aanvraag indienen voor een periode van een heel kalenderjaar als hij beschikt over een onderzoek- of een ontwikkelafdeling en:

a. aan de S&O-inhoudingsplichtige in het voorafgaande kalenderjaar een S&O-verklaring is verstrekt, of

b. indien de S&O-inhoudingsplichtige deel uitmaakt van een fiscale eenheid, aan een ander binnen de fiscale eenheid in het voorafgaande kalenderjaar een S&O-verklaring is verstrekt.

Onze Minister van Economische Zaken kan bij ministeriële regeling nadere regels stellen omtrent de toepassing van de eerste volzin.

(…)"

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Op 28 november 2006 heeft appellante een aanvraag ingediend voor een S&O-verklaring. De aanvraag ziet op drie projecten, te weten de ontwikkeling van een low cost transfermachine voor de digitale markt, een lamineerkalander voor vloerbedekking en het lamineren met behulp van thermoplasten van textiel voor de kledingindustrie. De aanvraag heeft betrekking op in totaal 4.300 uren en 25 S&O-medewerkers. In het aanvraagformulier wordt meerdere malen gevraagd naar de periode waarop de aanvraag betrekking heeft. Bij de beantwoording van deze vraag heeft appellante telkens 1 januari tot en met 30 juni 2007 vermeld.

- Bij besluit van 14 februari 2007 heeft verweerder overeenkomstig de door appellante ingediende aanvraag een S&O-verklaring verstrekt voor de periode januari tot en met juni 2007.

- Tegen dit besluit van 14 februari 2007 heeft appellante geen rechtsmiddelen aangewend.

- Bij brief van 3 september 2008 heeft appellante verzocht om herziening van de bij besluit van 14 februari 2007 verstrekte S&O-verklaring.

- Bij besluit van 17 oktober 2008 heeft verweerder het verzoek om herziening van appellante afgewezen.

- Tegen dit besluit heeft appellante bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellante ongegrond verklaard. Verweerder overweegt daartoe dat appellante geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden heeft aangevoerd waardoor het oorspronkelijke besluit tot verstrekking van een S&O-verklaring in redelijkheid niet meer in stand zou kunnen blijven. Verder stelt verweerder zich op het standpunt dat hij noch appellante een kennelijke misslag heeft gemaakt. Verweerder acht de aangevraagde 4.300 uren in overeenstemming met de complexiteit en omvang van de aangegeven werkzaamheden. De aangevraagde periode van zes maanden voor de S&O-verklaring is volgens verweerder een geldige en het voormelde aantal uren kan binnen deze periode worden gerealiseerd door de 25 aangegeven S&O-medewerkers.

4. Het standpunt van appellante

Appellante heeft zich op het standpunt gesteld dat verweerder de S&O-verklaring had moeten wijzigen, zodat deze voor het gehele jaar 2007 gold. Zij heeft bestreden dat geen sprake was van een kennelijke misslag. Appellante heeft aangevoerd dat door een typefout, die volgens haar mogelijk verband houdt met gewijzigde wetgeving, een onjuiste periode in de aanvraag stond vermeld. In de afgelopen tien jaar varieerde het aantal S&O-uren volgens appellante verder tussen de 2.400 en 5.540 uren op jaarbasis. In geen van die jaren is volgens appellante 4.300 S&O-uren in een halfjaar gerealiseerd. Dit was praktisch en budgettair niet haalbaar gelet op de bedrijfsomvang, aldus appellante. De afwijzing van het verzoek om herziening van de S&O-verklaring is volgens appellante verder onredelijk, aangezien in 2007 daadwerkelijk 4.300 uren aan S&O-werk zijn besteed.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Vast staat dat appellante tegen het besluit van 14 februari 2007 waarbij aan haar een S&O-verklaring is verstrekt voor de periode januari tot en met juni 2007 geen rechtsmiddelen heeft aangewend. Dit betekent dat dit besluit rechtens onaantastbaar is geworden. Het College vat de primaire beslissing van 17 oktober 2008 op als een weigering om terug te komen van dit rechtens onaantastbare besluit naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van appellante.

