Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BN5653

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
01-09-2010
Zaaknummer
AWB 09/597 AWB 09/598
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie

Aan groentenhandelaar opgelegde heffing door Productschap Tuinbouw. De grief dat de voor de export van uien opgelegde heffing een discriminerende belasting is in de zin van artikel 90 EG (thans 110 VWEU) treft doel. Het College overweegt dat artikel 90 EG zich verzet tegen fiscale discriminatie van producten die naar andere lidstaten worden uitgevoerd. Het betoog van verweerder, dat de hogere heffing die aan exporteurs wordt opgelegd, wordt gecompenseerd door de wijze van aanwending van de opbrengst van de heffing, zodat de netto-last van de exporteurs uiteindelijk hetzelfde is als die van de binnenlandse handelaren, faalt. Het College is van oordeel dat er in de rechtspraak van het HvJEG geen aanknopingspunt te vinden is voor de door verweerder voorgestane uitleg van artikel 90 EG, die zou leiden tot een beperking van de reikwijdte van deze bepaling. Het College ziet tevens aanleiding om met toepassing van art. 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien en de betreffende heffingnota's te herroepen en op nadere bedragen vast te stellen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/597 en 09/598 27 augustus 2010

4288 Heffing

Heffingen handel groenten en fruit

Uitspraak in de zaak van:

A B.V., te B, appellante,

gemachtigde: mr. G.P. van Malkenhorst, werkzaam bij M&P/Bakkerberaad te Utrecht,

tegen

Productschap Tuinbouw, verweerder,

gemachtigde: mr. Th. Keizer, werkzaam bij verweerder.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 20 april 2009, bij het College binnengekomen op 22 april 2009, beroep ingesteld tegen twee besluiten van verweerder van 11 maart 2009.

Bij deze besluiten heeft verweerder beslist op bezwaren van appellante tegen heffingen die haar in verband met de handel in groente en/of fruit zijn opgelegd bij nota’s met de nummers 716397 van 19 december 2007 (periode 2006) en 757554 van 19 september 2008 (periode 2007).

Bij brief van 9 juli 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Bij brief van 26 april 2010 heeft appellante de onderhavige beroepen voorzien van nadere gronden.

Bij brief van 6 mei 2010 heeft verweerder nadere stukken overgelegd.

Op 20 mei 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waar partijen hun standpunten nader hebben toegelicht.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Artikel 11, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EVRM) luidt:

“ Een ieder heeft recht op vrijheid van vreedzame vergadering en op vrijheid van vereniging, met inbegrip van het recht met anderen vakverenigingen op te richten en zich bij vakverenigingen aan te sluiten voor de bescherming van zijn belangen.”

In het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (hierna: EG) is onder meer het volgende bepaald:

“Artikel 25

In- en uitvoerrechten of heffingen van gelijke werking zijn tussen de lidstaten verboden. (…)

Artikel 90

De lidstaten heffen op producten van de overige lidstaten, al dan niet rechtstreeks, geen hogere binnenlandse belastingen van welke aard ook dan die welke, al dan niet rechtstreeks, op gelijksoortige nationale producten worden geheven.

Bovendien heffen de lidstaten op de producten van de overige lidstaten geen zodanige binnenlandse belastingen, dat daardoor andere producties zijdelings worden beschermd.”

Met ingang van 1 december 2009 (inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon) zijn voormelde artikelen hernummerd tot de artikelen 30, 107 en 110 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU).

Artikel 134 van de Grondwet (hierna: Gw) luidt als volgt:

“1. Bij of krachtens de wet kunnen openbare lichamen voor beroep en bedrijf en andere openbare lichamen worden ingesteld en opgeheven.

2. De wet regelt de taken en de inrichting van deze openbare lichamen, de samenstelling en bevoegdheid van hun besturen, alsmede de openbaarheid van hun vergaderingen. Bij of krachtens de wet kan aan hun besturen verordenende bevoegdheid worden verleend.

3. De wet regelt het toezicht op deze besturen. Vernietiging van besluiten van deze besturen kan alleen geschieden wegens strijd met het recht of het algemeen belang.”

De artikelen 66, 67, 71, 93 en 106 van de Wet op de bedrijfsorganisatie (hierna: Wbo) luiden, voor zover van belang:

“Artikel 66

1. Voor twee of meer groepen van ondernemingen, die in het bedrijfsleven een verschillende functie vervullen ten aanzien van bepaalde produkten of groepen van produkten, kunnen openbare lichamen worden ingesteld, hoofdproduktschappen of produktschappen genaamd.

(…)

4. Hoofdprodukt-, produkt-, hoofdbedrijf- en bedrijfschappen kunnen in deze wet en in andere wetten, alsmede in de daarop berustende bepalingen, gezamenlijk worden aangeduid als: bedrijfslichamen.

Artikel 67

De instelling van een bedrijfslichaam geschiedt, op voordracht van Onze betrokken Ministers, bij algemene maatregel van bestuur.

Artikel 71

De bedrijfslichamen hebben tot taak een het algemeen belang dienende bedrijfsuitoefening door de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, te bevorderen, alsmede het gemeenschappelijk belang van die ondernemingen en van de daarbij betrokken personen te behartigen.

Artikel 93

1. Het bestuur van een bedrijfslichaam maakt de verordeningen die het ter vervulling van de in artikel 71 omschreven taak nodig oordeelt ten aanzien van de onderwerpen, die krachtens het tweede lid door dat lichaam geregeld of nader geregeld kunnen worden.

2. Een bedrijfslichaam is, met inachtneming van de bij het instellingsbesluit terzake gestelde regels, bevoegd tot de regeling of nadere regeling van een of meer der volgende onderwerpen of onderdelen daarvan, voorzover

- die onderwerpen of onderdelen niet bij het instellingsbesluit aan die bevoegdheid zijn onttrokken en

- de regeling daarvan niet bij of krachtens de wet uitsluitend aan anderen is overgelaten, te weten:

(…)

e. onderzoek op sociaal, economisch en technisch terrein;

(…)

Artikel 106

1. Verordeningen van het bestuur van een bedrijfslichaam die voor personen als bedoeld in artikel 102 bindende regelen inhouden, (…) worden bekendgemaakt in het vanwege de Raad uitgegeven Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie (…). Indien zij de goedkeuring van een of meer van Onze Ministers, de Raad of het bestuur van een hoofdproduktschap, een produktschap of een hoofdbedrijfschap behoeven, geschiedt de bekendmaking niet dan nadat deze is verleend. Het besluit waarbij de goedkeuring is verleend wordt bij de bekendmaking vermeld. De verordeningen treden, indien zij niet anders bepalen, in werking met ingang van de dag na die van de bekendmaking.

