Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BN4984

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
11-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/826
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006; toeslagrechten met bijzondere voorwaarden vervallen wegens niet gebruik

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

Zesde enkelvoudige kamer

AWB 09/826 11 augustus 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellant,

gemachtigde: J. Benschop, werkzaam bij Benschop Rentmeesters te Leerdam,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigden: mr. D. Arrindel en drs. M. Star, beiden werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellant heeft bij brief van 8 juni 2009, bij het College binnengekomen op 10 juni 2009, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 april 2009.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellant tegen een besluit van 28 juni 2008, waarbij verweerder de bedrijfstoeslag voor het jaar 2007 van appellant op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 (hierna: de Regeling) heeft vastgesteld.

Bij brief van 15 juli 2009 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 16 april 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden.

Het College heeft ter zitting de verdere behandeling aangehouden om verweerder de gelegenheid te bieden aanvullende informatie te verstrekken.

Bij brief van 6 mei 2010 heeft verweerder naar aanleiding van het ter zitting besprokene zijn standpunt nader toegelicht.

Op deze door verweerder verstrekte aanvullende informatie heeft appellant bij brief van

4 juni 2010 gereageerd. In deze brief heeft appellant meegedeeld dat hij een nadere behandeling ter zitting van het beroep niet noodzakelijk acht.

Verweerder heeft bij brief van 10 juni 2010 meegedeeld dat ook hij geen nadere behandeling ter zitting van het beroep nodig acht.

Het College heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

2. De grondslag van het geschil

2.1 Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad van 29 september 2003 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 50

Melkpremie en extra betalingen

1. Onverminderd artikel 48 en in afwijking van de artikelen 37 en 43 ontvangt een landbouwer een aanvullend bedrag per toeslagrecht, te berekenen door de ingevolge de artikelen 95 en 96 te verlenen betalingen te delen door het aantal toeslagrechten dat hij in 2007 in eigendom heeft, met uitzondering van braakleggingstoeslagrechten.

Het bedrag van elk toeslagrecht dat hij in 2007 in eigendom heeft wordt met dit aanvullende bedrag verhoogd.

2. Ingeval hij geen enkel toeslagrecht in eigendom heeft, zijn de artikelen 48 en 49 van overeenkomstige toepassing. In dit geval wordt voor de toepassing van artikel 48 onder „hectaren” verstaan de subsidiabele hectaren die de landbouwer in 2007 in eigendom heeft.

Artikel 95

1. Van 2004 tot 2007 komen melkproducenten in aanmerking voor een melkpremie. De premie wordt verleend per kalenderjaar, per bedrijf en per ton individuele referentiehoeveelheid die in aanmerking komt voor de premie en op het bedrijf beschikbaar is.

2. Onverminderd lid 3 en onverminderd verlagingen als gevolg van de toepassing van lid 4, wordt de op 31 maart van het betrokken kalenderjaar op het bedrijf beschikbare individuele referentiehoeveelheid voor melk, uitgedrukt in ton, vermenigvuldigd met:

— 8,15 euro/ton voor het kalenderjaar 2004,

— 16,31 euro/ton voor het kalenderjaar 2005,

— 24,49 euro/ton voor de kalenderjaren 2006 en 2007 en, ingeval van toepassing van artikel 70, voor de daaropvolgende kalenderjaren.

(…)

Artikel 96

Extra betalingen

1. Van 2004 tot en met 2007 verrichten de lidstaten aan de producenten op hun grondgebied extra betalingen die de in lid 2 vastgestelde totaalbedragen per jaar belopen. Deze betalingen worden gedaan op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de producenten wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen

worden vermeden. Bovendien mogen deze betalingen niet aan de schommelingen van de marktprijzen worden gekoppeld.

Premietoeslagen worden uitsluitend verleend als aanvullend bedrag per premiebedrag als bedoeld in artikel 95, lid 2.

