Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BN5010

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/848
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006; bedrijfstoeslag 2007; geen kennelijke fout

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/848 28 juli 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: ing.W. van de Geest, werkzaam bij K&G Advies te Bunschoten,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. D.L Hoogenkamp, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 19 juni 2009, bij het College per fax binnengekomen op dezelfde dag, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 13 mei 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 6 februari 2009, waarbij verweerder de bedrijfstoeslag voor het jaar 2007 van appellant op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 heeft vastgesteld.

Bij brief van 3 juli 2009 heeft appellant het beroep van gronden voorzien.

Bij brief van 24 juli 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 28 mei 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij appellant, vergezeld van zijn gemachtigde, is verschenen. Verweerder werd ter zitting vertegenwoordigd door zijn gemachtigde.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij besluit van 6 februari 2009 heeft verweerder, na aftrek van 5 % modulatiekorting, de bedrijfstoeslag van appellant voor het jaar 2007 vastgesteld op € 12.553,76. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.2 Appellant heeft, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellant heeft bij vraag 3A van de Gecombineerde opgave 2007 uitdrukkelijk aangegeven dat hij uitbetaling van zijn toeslagrechten wenst. Tegen die achtergrond is er sprake van een kennelijke fout in de aanvraag nu appellant met zijn opgave slechts een gedeelte van zijn toeslagrechten verzilvert, terwijl hij over ruim voldoende hectaren beschikt om al zijn toeslagrechten te benutten. Het is uitgesloten dat het de bedoeling van appellant was om op deze wijze ruim €4.200,-- aan bedrijfstoeslag mis te lopen.

De bij het digitaal invullen van de Gecombineerde opgave te gebruiken applicatie bevatte gebreken, die het onjuist invullen in de hand hebben gewerkt. Dat dit zo is blijkt uit het gegeven dat verweerder voor de aanvraag 2009 een applicatie heeft ontwikkeld die deze gebreken niet meer bevat.

Ten onrechte heeft verweerder nagelaten appellant er op te wijzen dat hij met zijn opgave niet alle toeslagrechten zou verzilveren. Dit terwijl verweerder voor allerlei andere onjuistheden in de aanvraag wel steeds contact opneemt met de aanvrager.

2.3 Verweerder stelt zich op het standpunt dat appellant op het Overzicht gewaspercelen 10 percelen met een totale oppervlakte van 23.41 ha heeft opgegeven voor verzilvering van zijn 29,68 toeslagrechten. Pas in zijn bezwaarschrift van 12 maart 2009 heeft hij aangegeven dat hij zijn aanvraag zo wenst aan te passen dat hij al zijn toeslagrechten kan verzilveren.

Dit verzoek om wijziging van de aanvraag is gedaan na de uiterste datum voor indiening van de verzamelaanvraag op 15 mei 2007 en ook na ommekomst van de zogenoemde kortingstermijn, die eindigde op 11 juni 2007. In die omstandigheid is wijziging van de aanvraag alleen nog mogelijk indien deze een kennelijke fout zou bevatten. Daarvan is geen sprake. De wijze waarop de aanvraag is ingevuld, is niet onsamenhangend. Het is mogelijk dat appellant de niet aangekruiste percelen om uiteenlopende redenen niet voor uitbetaling heeft willen opgeven.

Verweerder neemt bij onjuistheden in de aanvraag, waardoor deze duidelijk als onvolledig moet worden aangemerkt, contact op met de aanvrager. Bij het niet opgeven van percelen voor benutting van toeslagrechten is er echter geen sprake van een onvolledige aanvraag. Het is immers niet aan verweerder om zich te verdiepen in de motieven die een landbouwer kan hebben om percelen niet voor uitbetaling van toeslagrechten op te geven. Daarom is het geen taak van verweerder om een aanvrager er op te wijzen dat hij met de aanvraag niet al zijn toeslagrechten zal verzilveren.

2.3.1 Het College stelt voorop dat, gelet op de toepasselijke regels, wijziging van de aanvraag in het onderhavige geval alleen mogelijk is indien geoordeeld zou moeten worden dat de aanvraag een kennelijke fout bevat als bedoeld in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 796/2004. Met betrekking tot de aanwezigheid van een kennelijke fout overweegt het College, mede onder verwijzing naar zijn uitspraken van 2 oktober 2009 (www.rechtspraak.nl, LJN: BJ9418, BJ9420, BJ9441 en BJ9445), het volgende.