(…)”

Artikel 126 van de Wbo luidde tot 28 november 2007, voor zover van belang, als volgt:

“Artikel 126

1. Bedrijfslichamen kunnen bij verordening aan degenen, die de ondernemingen, waarvoor zij zijn ingesteld, drijven, heffingen opleggen. Deze verordeningen worden jaarlijks vastgesteld.

(…)

3. Het instellingsbesluit kan regelen stellen omtrent de op te leggen heffingen.

4. Verordeningen als bedoeld in het eerste lid behoeven tevens de goedkeuring van Onze betrokken Ministers, indien zij dienen ter afzonderlijke financiering van een specifiek, bij die verordening aangegeven doel (…).

(…)

7. Verordeningen als bedoeld in het eerste (…) lid behoeven de goedkeuring van de Raad.”

Bij de Wet van 8 november 2007 tot wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie met betrekking tot de ministeriële goedkeuring van besluiten van bedrijfslichamen is in artikel 126, vierde lid, van de Wbo “Onze betrokken Ministers” vervangen door “Onze Minister wie het aangaat, in voorkomend geval in overeenstemming met Onze andere betrokken Minister of Ministers”.

Het Instellingsbesluit Productschap Tuinbouw (Stb. 2003, 567; hierna: het Instellingsbesluit) bepaalt, voor zover hier van belang:

“Artikel 1

In dit besluit en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de wet: de Wet op de bedrijfsorganisatie;

b. (…)

c. het productschap: het Productschap Tuinbouw;

(…)

Artikel 3

1. Er is een Productschap Tuinbouw.

2. Het productschap is ingesteld voor de ondernemingen waarin:

a. de teelt van fruit, groenten of siergewassen wordt uitgeoefend;

(…)

Artikel 12

Het productschap is bevoegd tot de regeling of nadere regeling van de in artikel 93, tweede lid, van de wet vermelde onderwerpen of onderdelen daarvan met uitzondering van de onderdelen:

(…)

e. onderzoek op sociaal, economisch en technisch terrein;

(…)

Artikel 14

1. Het productschap legt een heffing als bedoeld in artikel 126, eerste lid, van de wet op gebaseerd op een grondslag welke het bestuur passend acht, met dien verstande dat het tarief voor bepaalde in de heffingsverordening aangewezen ondernemingen of groepen van ondernemingen verschillend kunnen zijn. Boven of in de plaats van zodanige heffing kan een bedrag worden geheven dat voor alle ondernemingen of groepen daarvan gelijk is.

2. Heffingen waarvan de opbrengst een bijzondere bestemming heeft, kunnen worden opgelegd naar een grondslag welke het bestuur van het productschap in verband met die bestemming passend acht.”

De Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2006 (hierna: Verordening algemene heffing 2006) bepaalt, voor zover van belang:

Ҥ 1 Begripsbepalingen

Artikel 1

(…)

3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de handel: het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften;

(…)

c. de ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgoefend in de verse of bewerkte producten:

1e fruit (…)

2e groenten (…)

4. Met de ondernemer als bedoeld in het derde lid, onder c, wordt gelijk gesteld de natuurlijke of rechtspersoon die groenten en fruit van telers of van buitenlandse handelaren aankoopt en deze zonder tussenkomst van andere handelaren verkoopt aan consumenten. (…)

§ 2 Heffingsplicht

Artikel 2

1. De ondernemer is jaarlijks aan het Productschap Tuinbouw een heffing verschuldigd ten behoeve van de algemene kosten van het Productschap Tuinbouw.

(…)

§ 3 Grondslag en hoogte

Artikel 3

1. De heffing die de ondernemer is verschuldigd, wordt opgelegd naar de grondslag aankoopwaarde handel over het kalenderjaar 2006.

2. In afwijking van het eerste lid, wordt de heffing voor de handel in uien opgelegd over het aantal aangekochte netto kilogrammen.

3. De heffing als bedoeld in het eerste lid (…) bedraagt ten hoogste: 0,06%.

4. De heffing als bedoeld in het tweede lid (…) bedraagt ten hoogste: € 4,53 per 100 ton.

5. De hoogte van de heffing als bedoeld in het derde en vierde lid, wordt door middel van een besluit van het bestuur vastgesteld. (…)”

In de toelichting bij de Verordening algemene heffing 2006 is onder meer het volgende vermeld:

“1. Algemeen

Het Productschap Tuinbouw (hierna: PT) is ingesteld krachtens de Wet op de bedrijfsorganisatie. Het PT heeft tot taak een het algemeen belang dienende bedrijfsuitoefening in ondernemingen in de tuinbouwsector te bevorderen, alsmede het gemeenschappelijk belang van die ondernemingen en van de daarbij betrokken personen te behartigen. (…)

Aan de ondernemingen waarvoor het PT is ingesteld worden heffingen opgelegd. De opbrengst van de opgelegde heffing dient ter financiering van:

a. (onpersoonlijke) promotie,

b. sociaal onderzoek,

c. economisch onderzoek,

d. technisch onderzoek,

e. milieuaangelegenheden,

f. kwaliteitsaangelegenheden,

g. de organisatiekosten van het PT, en

h. overigen.

(…)

2.1 Doelstellingen die worden nagestreefd en de te verwachten (neven)effecten van de verordening

De onderhavige algemene heffing dient ter financiering van de organisatiekosten van het PT. (…)

4. Artikelsgewijze toelichting

(…)

Artikel 1, vierde lid:

Winkeliers (retailers) worden als zodanig niet in deze heffing betrokken. Dat is alleen het geval zodra zij zelf van telers aankopen of importeren.

(…)”

De Verordening PT algemene heffing handel groenten en fruit 2007 (hierna: Verordening algemene heffing 2007) en de daarbij behorende toelichting bevatten gelijkluidende bepalingen als hiervoor geciteerd.

De Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2006 (hierna: Verordening bestemmingsheffing 2006) bepaalt, voor zover van belang:

Ҥ 1 Begripsbepalingen

Artikel 1

(…)

3. In deze verordening en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:

a. de handel: het aankopen en verkopen van producten aan anderen dan consumenten voor hun persoonlijke behoeften;

(…)

c. de ondernemer: de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgoefend in de verse of bewerkte producten:

1e fruit (…)

2e groenten (…)

4. Met de ondernemer als bedoeld in het derde lid, onder c, wordt gelijk gesteld de natuurlijke of rechtspersoon die groenten en fruit van telers aankoopt en deze zonder tussenkomst van andere handelaren verkoopt aan consumenten. (…)

§ 2 Heffingsplicht

Artikel 2

1. De ondernemer is jaarlijks aan het Productschap Tuinbouw een heffing verschuldigd ten behoeve van aangelegenheden als milieuprojecten, kwaliteitscontrole, onderzoek en afzetbevordering.

(…)

§ 3 Grondslag en hoogte

Artikel 3

1. De heffing die de ondernemer is verschuldigd, wordt opgelegd naar de grondslag aankoopwaarde handel over het kalenderjaar 2006.

2. In afwijking van het eerste lid, wordt de heffing voor de handel in uien opgelegd over het aantal aangekochte netto kilogrammen.

3. De heffing als bedoeld in het eerste lid (…) bedraagt ten hoogste voor:

a. groenten: 0,14%;

b. fruit: 0,14%, en

c. champignons: 0,16%.

4. De heffing als bedoeld in het tweede lid (…) bedraagt ten hoogste: € 68,00 per 100 ton.

(…)

6. Geen heffing is verschuldigd, waar het kwaliteitscontrole betreft, indien en voor zover de ondernemer:

a. op contract teelt voor industrie die groenten en fuit verduurzaamt of bewerkt, of

b. voor producten (gewassen, groenten en fruit) waarvoor geen wettelijke kwaliteitseisen gelden.

Tegelijk met de jaarlijkse vaststelling van de hoogte van de heffing als bedoeld in het vijfde lid, stelt het bestuur het percentage vast, waarmee de heffing voor die gevallen wordt verlaagd.”

In de artikelsgewijze toelichting, behorend bij de Verordening bestemmingsheffing 2006 is onder meer het volgende vermeld:

“Artikel 1, vierde lid:

Winkeliers (retailers) worden als zodanig niet in deze heffing betrokken. Dat is alleen het geval zodra zij zelf van telers aankopen.”

De Verordening bestemmingsheffing 2006 is gewijzigd bij artikel I, A en B van de Wijziging Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2006 (hierna: de wijzigingsverordening). Deze bepalingen luiden als volgt:

“A. In artikel 3, tweede lid wordt de zinsnede toegevoegd: De heffing voor de handel ten behoeve van afzetbevordering van uien is voor 50% verschuldigd door degene die uien aankoopt bij telers en voor 50% verschuldigd door degene die uien exporteert.

B. In artikel 3, vierde lid wordt de zinsnede “€ 68,00 per 100 ton”, vervangen door: € 31,70 per 100 ton voor kwaliteitscontrole en € 36,30 per 100 ton voor afzetbevordering.”

Voormelde wijzigingen zijn in de wijzigingsverordening als volgt toegelicht:

“De reden van deze wijziging is het verzoek van Frugi Venta de reeds jaren bestaande scheefgroei in de lastenverdeling tussen exporteurs en sorteer- en pakstations recht te trekken. Dit gebeurt met name in artikel 3, tweede en vierde lid.

De verdeling in heffing tussen exporteurs en degenen die uien aankopen bij telers geldt alleen voor de bestemming afzetbevordering en niet voor de bestemming kwaliteitscontrole. Derhalve moet de bestemmingsheffing gesplitst worden in maximum tarieven voor afzetbevordering en kwaliteitscontrole.

De Commissie voor groenten en fruit heeft in de vergadering van 4 april 2006 over het concept positief aan het bestuur van het productschap geadviseerd.”

De Verordening PT bestemmingsheffing handel groenten en fruit 2007 (hierna: Verordening bestemmingsheffing 2007) en de daarbij behorende toelichting bevatten gelijkluidende bepalingen als de hiervoor genoemde bepalingen uit de (gewijzigde) Verordening bestemmingsheffing 2006.

Het tarief voor de heffing voor de handel in uien, op grond van de (gewijzigde) Verordening bestemmingsheffing 2006, is bij Besluit PT heffing groenten en fruit 2006 (hierna: tariefbesluit 2006) vastgesteld op € 31,70 per 100 ton voor kwaliteitscontrole en € 36,30 per 100 ton voor afzetbevordering. De korting als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Verordening bestemmingsheffing 2006 is vastgesteld op € 31,70 per 100 ton.

Het tarief voor de heffing voor de handel in uien, op grond van de Verordening bestemmingsheffing 2007, is bij Besluit PT heffing groenten en fruit 2007 (hierna: tariefbesluit 2007) vastgesteld op € 10,60 per 100 ton voor kwaliteitscontrole en

€ 36,30 per 100 ton voor afzetbevordering. De korting als bedoeld in artikel 3, zesde lid, van de Verordening bestemmingsheffing 2007 is vastgesteld op € 10,60 per 100 ton.

Artikel 7 van het Besluit PT verlening mandaat, volmacht en machtiging voorzitter en secretaris Productschap Tuinbouw van 25 april 2006 luidt:

“1. Het in een document vastleggen van een besluit (…) dient te geschieden op briefpapier van het productschap met het hoofd: “Productschap Tuinbouw”.

2. Een document als bedoeld in het eerste lid, vastgesteld door de voorzitter, vermeldt aan het slot: “De voorzitter,”, gevolgd door de handtekening en de naam van de voorzitter.

3. Een document als bedoeld in het eerste lid, vastgesteld door een functionaris, vermeldt aan het slot: “De voorzitter, namens deze,”, gevolgd door de handtekening, de naam van de functionaris en de functieaanduiding.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Bij nota’s van 19 december 2007 en 19 september 2008 zijn aan appellante heffingen opgelegd voor de jaren 2006 en 2007 op grond van de Verordening algemene heffing 2006 en de Verordening bestemmingsheffing 2006, respectievelijk de Verordening algemene heffing 2007 en de Verordening bestemmingsheffing 2007.

- Appellante heeft tegen voormelde heffingsnota’s bezwaar gemaakt.