(…)”

Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers luidt voorzover en ten tijde hier van belang:

“Artikel 21 bis

Te late indiening van een aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling

(…)

2. Indien in de betrokken lidstaat de aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling en de verzamelaanvraag elk afzonderlijk moeten worden ingediend, is voor de indiening van de verzamelaanvraag het bepaalde in artikel 21 van de onderhavige verordening van toepassing.

Onverminderd gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 34, lid 3, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 geldt in dat geval dat, indien een in dat lid bedoelde aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling na de desbetreffende termijn wordt ingediend, een verlaging met 3 % per werkdag wordt toegepast op de bedragen die in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling op basis van de aan de landbouwer toe te wijzen toeslagrechten moeten worden betaald.

Bij een termijnoverschrijding van meer dan 25 kalenderdagen wordt de aanvraag afgewezen en worden aan de landbouwer geen toeslagrechten toegewezen.

Artikel 73

Terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen

1. In geval van een onverschuldigde betaling betaalt de landbouwer het betrokken bedrag, verhoogd met de overeenkomstig lid 3 berekende rente, terug.

(…)”

Artikel 11 van de Regeling, zoals gewijzigd bij besluit van10 december 2007 (Stcrt. 2007, nr. 264) luidt als volgt:

“1. De landbouwer dient uiterlijk op 15 mei 2006 de aanvragen tot vaststelling van toeslagrechten in op een daartoe vastgesteld aanvraagformulier.

2. In afwijking van het eerste lid, dient de landbouwer op wie artikel 50, tweede lid, van Verordening 1782/2003 van toepassing is, uiterlijk op 15 mei 2007 de aanvragen tot vaststelling van toeslagrechten in op een daartoe vastgesteld aanvraagformulier.

3. De landbouwer vult het aanvraagformulier volledig en naar waarheid in, ondertekent en dagtekent het en voorziet het van alle bijlagen.

4. De landbouwer is verplicht alle bescheiden en informatie te verstrekken die voor de behandeling van de aanvraag noodzakelijk worden geacht, in het bijzonder ten bewijze dat hij ten tijde van het indienen van de aanvraag landbouwer is in de zin van artikel 2, onder a, van verordening 1782/2003.

5. De verzamelaanvraag, bedoeld in artikel 55, eerste lid, wordt tevens aangemerkt als aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten, bedoeld in het eerste dan wel tweede lid, indien de landbouwer deze laatste aanvraag niet dan wel na het verstrijken van de daartoe gestelde termijn heeft ingediend, mits uit de verzamelaanvraag onomstotelijk de wens van de landbouwer blijkt om voor toekenning van toeslagrechten in aanmerking te komen.

6. Voor de toepassing van deze regeling wordt de aanvraag tot vaststelling van toeslagrechten, bedoeld in het vijfde lid, behandeld als een aanvraag die is ontvangen op:

a. 9 juni 2006, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het aanvragen tot vaststelling van toeslagrechten als bedoeld in het eerste lid, en

b. 11 juni 2007, voor zover de aanvraag betrekking heeft op het aanvragen tot vaststelling van toeslagrechten als bedoeld in het tweede lid.”

2.2 Op grond van de stukken en het onderzoek ter zitting zijn in deze zaak de volgende feiten en omstandigheden voor het College komen vast te staan.

- Appellant heeft in de op 15 mei 2007 bij verweerder ontvangen Gecombineerde opgave 2007 te kennen gegeven dat hij uitbetaling van zijn toeslagrechten wenst.

- Op 13 juni 2007 heeft verweerder een op 1 juni 2007 door appellant ondertekend formulier Aanvraag Toeslagrechten melkpremie ontvangen.

- Bij een op 8 mei 2008 gedateerd Overzicht geregistreerde toeslagrechten heeft verweerder appellant meegedeeld dat hij per 15 mei 2007 over 50,24 toeslagrechten beschikt met een totale waarde van € 18.430,54.