2.3.2 Met betrekking tot de vraag wanneer een kennelijke fout als zodanig erkend moet worden, heeft de Europese Commissie een Werkdocument uitgebracht. Dit document, met het kenmerk AGR 49533/2002, wordt door verweerder gehanteerd bij de beoordeling van verzoeken om na de uiterste indieningstermijn nog wijzigingen in een aanvraag te mogen aanbrengen. In vaste jurisprudentie heeft het College deze benadering aanvaardbaar geoordeeld.

In het document wordt als beginsel geformuleerd dat de beslissing of het al dan niet om een kennelijke fout gaat afhankelijk is van alle feiten en omstandigheden in elk individueel geval. Daarom moet elk geval afzonderlijk worden onderzocht. Belangrijkste invalshoek daarbij is (het gebrek aan) samenhang tussen de in de aanvraag opgenomen gegevens.

Voor de Europese Commissie is, blijkens het document, voorts van groot belang dat vastgesteld wordt dat een fout onopzettelijk gemaakt is, dat de landbouwer te goeder trouw gehandeld heeft en dat ieder gevaar van bedrog wordt uitgesloten.

Het College heeft het Werkdocument in eerdere jurisprudentie aldus uitgelegd en samengevat, dat van een kennelijke fout over het algemeen alleen kan worden gesproken indien verweerder bij een summier onderzoek bij ontvangst van de aanvraag had kunnen vaststellen dat de aanvraag waarschijnlijk geen goede weergave was van hetgeen de aanvrager beoogde aan te vragen.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, onder c, van Verordening (EG) nr. 796/2004 moet in de verzamelaanvraag het aantal en het bedrag van de toeslagrechten worden vermeld. Ingevolge artikel 12, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 796/2004 wordt op de aan de landbouwers verstrekte voorbedrukte formulieren, waarop een verzamelaanvraag gedaan moet worden, melding gemaakt van de identificatie van de toeslagrechten.

In Nederland wordt aan deze bepalingen geen gevolg gegeven. Naar het oordeel van het College mag een landbouwer van een dergelijk in gebreke blijven van verweerder, dat ertoe leidt dat uit de ingediende aanvraag niet valt af te leiden hoeveel en welke toeslagrechten ter beschikking van de aanvrager staan, geen nadelige gevolgen ondervinden. Daarom zal het College het hier te beslechten geschil beoordelen alsof er sprake is van een situatie waarin de genoemde informatie wel uit de ingediende aanvraag kan worden opgemaakt.

Derhalve wordt er bij de vraag of sprake is van een kennelijke fout vanuit gegaan, dat ook de ambtenaar die de aanvraag bij ontvangst beoordeelt, er op dat moment van op de hoogte is over hoeveel toeslagrechten de aanvrager kan beschikken.

2.3.3 Ter beantwoording ligt dan voor de vraag of de aanvraag van appellant, die over

29,68 gewone toeslagrechten met een waarde per recht van € 564,48 beschikt en die op het Overzicht gewaspercelen 14 percelen met een totale oppervlakte van 30.17 ha heeft opgegeven, geacht kan worden een kennelijke fout in te houden, als hij slechts voor 23,41 gewone toeslagrechten om uitbetaling vraagt.

Bij beantwoording van die vraag dient onder ogen gezien te worden dat slechts die landbouwers over toeslagrechten beschikken, die in het verleden steeds Europese landbouwsteun hebben gevraagd en gekregen en vervolgens uitdrukkelijk om toewijzing van toeslagrechten verzocht hebben, alsmede landbouwers die dergelijke rechten gekocht of, in verband met bijzondere omstandigheden, op hun aanvraag verkregen hebben. Derhalve kan in beginsel worden aangenomen, dat het gaat om landbouwers die Europese landbouwsteun wensen te ontvangen. Gelet ook op de mogelijkheid dat toeslagrechten wegens het niet-gebruiken daarvan vervallen, zullen landbouwers in beginsel een zo groot mogelijk deel van hun toeslagrechten willen laten uitbetalen.