- Op 27 november 2008 heeft een hoorzitting plaatsgevonden.

- Bij besluiten van 11 maart 2007 heeft verweerder op de bezwaren beslist.

3. De bestreden besluiten

Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de bezwaren ongegrond verklaard en de heffingen gehandhaafd. De bestreden besluiten steunen – samengevat – op de volgende overwegingen.

Verweerder kan als publiekrechtelijk lichaam niet worden aangemerkt als een vereniging in de zin van artikel 11 EVRM, zodat de verplichte aansluiting van appellante bij verweerder niet in strijd is met die verdragsbepaling.

De opbrengsten van de algemene heffing dienen ter bestrijding van de kosten van het productschap. De opbrengsten worden niet besteed aan de financiering van onderzoek of andere specifieke doeleinden.

De opbrengsten van de bestemmingsheffing worden onder meer besteed aan de financiering van onderzoek. Het op deze manier faciliteren van onderzoek staat niet gelijk aan het treffen van een (nadere) regeling ten aanzien van onderzoek, zoals appellante ten onrechte veronderstelt.

Bij de publicatie van de Verordening algemene heffing 2007 is abusievelijk niet vermeld dat deze is goedgekeurd door de SER. De SER heeft deze verordening bij besluit van 31 augustus 2006 goedgekeurd. Dat de verordening is gepubliceerd in het Pbo-blad vormt een aanwijzing dat de verordening door de SER is goedgekeurd.

De in de Verordening genoemde tarieven zijn maximumtarieven. Het bestuur van verweerder is bevoegd om de hoogte van de heffing bij besluit vast te stellen. Goedkeuring van een dergelijk besluit door de betrokken Ministers of de SER is niet vereist. Het op deze wijze vaststellen van de heffing is niet in strijd met de rechtszekerheid. De verordeningen en de bijbehorende toelichtingen zijn gepubliceerd in het jaar voorafgaande aan de inwerkingtreding daarvan. De bedrijfsgenoten zijn dus steeds tijdig op de hoogte van het (maximum) tarief.

De ongelijkheid die ontstaat door het hanteren van verschillende tarieven voor verschillende bedrijfsgenoten is op grond van artikel 14 van het Instellingsbesluit PT toegestaan. In dit artikel is opgenomen dat het bestuur een heffing kan opleggen op een grondslag welke zij passend acht en dat het tarief voor bepaalde in de verordening aangewezen ondernemingen en groepen ondernemingen verschillend kan zijn. Van een willekeur in de verdeling van de lasten over de diverse bedrijfsgenoten is geen sprake.

De bestemmingsheffing maakt deel uit van een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen, zodat niet artikel 25 EG, maar het discriminatieverbod van artikel 90 EG het toetsingskader vormt. Alle handelaren, ongeacht of zij exporteren, zijn deze heffing verschuldigd. Wel is onderscheid gemaakt in de hoogte van de tarieven: de brutolast voor de exporteurs is hoger. Voor dit onderscheid bestaat een legitieme rechtvaardiging: de exporteurs profiteren het meest van de afzetbevordering, aangezien 90% van de uien wordt geëxporteerd en de uienpromotie in het buitenland plaatsvindt. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen dient bij de vergelijking van de heffinglast rekening te worden gehouden met de wijze van aanwending van de opbrengst en de mate waarin de last wordt gecompenseerd. Aangezien exporteurs meer profijt hebben van de uienpromotie, is het niet meer dan logisch dat zij ook een hogere heffing betalen. De nettolast is uiteindelijk hetzelfde als die van de andere ondernemers. Van een fiscale discriminatie als door artikel 90 EG verboden, is dan ook geen sprake.

Met het Besluit PT verlening mandaat, volmacht en machtiging voorzitter en secretaris Productschap Tuinbouw zijn bevoegdheden van het bestuur van verweerder op het gebied van heffingen aan de secretaris gemandateerd. Artikel 7 van voormeld besluit doet aan die bevoegdheid niet af.

4. Het standpunt van appellan[e(n)]

Appellante heeft – samengevat weergegeven – aangevoerd dat de bestreden besluiten om de volgende redenen dienen te worden vernietigd.

4.1 Het in artikel 11 EVRM neergelegde (negatieve) verenigingsrecht verzet zich ertegen dat appellante wordt verplicht deel te nemen aan het Productschap Tuinbouw. Dit geldt in het bijzonder voor de private taken van verweerder, waarbij het algemeen belang niet in het geding is (onderzoek, promotie en dergelijke).

4.2 De Verordeningen bestemmingsheffing 2006 en 2007 zijn onverbindend, nu daarin is bepaald dat de heffing mede dient ten behoeve van onderzoek. Appellante meent dat de activiteiten van verweerder dienen te worden aangemerkt als de regeling of nadere regeling van onderzoek, als bedoeld in artikel 93, tweede lid, Wbo, waartoe verweerder niet bevoegd is.

Hetzelfde geldt volgens appellante wellicht ook ten aanzien van de Verordeningen algemene heffing 2006 en 2007, nu onduidelijk is waarvoor de opbrengst van de algemene heffing wordt aangewend. Volgens artikel 2, eerste lid, van de Verordeningen algemene heffing 2006 en 2007 is de heffing verschuldigd ten behoeve van de algemene kosten van verweerder. In de bij de verordeningen behorende toelichting worden echter ook andere doeleinden genoemd, waaronder doeleinden waarvoor verweerder niet bevoegd is regelend op te treden.

4.3 Bij de publicatie van de Verordening algemene heffing 2007 is – in strijd met artikel 106, eerste lid, Wbo – niet vermeld dat deze is goedgekeurd door de SER. In bezwaar is aangevoerd dat de Verordening algemene heffing 2007 (nog) niet verbindend is nu deze niet op correcte wijze is afgekondigd. Verweerder is hierop in het bestreden besluit niet ingegaan.

4.4 De tariefbesluiten zijn niet goedgekeurd door de betrokken Ministers en de SER. Aangezien de tariefbesluiten verbindende kracht ontberen zijn er geen tarieven vastgesteld.

Voor het geval de tariefbesluiten wel verbindende kracht zouden hebben, geldt dat ze pas zijn genomen en afgekondigd na de aanvang van de periode waarop de heffing betrekking heeft, hetgeen in strijd is met het legaliteitsbeginsel en/of het rechtszekerheidsbeginsel.

Uit de Memorie van Toelichting bij de wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie en enige andere wetten (MvT II, 25695, nr. 3, p. 15) volgt dat de SER de verordening in samenhang met de begroting moet beoordelen. Dat is niet mogelijk zonder het tarief te kennen. Daarbij komt dat in het tariefbesluit meerdere tarieven worden vastgesteld. Aangezien de tarieven niet volgens een vast percentage van de maximumtarieven worden vastgesteld, wordt met de tariefbesluiten tevens de onderlinge heffingdruk van de diverse subsectoren bepaald.

Voorts zijn de bedrijfsgenoten, nu tariefbesluiten niet worden voorgehangen, niet in de gelegenheid geweest om bedenkingen aan te voeren tegen de tarieven. De wetgever hecht een groot belang aan de mogelijkheid voor bedrijfsgenoten om bedenkingen aan te voeren. Dit kan worden afgeleid uit het feit dat een niet (tijdig) voorgehangen verordening door de betrokken Minister(s) moet worden goedgekeurd.

4.5 De diverse bedrijfsgenoten dragen op ongelijke wijze bij aan de kosten van het productschap, zonder dat daarvoor een rechtvaardigingsgrond wordt gegeven. Zo worden detailhandelaren, waaronder supermarkten, niet beheven. Dit is in strijd met artikel 126 Wbo en leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing welke de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad.

Ook overigens lijken de diverse in de sector Groenten en Fruit gehanteerde tarieven willekeurig. Er is een onvoldoende transparante samenhang tussen de heffingopbrengsten, de bijdragen vanuit de diverse (sub)sectoren, de perceptiekosten en de wijze waarop de opbrengst aan de diverse uitgavenposten (fondsen) wordt toebedeeld.

4.6 De aan appellante opgelegde bestemmingsheffing voor de door haar geëxporteerde uien leidt ertoe dat zij als exporteur aan een hogere heffing is onderworpen dan een bedrijf dat uien binnenlands verhandelt. Dit is in strijd met artikel 25 dan wel artikel 90 EG.

4.7 Bij brief van 26 april 2010 heeft appellante ter aanvulling van de beroepsgronden opgemerkt dat de heffingsnota’s in strijd met artikel 7 van het Besluit PT verlening, mandaat, volmacht en machtiging voorzitter en secretaris Productschap Tuinbouw niet de naam bevatten van de functionaris die deze heeft vastgesteld. Appellante heeft daarbij het standpunt ingenomen dat de heffingsnota’s door onbevoegde functionarissen zijn opgelegd. Ter zitting heeft appellante toegelicht dat verweerder blijkens de bij brief van 6 mei 2010 overgelegde stukken kennelijk meent dat de aanslagen in (onder)mandaat worden vastgesteld namens het bestuur. Appellante stelt dat de secretaris geen (onder)mandaat kan verlenen, omdat het bestuur van verweerder de bevoegdheid om aanslagen vast te stellen reeds heeft geattribueerd aan de voorzitter, zodat het bestuur deze bevoegdheid niet meer aan de secretaris kan mandateren.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Ten aanzien van de door appellante gestelde schending van artikel 11 EVRM, overweegt het College het volgende. Het Europese Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat artikel 11 EVRM ook het negatieve recht van vereniging omvat (zie het arrest Sigurdur A. Sigurjonsson tegen IJsland van 30 juni 1993 (Publ. Hof, Serie A, Vol. 264 § 35, NJ 1994, 223), hetgeen betekent dat de verplichting om zich aan te sluiten bij een bepaalde vereniging onder omstandigheden een aantasting kan zijn van het recht op vrijheid van vereniging, gewaarborgd door artikel 11 EVRM. Echter, zoals het College reeds meerdere malen, in soortgelijke zaken als de onderhavige – zie bijvoorbeeld de uitspraken van 16 november 2006, AWB 05/261 (www.rechtspraak.nl, LJN: AZ3137), 26 november 2008, AWB 06/259 en 06/460 (www.rechtspraak.nl, LJN: BG8046), 31 maart 2010, AWB 08/212 e.a., (www.rechtspraak.nl, LJN: BM3224) en 10 mei 2010, (www.rechtspraak.nl, LJN: BM5050) – heeft overwogen, kan een publiekrechtelijke organisatie als het Productschap Tuinbouw, die krachtens de Grondwet is ingesteld, en in hoofdstuk 7 van de Grondwet met andere overheidslichamen is behandeld en gerekend tot "openbare lichamen", niet worden aangemerkt als een privaatrechtelijke vereniging in de zin van artikel 11 EVRM. Dit houdt in dat van een lidmaatschap, zoals bij verenigingen, geen sprake is, maar dat een onderneming zoals die van appellante van rechtswege behoort tot de ondernemingen, waarvoor verweerder is ingesteld. Voorts is kenmerkend dat een bedrijfslichaam als het Productschap Tuinbouw functioneert onder toezicht van de centrale overheid en dat de regelgevende bevoegdheid wordt bepaald door de wet. Weliswaar zijn de besturen van de openbare bedrijfslichamen samengesteld uit vertegenwoordigers van representatieve organisaties van werkgevers en werknemers en beschikken zij over ruime verordenende bevoegdheden, daar staat tegenover dat de verordeningen de goedkeuring behoeven van de betrokken Minister en/of de SER. Besluiten van openbare bedrijfslichamen als het Productschap Tuinbouw worden aangemerkt als besluiten in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht en zijn appellabel voor de bestuursrechter. Het productschap is bovendien opgericht met het oog op het vervullen van een voor het openbaar belang nuttig geachte functie, onder meer tot uitdrukking komend in de taakomschrijving in artikel 71 Wbo. Het feit dat deze bepaling ruimte laat voor het behartigen van het gemeenschappelijk belang van de ondernemingen, en van de daarbij betrokken personen, waarvoor het bedrijfslichaam is ingesteld, doet geen afbreuk aan het publiekrechtelijk karakter van de organisatie. Het beroep van appellante op artikel 11 EVRM faalt derhalve.

5.2 Met betrekking tot de stelling van appellante dat de heffing mede wordt aangewend voor (technisch) onderzoek en dat de activiteiten van verweerder, bestaande uit subsidiëring en financiering van onderzoeksprojecten, zijn aan te merken als de (nadere) regeling als bedoeld in artikel 93 Wbo, overweegt het College het volgende.