5.2 Het College stelt voorop onder verwijzing naar zijn vaste jurisprudentie – zie onder andere de uitspraken van 28 januari 2004, AWB 02/1894, LJN: AO3850 en 27 maart 2008, AWB 07/367, LJN: BC8417 – dat de wetgever aan de mogelijkheid om een besluit in rechte aan te tasten beperkingen en voorwaarden heeft gesteld. De belanghebbende die meent dat een bestuursorgaan ten onrechte een bepaald besluit heeft genomen, is voor het in rechte opkomen tegen dat besluit aangewezen op het aanwenden van een rechtsmiddel binnen de daarvoor door de wet gestelde termijn en met inachtneming van de overige processuele vereisten. Voor het bestaan van een recht om daarbuiten aanpassing te verlangen van een onrechtmatig geacht besluit, zonder daarbij gebonden te zijn aan evenbedoelde beperkingen, valt geen grondslag aan te wijzen, behoudens bijzondere omstandigheden. Voor de beoordeling van de rechtmatigheid van de weigering van een bestuursorgaan om terug te komen van zijn in rechte onaantastbaar geworden besluit, kan naar het oordeel van het College niet beslissend zijn of dat besluit is genomen op grond van onjuiste, bij de aanvraag verstrekte gegevens. De omstandigheden dat onjuiste gegevens louter bij vergissing door appellante zijn verstrekt, dat die vergissing voor verweerder mogelijk herkenbaar was, en dat verweerder met kennis van de juiste gegevens een voor appellante gunstiger besluit zou hebben genomen, kunnen dan ook niet in hun algemeenheid worden aanvaard als grondslag voor het bestaan van een aanspraak rechtens op aanpassing van bedoeld besluit.

5.3 Het College overweegt ten aanzien van de beoordeling of sprake is van bijzondere omstandigheden die nopen tot afwijking van het hiervoor uiteengezette uitgangspunt het volgende. Verweerder hanteert, zoals hij ter zitting desgevraagd heeft bevestigd, het beleidsuitgangspunt dat in het geval van een kennelijke misslag van een rechtens onaantastbaar besluit kan worden teruggekomen. Hij heeft zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat de door appellante gestelde typefout in de aanvraag – wat daarvan ook zij – niet kan gelden als kennelijke misslag. Appellante is primair zelf verantwoordelijk voor het juist invullen van haar aanvraag en deze kan, gelet op artikel 22, tweede lid, Wva, betrekking hebben op een periode van een heel kalenderjaar. Voor zover appellante ter zitting naar voren heeft gebracht dat de in het besluit van 14 februari 2007 vermelde periode van een halfjaar niet spoort met de in de aanvraag vermelde vermoedelijke einddatum van de projecten, heeft verweerder zich naar het oordeel van het College terecht op het standpunt gesteld dat deze omstandigheid evenmin kan gelden als kennelijke misslag. Gebleken is dat appellante voor de tweede helft van 2007 een nieuwe aanvraag kon indienen die zowel op de lopende projecten als op eventuele nieuwe nog op te starten projecten betrekking had. Dit was niet mogelijk geweest wanneer appellante een aanvraag voor geheel 2007 had ingediend, aangezien een kalendermaand waarop een aanvraag betrekking heeft ingevolge artikel 22, eerste lid, Wva niet meer kan worden betrokken in een latere aanvraag. Voor zover appellante heeft aangevoerd dat het voor haar praktisch en budgettair niet mogelijk was 4.300 uren S&O-werk in een halfjaar te realiseren, overweegt het College dat, zelfs indien aanleiding zou worden gevonden in zoverre te spreken van een misslag, deze niet kan worden aangemerkt als kennelijk. In aanmerking genomen dat het in absolute zin niet onmogelijk is om met het genoemde aantal medewerkers in een half jaar het opgegeven aantal uren te realiseren, had verweerder van de gestelde misslag alsdan immers eerst kennis kunnen krijgen wanneer hij naar aanleiding van de aanvraag een onderzoek had ingesteld naar de interne bedrijfsvoering bij appellante.

5.4 Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Voor toekenning van een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

6 De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. J.L.W. Aerts, in tegenwoordigheid van mr. B.S. Jansen als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2010.

w.g. J.L.W. Aerts w.g. B.S. Jansen