Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BO2560

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
06-10-2010
Datum publicatie
02-11-2010
Zaaknummer
AWB 09/1478
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Boswet

Herplantplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2011/1714
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

(Enkelvoudige kamer)

AWB 09/1478 6 oktober 2010

11010 Boswet

Herplantplicht

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. A.C. Beemster-van den Belt, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. Het procesverloop

Bij besluit van 12 augustus 2009 heeft verweerder het verzoek van appellant tot ontheffing van de herplantplicht als bedoeld in artikel 3 van de Boswet, afgewezen.

Bij besluit van 4 november 2009 heeft verweerder het hiertegen gerichte bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 11 november 2009, bij het College binnengekomen op 15 december 2009, beroep ingesteld.

Bij brief van 5 februari 2010 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd, aangevuld bij brief van 9 februari 2010.

Bij brief van 13 februari 2010 heeft appellant nadere stukken overgelegd.

Op 15 september 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant en de gemachtigde van verweerder hun standpunten hebben toegelicht.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Ingevolge artikel 3, eerste lid, van de Boswet is de eigenaar van grond, waarop een houtopstand, anders dan bij wijze van dunning, is geveld of op andere wijze tenietgegaan, verplicht binnen een tijdvak van drie jaren na de velling of het tenietgaan van de houtopstand te herbeplanten volgens regelen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen.

In bijzondere gevallen kan verweerder krachtens artikel 6, tweede lid, van de Boswet van het bepaalde bij artikel 3, al dan niet onder voorwaarden, ontheffing verlenen.

2.2 Bij het bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van appellant gericht tegen de weigering om hem ontheffing als bedoeld in artikel 6, tweede lid, van de Boswet te verlenen ongegrond verklaard. Verweerder heeft daartoe onder meer overwogen dat de door appellant aangevoerde omstandigheden afgezet tegen het belang van bewaring van bossen niet van zodanig gewicht zijn dat appellant ontheffing moest worden verleend.

2.3 Appellant heeft ter zitting aangevoerd dat hij het perceel, waarvoor hij ontheffing heeft gevraagd, destijds heeft gekocht voor gebruik als weide. Voorafgaand aan de aankoop heeft hij bij de gemeente nagevraagd of hij de bomen op het perceel kon rooien. Hij is er toen niet op gewezen dat er een herplantplicht gold. Integendeel, het perceel had volgens het bestemmingsplan geen bosbestemming. Ook overigens was het perceel van overheidswege niet geregistreerd als een perceel waarvoor de herplantplicht gold. Ter zitting heeft appellant te kennen gegeven dat hij met zijn beroep niet zozeer de weigering van de ontheffing van de herplantplicht aan de orde wil stellen, als wel het ontbreken van enige voorlichting door ambtenaren van de provincie Limburg over de herplantplicht, voorafgaand aan de koop van het perceel. Appellant vindt het onrechtvaardig dat hij nu wel aan de herplantplicht wordt gehouden, waardoor hij het perceel niet kan gebruiken waarvoor hij het heeft gekocht; het perceel is bovendien door de herplantplicht minder waard dan het bedrag waarvoor hij het destijds heeft gekocht.

2.4 Het College stelt vast dat ingevolge de Boswet op appellant een herplantplicht rust, nu hij de houtopstand op zijn perceel heeft geveld en de in de Boswet opgenomen uitzonderingen op de herplantplicht niet van toepassing zijn. Dat het perceel in het bestemmingsplan zoals appellant stelt niet de bestemming 'bos' heeft, doet daar niet aan af. De herplantplicht volgt rechtstreeks uit de Boswet.

Ter beoordeling staat of verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 6, tweede lid, Boswet. Met het beroep heeft appellant specifiek aan de orde gesteld dat hij door ambtenaren van de provincie Limburg niet volledig is geïnformeerd over de verplichtingen die de aankoop van het perceel en vervolgens de velling van de bomen meebracht. Het College stelt vast dat niet de ambtenaren van de provincie, die in deze slechts desgevraagd advies uitbrengen, maar verweerder degene is bij wie appellant het verzoek om ontheffing heeft ingediend en die daarover heeft beslist. Ook als zou moeten worden aangenomen dat appellant door onvolledige voorlichting door ambtenaren van de provincie is gesterkt in zijn gedachten dat hij de bomen zonder meer mocht vellen, hoefde dit voor verweerder dan ook geen reden te zijn om de ontheffing te verlenen. Dat er van de zijde van verweerder onjuiste of onvolledige voorlichting is gegeven, hetgeen in het kader van de beoordeling van een verzoek als het onderhavige van belang zou kunnen zijn, is niet gesteld. Verweerder heeft zich daarom in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat geen sprake is van een bijzonder geval. Het bestreden besluit tot ongegrondverklaring van de bezwaren kan daarom in stand blijven.

2.5 Het beroep dient ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. M. Munsterman, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2010.

w.g. M. Munsterman w.g. M.B.L. van der Weele