Ten aanzien van de algemene heffing blijkt uit artikel 2, eerste lid van Verordeningen algemene heffing 2006 en 2007 en uit § 2.1 van de daarbij behorende toelichting dat deze uitsluitend dient ter financiering van de organisatiekosten van verweerder.

Het betoog dat de Verordeningen bestemmingsheffing 2006 en 2007 onverbindend zijn, nu daarin is bepaald dat de heffing mede dient ten behoeve van onderzoek, gaat voorbij aan de rechtsgrondslag van deze verordeningen, die niet in artikel 93 Wbo is gelegen, maar in artikel 126 Wbo.

Artikel 93 Wbo bepaalt de algemene verordenende bevoegdheid van bedrijfslichamen. De beperkingen die daaraan bij of krachtens artikel 93 Wbo zijn gesteld, raken niet de bevoegdheid ingevolge artikel 126 Wbo om bij verordening heffingen op te leggen. Evenmin sluit artikel 93 Wbo uit dat verweerder binnen het kader van zijn taak zoals bepaald bij artikel 71 Wbo, activiteiten ontplooit, die vallen buiten de onderwerpen die verweerder bij verordening (nader) kan regelen krachtens het tweede lid van artikel 93 Wbo (zie de uitspraak van het College van 26 november 1991, nrs. 89/2275/47/003 e.a.).

Gesteld noch gebleken is dat de stimulering van onderzoek, die wordt bekostigd uit de bestemmingsheffing op grond van de Verordeningen bestemmingsheffing 2006 en 2007, zou vallen buiten de algemene taakomschrijving van verweerder als neergelegd in artikel 71 Wbo.

5.3 Ten aanzien van de grief inzake het verzuim om bij de publicatie van de Verordening algemene heffing 2007 in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie het besluit te vermelden waarbij de Verordening is goedgekeurd door de SER, stelt het College vast dat het hier gaat om schending van een vormvoorschrift, dat niet met nietigheid is bedreigd. Uit het Koninklijk Besluit van 5 december 1950 (Stb. K 550) en de memorie van toelichting bij de Verzamelwet SZW-wetten AV- en Arboterrein (Stb. 2004, 104), blijkt niet dat destijds om andere dan louter administratieve redenen is besloten om het voorschrift betreffende de bekendmaking van de datum van goedkeuring naar artikel 106 Wbo over te brengen.

Appellante heeft niet aangegeven in hoeverre zij door het ontbreken van de vermelding in haar belangen is geschaad. Het voorschrift heeft kennelijk tot doel in een oogopslag duidelijk te maken dat voldaan is aan het eveneens in artikel 106 Wbo bepaalde, te weten dat de Verordening pas in het Verordeningenblad Bedrijfsorganisatie mag worden bekend gemaakt, nadat de vereiste goedkeuring is verleend. Voorzover appellante betwijfelt of hieraan is voldaan, volgt uit de door verweerder overgelegde goedkeuringsbeschikking van de SER van 31 augustus 2006, dat er geen reden voor twijfel is op dit punt.

Het verzuim heeft dan ook niet de onverbindendheid van de Verordening algemene heffing 2007 tot gevolg.

5.4 Ten aanzien van de grief dat de tariefbesluiten 2006 en 2007 wegens het ontbreken van goedkeuring van de betrokken Ministers en de SER onverbindend zijn, wordt het volgende overwogen. Zoals het College reeds eerder heeft overwogen – zie bijvoorbeeld de eerdergenoemde uitspraak van 31 maart 2010, AWB 08/212 e.a. (www.rechtspraak.nl, LJN: BM3224) – schrijft geen wettelijke regeling voor dat een tariefbesluit als het onderhavige de uitdrukkelijke goedkeuring behoeft van de betrokken Ministers en de SER, als laatstgenoemden reeds goedkeuring hebben verleend aan de verordening waarop het tariefbesluit berust. Artikel 3, vijfde lid, van de onderhavige verordeningen laat uitdrukkelijk toe dat het bestuur van het productschap het bedrag van de heffing nader vaststelt op een gelijk of lager bedrag dan het in de verordening genoemde maximumbedrag. Voorts zijn de bedrijfsgenoten in de gelegenheid geweest om tegen de in genoemde verordeningen neergelegde heffingssystematiek dan wel de daarin vastgestelde maximumbedragen bedenkingen aan te voeren.

Van toepassing in strijd met het legaliteitsbeginsel dan wel het rechtszekerheidsbeginsel is geen sprake. De tariefbesluiten zijn pas na aanvang van de periode waarop de heffing betrekking heeft, te weten op 19 mei 2006 respectievelijk 2 maart 2007, gepubliceerd. Ten aanzien van het heffingsjaar 2006 geldt echter dat appellante, gelet op de publicatie van de Verordening algemene heffing 2006 en de Verordening bestemmingsheffing 2006 in het Pbo-blad van 30 september 2005, voor aanvang van het heffingsjaar bekend was met de maximaal op te leggen heffingstarieven. De Verordening bestemmingsheffing 2007 is gepubliceerd op 9 februari 2007 en tegelijkertijd met de publicatie van de Verordening algemene handel 2007 op 2 maart 2007 is tevens het tariefbesluit 2007 gepubliceerd. Voor deze heffingen geldt dat appellante, gelet op de publicatie van de ontwerpverordeningen in het Pbo-blad van 26 mei 2006, eveneens voor aanvang van het heffingsjaar bekend kon worden geacht met de maximaal op te leggen heffingstarieven. Appellante heeft niet toegelicht in hoeverre zij door deze heffingssystematiek in haar belangen is geschaad. Het streven van verweerder om inkomsten en uitgaven in een begrotingsjaar zoveel mogelijk op elkaar af te stemmen en niet nodeloos hoge tarieven in rekening te brengen, is in het belang van de bedrijfsgenoten, aangezien zij uiteindelijk veelal met gunstiger tarieven worden belast dan de aanvankelijk aangekondigde tarieven. De grief dat de tariefbesluiten onverbindend zouden zijn treft derhalve geen doel.

5.5 Appellante heeft voorts aangevoerd dat de keuze van verweerder om geen heffing op te leggen aan detailhandelaren – met uitzondering van detailhandelaren die zelf van telers aankopen, deze worden immers wel beheven – leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing, welke de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad.