- Bij besluit van 28 juni 2008 heeft verweerder appellants bedrijfstoeslag voor het jaar 2007 vastgesteld op € 16.174,42 (exclusief 5% modulatiekorting). Daarbij ging verweerder ervan uit, dat appellant 44,09 van zijn toeslagrechten kon verzilveren.

- Tegen dit besluit heeft appellant bij brief van 5 juli 2008 bezwaar gemaakt.

- Vervolgens heeft verweerder, na een op 24 november 2008 gehouden hoorzitting, het bestreden besluit genomen.

3. Het bestreden besluit

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van appellant gedeeltelijk gegrond verklaard. Daartoe heeft hij, samengevat weergegeven, het volgende overwogen.

Appellant heeft in 2006 geen Aanvraag toeslagrechten ingediend en beschikte dus niet over toeslagrechten. Appellant heeft in 2007 niet tijdig een aanvraag toeslagrechten melkpremie ingediend. Appellant heeft wel in de Gecombineerde opgave 2007 aangegeven zijn toeslagrechten te willen verzilveren.

In die situatie komt hij, gelet op de zogenoemde coulance-regeling die is opgenomen in artikel 11, vijfde lid, van de Regeling, in aanmerking voor vaststelling van toeslagrechten voor indaling van de melkpremie, omdat hij ondubbelzinnig heeft aangegeven dat hij uitbetaling van zijn toeslagrechten wenst.

Verweerder heeft op grond van artikel 50, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 het aantal voor appellant vast te stellen toeslagrechten berekend op 50,24, zijnde het aantal door appellant in zijn Aanvraag toeslagrechten melkpremie opgegeven subsidiabele hectaren. Van deze vaststelling is hem mededeling gedaan in het op 8 mei 2008 gedateerde Overzicht geregistreerde toeslagrechten.

Verweerder heeft de bedrijfstoeslag van appellant in het besluit van 28 juni 2008 vastgesteld met inachtneming van de in de Gecombineerde opgave 2007 voor benutting van toeslagrechten opgegeven oppervlakte van 44.09 ha.

In bezwaar heeft verweerder ambtshalve de vaststelling van toeslagrechten herzien en het aantal toeslagrechten vastgesteld met inachtneming van het aantal ha, dat appellant in 2007 in eigendom had. Dit resulteerde in 44,09 toeslagrechten. Nu in de gecombineerde opgave ook 44,09 ha was opgegeven, konden alle toeslagrechten in beginsel verzilverd worden.

Verweerder heeft echter ook onder ogen gezien, dat hij in het besluit van 28 juni 2008 ten onrechte geen rekening had gehouden met het gegeven dat de Aanvraag toeslagrechten melkpremie niet vóór de uiterste datum van 15 mei 2007 is ingediend. In verband daarmee moet nu alsnog een korting van 3% per werkdag worden toegepast.

Gelet op artikel 11, vijfde en zesde lid, van de Regeling moet de Aanvraag toeslagrechten melkpremie geacht worden op de laatste dag van de kortingstermijn te zijn ontvangen. Dat is 16 werkdagen te laat. Daarom dient de uit te betalen bedrijfstoeslag over 2007 gekort te worden met 16 keer 3%.

Een en ander leidt tot de conclusie dat appellant over 2007 na toepassing van de modulatiekorting recht heeft op een bedrag van € 9.104,67, zodat een bedrag van € 6.261,03 onverschuldigd aan appellant is betaald. Op grond van artikel 73 van Verordening (EG) nr. 796/2004 moet verweerder overgaan tot terugvordering van dit bedrag.