Het College tekent daarbij echter aan, dat denkbaar is dat een landbouwer voornemens zou zijn om bepaalde percelen nog gedurende het aanvraagjaar aan de bestemming als landbouwgrond te onttrekken. In een dergelijk geval kunnen er, in elk geval naar het recht zoals dat in 2007 gold, redenen zijn die percelen niet in de aanvraag op te geven, omdat een perceel gedurende een periode van tien maanden voor de landbouw ter beschikking moet staan. Ook kunnen er zich misschien incidenteel nog wel andere gronden voordoen om percelen niet op te geven.

Het College kan verweerder in het algemeen volgen in de gedachte dat het een landbouwer vrij staat om hem moverende redenen geen steun aan te vragen en dat het niet aan verweerder is om zich in zijn motieven te verdiepen, zodat het niet of niet maximaal aanvragen van steun in beginsel niet als een kennelijke fout aangemerkt kan worden.

2.3.4 Het College is van oordeel dat er in het geval van appellante, mede gelet op het voorgaande, geen aanleiding is een kennelijke fout aan te nemen. Het overweegt hiertoe als volgt.

Voor zover appellant meent dat reeds sprake is van een kennelijke fout, nu hij bij vraag 3A in de Gecombineerde opgave 2007 heeft aangekruist dat hij zijn toeslagrechten wilde laten uitbetalen, terwijl hij op het Overzicht gewaspercelen niet voldoende percelen heeft aangekruist om al zijn toeslagrechten te laten uitbetalen, deelt het College deze mening niet.

Bezien in het licht van de op grond van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 796/2004 op de landbouwer rustende verplichtingen met betrekking tot het invullen van de verzamelaanvraag, is het College van oordeel dat de formulering van evengenoemde vragen en de daarop door appellant gegeven antwoorden onvoldoende steun bieden aan de opvatting van appellant dat daarin besloten ligt dat hij alle in het Overzicht gewaspercelen 2007 onder volgnummer 1 tot en met 14 genoemde percelen voor uitbetaling van zijn toeslagrechten in aanmerking wilde brengen.

2.3.4 Appellant heeft op het Overzicht gewaspercelen 10 van zijn in totaal 14 percelen met een totale oppervlakte van 23.41 ha opgegeven voor uitbetaling van zijn toeslagrechten. Daarmee heeft hij bijna 79% van de toeslagrechten verzilverd. Van de totaalwaarde van de toeslagrechten van €16.753,77 (zonder modulatiekorting) heeft appellant €13.214,48 (zonder modulatiekorting) benut.

Daarmee is het verschil tussen hetgeen appellant heeft aangevraagd en hetgeen hij maximaal kon aanvragen niet zodanig groot dat dit bij een summier onderzoek van de aanvraag direct in het oog had moeten springen. Het College ziet geen aanleiding voor het oordeel dat bij summier onderzoek van de aanvraag direct duidelijk had moeten zijn dat er geen goede redenen kunnen zijn om 3 percelen gras en 1 perceel maïs van samen 6.76 ha niet op te geven voor uitbetaling van toeslagrechten.

Het College is niet gebleken van omstandigheden die op dit punt tot een andere conclusie leiden.

2.3.5 Onder deze omstandigheden is er onvoldoende aanleiding de gegevens, opgenomen in de ingediende aanvraag in de zin van het werkdocument als onvoldoende samenhangend aan te merken. Het feit dat niet alle percelen zijn gebruikt voor de uitbetaling levert in het onderhavige geval onvoldoende grond op voor de door appellant bepleite conclusie dat sprake is van een kennelijke fout. Verweerder was dan ook gehouden het verzoek om wijziging van de aanvraag af te wijzen.

2.3.6 De stelling van appellant dat gebreken in de te gebruiken applicatie voor het digitaal invullen van de aanvraag de gemaakte fouten in de hand hebben gewerkt kan hem niet baten. De Gecombineerde opgave 2007 is door hem immers niet digitaal ingevuld.

2.3.7 Nu het de verantwoordelijkheid van de aanvrager is om percelen aan te wijzen die hij voor uitbetaling van toeslagrechten wenst te benutten is het geen taak van verweerder de aanvrager er op te wijzen dat hij mogelijk zijn aanvraag op een voor hem gunstiger wijze had kunnen invullen.

2.4 Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

3. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.J. Waterbolk, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 28 juli 2010.

w.g. C.J. Waterbolk w.g. F.W. du Marchie Sarvaas