Volgens vaste jurisprudentie van het College kan aan een algemeen verbindend voorschrift slechts verbindende kracht worden ontzegd, indien de door de betrokken regelgever gemaakte keuzen strijdig geacht moeten worden met een hogere – algemeen verbindende – regeling, dan wel indien met inachtneming van de beoordelingsvrijheid van de regelgever en derhalve met terughoudendheid toetsend geoordeeld moet worden dat het voorschrift een toetsing aan algemene rechtsbeginselen niet kan doorstaan.

Bij de beoordeling of aan dit criterium voldaan wordt neemt het College mede in aanmerking de jurisprudentie van de belastingrechter. Deze toetst belastingverordeningen, die vergelijkbaar zijn met de onderhavige heffingsverordeningen, aan het door appellante genoemde criterium of sprake is van een willekeurige en onredelijke heffing, welke de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad.

Het College stelt vast dat van strijd met een hogere regeling geen sprake is. Zoals het College reeds eerder, in de uitspraak van 31 maart 2010, AWB 08/212 e.a. (www.rechtspraak.nl, LJN: BM3224) heeft overwogen bieden de artikelen 126 Wbo en 14 van het Instellingsbesluit verweerder een ruime bevoegdheid voor het kiezen van de toepasselijke grondslag bij het opleggen van een heffing, waaronder mede moet worden begrepen de keuze van de groep van ondernemers aan wie de betreffende heffing in verband met de bestemming zal worden opgelegd. Het College is niet gebleken dat de wetsgeschiedenis aanknopingspunten biedt voor het standpunt van appellante dat per definitie alle bedrijfsgenoten uit de bedrijfstak heffingsplichtig zijn als zij van de opbrengst van de heffing profiteren. Appellante heeft dan ook onvoldoende onderbouwd dat de keuze van verweerder om geen heffing op te leggen aan detailhandelaren, voor zover deze niet zelf van telers inkopen, leidt tot een willekeurige en onredelijke heffing, welke de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid niet op het oog kan hebben gehad. De grief faalt.

5.6 Ten aanzien van de grief dat de heffingsnota’s door onbevoegde functionarissen zijn opgelegd, wordt het volgende overwogen.

Aangezien de bezwaarprocedure mede is bedoeld voor het herstel van bevoegdheidsgebreken is het College van oordeel dat, voor zover sprake zou zijn van onbevoegd genomen primaire besluiten, dit eventuele bevoegdheidsgebrek bij de bestreden besluiten is hersteld. Die besluiten zijn immers bevoegdelijk genomen door de voorzitter van het productschap. De grief slaagt niet.

5.7 Appellante heeft voorts betoogd dat de aan haar op grond van de Verordeningen bestemmingsheffing 2006 en 2007 opgelegde heffing voor de export van uien een discriminerende belasting is in de zin van artikel 25 dan wel 90 EG. Dienaangaande wordt het volgende overwogen.

Onder een door artikel 25 EG (thans 30 VWEU) verboden heffing van gelijke werking als een douanerecht dient volgens vaste rechtspraak van het HvJEG te worden verstaan: elke eenzijdig opgelegde geldelijke last, ongeacht de benaming of structuur ervan, die wegens grensoverschrijding over goederen wordt geheven en geen douanerecht stricto sensu is (zie onder meer het arrest van het HvJEG van 17 juli 1997, Haahr Petroleum, C-90/94, Jur. 1997, blz. I-4085, punt 20).

De heffing op grond van de Verordeningen bestemmingsheffing 2006 en 2007 ten behoeve van aangelegenheden als milieuprojecten, kwaliteitscontrole, onderzoek en afzetbevordering wordt opgelegd aan de natuurlijke of rechtspersoon die een onderneming drijft waarin de handel wordt uitgeoefend in vers of bewerkt fruit en/of verse of bewerkte groenten. De heffing voor de handel in uien wordt opgelegd over het aantal aangekochte netto kilogrammen. De heffing is onderverdeeld in een bedrag van maximaal € 31,70 per 100 ton voor kwaliteitscontrole en maximaal € 36,30 per 100 ton voor afzetbevordering.

Op grond van artikel 3, zesde lid, van voormelde verordeningen is in een aantal gevallen (onder meer bij contractteelt) geen heffing voor kwaliteitscontrole verschuldigd.

Wat de heffing ten behoeve van de afzetbevordering van uien betreft, is in artikel 3, tweede lid, van voormelde verordeningen bepaald dat deze heffing voor 50% is verschuldigd door degene die uien aankoopt bij telers en voor 50% door degene die uien exporteert. Dit betekent dat bij een tarief van € 36,30 per 100 ton aangekochte uien de volgende heffingstarieven per 100 ton uien worden gehanteerd:

- voor uien die van een teler zijn aangekocht en in Nederland worden verkocht: € 18,15

- voor uien die van een teler zijn aangekocht en vervolgens worden geëxporteerd: € 36,30

- voor uien die van een handelaar zijn aangekocht en in Nederland worden verkocht: € 0,--

- voor uien die van een handelaar zijn aangekocht en worden geëxporteerd: € 18,15

De heffing wordt derhalve geheven over zowel de binnenlandse handel als de export.

Onder deze omstandigheden is het College van oordeel dat de heffing niet betreft een geldelijke last die wegens grensoverschrijding over goederen wordt geheven, zodat artikel 25 EG niet van toepassing is.

Vervolgens moet worden onderzocht of sprake is van een door artikel 90 EG (thans 110 VWEU) verboden fiscale discriminatie.

De heffing, die op grond van de Verordeningen bestemmingsheffing 2006 en 2007 wegens de handel in uien wordt opgelegd, behoort tot een algemeen stelsel van binnenlandse belastingen. Het gedeelte van deze heffing dat bestemd is voor afzetbevordering wordt uitsluitend opgelegd aan handelaren die uien van een teler aankopen en aan handelaren die uien exporteren.

Aan appellante is op grond van de Verordening bestemmingsheffing 2006 voor de periode 2006 een heffing opgelegd ad (in totaal) € 670,10, waaronder een bedrag van € 376,32 voor afzetbevordering, in verband met de export van 2.073,375 ton bij handelaren ingekochte uien à € 18,15 per 100 ton.