4. Het standpunt van appellant

Appellant heeft, samengevat weergegeven, aangevoerd dat hij de Aanvraag toeslagrechten op 1 april 2006 heeft ingevuld en ter post bezorgd. Pas tijdens een telefoongesprek op 15 mei 2007 met een medewerker van verweerder werd hem duidelijk dat verweerder dit formulier nooit had ontvangen en dat voor hem dus in 2006 geen toeslagrechten waren vastgesteld. Tijdens dit gesprek is hem toegezegd dat hij alsnog het formulier Aanvraag toeslagrechten melkpremie zou ontvangen, zodat hij in 2007 voor de melkpremie alsnog toeslagrechten zou kunnen aanvragen. Toen appellant op 23 mei 2007 dit formulier nog niet had ontvangen heeft hij opnieuw gebeld. Op 30 mei 2007 ontving hij uiteindelijk het formulier, dat mede daardoor pas op 13 juni 2007 en dus te laat bij verweerder is ontvangen.

Gelet op deze omstandigheden meent appellant dat de hem opgelegde korting te hoog is en dat een hoger bedrag van zijn toeslagrechten moet worden uitbetaald.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het College stelt vast dat voor appellant in 2006 geen toeslagrechten zijn vastgesteld en dat in deze procedure niet aan de orde is, of de besluitvorming over de toeslagrechten van appellant in 2006 correct heeft plaatsgevonden.

5.2 Per 15 mei 2007 beschikte appellant dus niet over toeslagrechten, zodat van ‘indaling’ van de melkpremie in de toeslagrechten in 2007 geen sprake kon zijn. Gelet op de in rubriek 2 van deze uitspraak aangehaalde regelgeving kunnen dan toeslagrechten worden vastgesteld. Verweerder heeft in zijn brief van 6 mei 2010 uiteengezet dat de toepasselijke Europese regels geen bepaling bevatten, waaruit blijkt dat voor het laten indalen van melkpremie op toeslagrechten een aparte aanvraag moet worden gedaan, maar dat uit deze regels wel blijkt dat toeslagrechten slechts vastgesteld kunnen worden als zij zijn aangevraagd.

Het College volgt verweerder daarin en stelt vervolgens vast dat verweerder, gelet op de situatie van appellant, op goede gronden toepassing heeft gegeven aan artikel 11, vijfde en zesde lid, van de Regeling. Dat brengt met zich mee dat ingevolge artikel 21 bis van verordening (ERG) nr. 796/2004 op de uit te betalen bedrijfstoeslag over 2007 een korting van 16 keer 3% moet worden toegepast.

5.3 Het betoog van appellant dat hij onnodig lang heeft moeten wachten op toezending van het formulier Aanvraag toeslagrechten melkpremie kan niet tot het oordeel leiden dat verweerder geheel of gedeeltelijk van toepassing van artikel 21 bis van verordening (EG) nr. 796/2004 had moeten afzien.

Niet is komen vast te staan dat appellant in telefoongesprekken op en na 15 mei onjuist zou zijn voorgelicht of dat hem toezeggingen gedaan zijn, die niet zijn nagekomen.

Het tijdig indienen van aanvragen blijft uiteindelijk een verantwoordelijkheid van de aanvrager.

Verweerder heeft initiatief genomen om de betrokken melkveehouders te wijzen op het feit dat zij nog geen toeslagrechten hadden waarop de melkpremie kon indalen en ook overigens voldoende voorlichting verstrekt over de te volgen procedure.

5.4 Het College stelt tenslotte vast dat verweerder bij zijn besluit van 28 juni 2008 in strijd met artikel 21 bis van Verordening (EG) nr. 796/2004 geen korting wegens te late aanvraag van de vaststelling van de toeslagrechten had opgelegd.

Als gevolg daarvan heeft verweerder een bedrag van € 6.261,03 onverschuldigd betaald. Verweerder is op grond van artikel 73 van Verordening (EG) nr. 796/2004 gehouden en dergelijk bedrag terug te vorderen.

5.5 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard.

Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

6. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. W.E. Doolaard, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 11 augustus 2010.

w.g. W.E. Doolaard De griffier is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen