Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BN5773

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
23-08-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
AWB 10/70
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Wet tuchtrechtspraak accountants

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
ABkort 2010/352

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/70 23 augustus 2010

20150 Wet tuchtrechtspraak accountants

Uitspraak in de zaak van:

A AA, te B, appellant.

1. Op 19 januari 2010 heeft het College een beroepschrift ontvangen, gedateerd 13 januari 2010, waarbij appellant op nader aan te voeren gronden hoger beroep heeft ingesteld tegen een uitspraak van de accountantskamer, gewezen op 7 december 2009.

Deze uitspraak is tevens op 7 december 2009 verzonden.

2. Bij genoemde uitspraak heeft de accountantskamer beslist op een tegen appellant ingediende klacht.

3. In artikel 43, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak accountants (hierna: Wtra) is bepaald dat de artikelen 31 tot en met 41 van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 (hierna: Wet turbo 2004) ten aanzien van de behandeling van een uitspraak van de accountantskamer in hoger beroep van overeenkomstige toepassing zijn.

4. Ingevolge artikel 43, eerste lid, Wtra juncto artikel 31, eerste lid, Wet turbo 2004 kan tegen een uitspraak van de accountantskamer binnen zes weken na verzending van deze uitspraak hoger beroep worden ingesteld bij het College.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, Wtra juncto artikel 32, eerste lid, Wet turbo 2004, wordt het hoger beroep ingesteld door het indienen van een beroepschrift bij het College. Ingevolge artikel 43, eerste lid, Wtra juncto artikel 32, tweede lid, Wet turbo 2004 dient het beroepschrift de gronden van het hoger beroep te bevatten.

Ingevolge artikel 43, eerste lid, Wtra, juncto artikel 34, eerste lid, Wet turbo 2004 kan, als het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk of kennelijk ongegrond is, het College of de president zonder nader onderzoek door het College uitspraak doen.

5. De termijn voor het indienen van een beroepschrift eindigde in het onderhavige geval op 18 januari 2010. Het beroepschrift van appellant is blijkens het poststempel op 18 januari 2010 ter post bezorgd en is derhalve tijdig ingediend.

6. Appellant heeft in zijn beroepschrift verzocht om uitstel voor het indienen van de gronden van het hoger beroep tot 1 juni 2010. Bij griffiersbrief van 15 februari 2010 is appellant de gelegenheid geboden binnen vier weken na 15 februari 2010 de gronden van het beroep in te dienen. Appellant is er daarbij op gewezen dat, indien de gronden niet binnen de gestelde termijn bij het College zijn ontvangen, het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

Bij brief gedateerd 12 maart 2010, ingekomen bij het College op 19 maart 2010, heeft appellant verzocht om toestemming om de gronden van het beroep uiterlijk 30 april 2010 in te mogen leveren. Bij griffiersbrief van 23 maart 2010 is appellant daarop uitstel verleend tot en met 30 april 2010. Daarbij is appellant medegedeeld dat indien de

gronden niet binnen de thans gegeven termijn bij het College zijn ontvangen het beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.

Appellant heeft vervolgens bij brief gedateerd 28 april 2010, ingekomen op 6 mei 2010, de gronden van het beroep ingediend.

7. Het College stelt vast dat de gronden van het hoger beroep niet binnen de laatst gegeven termijn bij het College zijn ontvangen. De bij laatstgenoemde brief van appellant behorende enveloppe is voorzien van een poststempel met datum 4 mei 2010. Hieruit moet worden afgeleid dat de brief ook na de gegeven termijn ter post is aangeboden.

8. Het vorenstaande leidt tot de conclusie dat de gronden van het hoger beroep niet tijdig zijn ingediend. Het hoger beroep van appellant is kennelijk niet-ontvankelijk.

Met toepassing van artikel 43, eerste lid, Wtra juncto artikel 34, eerste lid, Wet turbo 2004 leidt dit tot de volgende uitspraak.

De beslissing

Het College verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. J.L.W. Aerts en mr. M.M. Smorenburg in tegenwoordigheid van mr. M.A. Voskamp, als griffier, en op 23 augustus 2010 uitgesproken in het openbaar.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. M.A. Voskamp