Voor de periode van 2007 is op grond van de Verordening bestemmingsheffing 2007 een heffing opgelegd ad (in totaal)

€ 1.698,99, waaronder een bedrag van € 474,92 voor afzetbevordering, in verband met de export van 2.616,625 ton bij handelaren ingekochte uien à 18,15 per 100 ton.

Aan een handelaar die dezelfde hoeveelheden bij handelaren ingekochte uien in Nederland verkoopt, wordt op grond van artikel 3, tweede lid, van voormelde verordeningen geen heffing opgelegd.

Uit artikel 3, tweede lid voornoemd volgt derhalve dat uien, die van een handelaar zijn aangekocht, in verband met afzetbevordering worden beheven tegen een tarief van (maximaal) € 18,15 per 100 ton, terwijl dezelfde uien bij verkoop in Nederland niet worden beheven. Voorts volgt uit artikel 3, tweede lid voornoemd dat van een teler aangekochte uien, bij export, in verband met afzetbevordering worden beheven tegen een tarief van (maximaal) € 36,30 per 100 ton. Dit is het dubbele van het tarief dat voor dergelijke uien bij verkoop in Nederland wordt geheven, te weten (maximaal) € 18,15 per 100 ton.

Blijkens vaste rechtspraak van het HvJEG is een belastingstelsel slechts verenigbaar met artikel 90 EG, indien wordt aangetoond dat het zodanig is ingericht, dat het in alle gevallen is uitgesloten dat ingevoerde producten zwaarder worden belast dan binnenlandse producten en dat het bijgevolg in geen geval discriminerende gevolgen heeft (zie onder meer het arrest van 8 november 2007, Stadtgemeinde Frohnleiten, C-221/06, Jur. 2007, blz. I-9643, punt 50). Hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van de belastingheffing op uitgevoerde producten, nu artikel 90 EG zich eveneens verzet tegen fiscale discriminatie van producten die naar andere lidstaten worden uitgevoerd (zie onder meer HvJEG 23 april 2002, Nygård, C-234/99, Jur. 2002, blz. I-3657, punt 41 en HvJEG 29 juni 1978, Statens Kontrol, 142/77, Jur. 1978, blz. 01543, punt 27).

Verweerder heeft betoogd dat de hogere heffing, die aan exporteurs als appellante wordt opgelegd, wordt gecompenseerd door de wijze van aanwending van de opbrengst van de heffing, aangezien exporteurs van uien, meer dan de binnenlandse handelaren, profiteren van de uienpromotie, die hoofdzakelijk in het buitenland plaatsvindt. Hoewel de heffing op het oog ongelijk is, wordt deze ongelijkheid opgeheven door de aanwending van de opbrengst, die voornamelijk in het voordeel van de export is, aldus verweerder.

Zoals het College reeds in zijn uitspraak van 3 oktober 2001 (Dutch Wine Traders BV e.a., AWB 99/644 en 99/645, www.rechtspraak.nl, LJN: AD4695, r.o. 5.7) heeft overwogen is er in de rechtspraak van het HvJEG geen aanknopingspunt te vinden voor de door verweerder voorgestane uitleg van artikel 90 EG, die zou leiden tot een beperking van de reikwijdte van deze bepaling.

Voor zover de door verweerder aangevoerde redenen voor het hogere heffingstarief voor exporteurs dienen te worden aangemerkt als een beroep op rechtvaardigingsgronden voor toepassing van het hogere tarief, wordt overwogen dat deze redenen niet terzake doen. Het College verwijst in dit verband naar het arrest van het HvJEG van 17 juni 1998, Grundig,

C-68/96, Jur. 1998, blz. I-3775, punt 24, waar is overwogen dat artikel 95 EG (ten tijde van het onderhavige geding artikel 90 EG, thans artikel 110 VWEU) de betrokken staat geen enkele rechtvaardigingsmogelijkheid biedt, zodra de discriminatie eenmaal vaststaat.

5.8 Het hiervoor overwogene leidt tot het oordeel dat artikel 3, tweede lid, van de (gewijzigde) Verordening bestemmingsheffing 2006 en artikel 3, tweede lid, van de Verordening bestemmingsheffing 2007, die aan de heffingsnota’s van 19 december 2007 (periode 2006) en 19 september 2008 (periode 2007) ten grondslag zijn gelegd, wegens strijd met artikel 90 EG onverbindend zijn, voor zover daarbij is bepaald dat de heffing voor de handel ten behoeve van afzetbevordering van uien voor 50% is verschuldigd door degene die uien exporteert. Dit leidt tevens tot het oordeel dat de bestreden besluiten dienen te worden vernietigd voor zover daarbij de bestemmingheffing vanwege de export van uien (afzetbevordering) is gehandhaafd. Het College ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien en de heffingsnota’s van 19 december 2007 en 19 september 2008 nader vast te stellen op € 6.790,76 (2006) en € 6.099,57 (2007).

5.9 Verweerder zal met toepassing van artikel 8:75 Awb worden veroordeeld in de proceskosten van appellante. Dit zijn de kosten van de door haar gemachtigde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, die met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht zijn vastgesteld op € 644,--.

Daarbij is uitgegaan van één punt voor het indienen van het beroepschrift en één punt voor het verschijnen ter zitting, tegen een waarde van € 322,-- per punt, betreffende twee samenhangende zaken van gemiddeld gewicht.

6. De beslissing

Het College:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de bestreden besluiten voor zover daarbij de bestemmingsheffing vanwege de export van uien (afzetbevordering)

is gehandhaafd;

- stelt, onder herroeping in zoverre van de heffingsnota van 19 december 2007, de heffing op grond van de Verordening

algemene heffing 2006 en de Verordening bestemmingsheffing 2006 vast op € 6.790,76;

- stelt, onder herroeping in zoverre van de heffingsnota van 19 september 2008, de heffing op grond van de Verordening

algemene heffing 2007 en de Verordening bestemmingsheffing 2007 vast op € 6.099,57;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 644,-- (zegge: zeshonderdvierenveertig euro);

- bepaalt dat verweerder aan appellante het door haar betaalde griffierecht ad € 297,-- (zegge: tweehonderdzevenennegentig

euro) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. F. Stuurop, mr. C.J. Waterbolk en mr. W.A.J. van Lierop, in tegenwoordigheid van mr. J.M.M. Bancken als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2010.

w.g. F. Stuurop w.g. J.M.M. Bancken