Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BN4889

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
25-08-2010
Zaaknummer
AWB 10/29
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/29 13 augustus 2010

20311 Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren

Uitspraak in de zaak van:

Maatschap A – B, te C, appellante van tuchtbeslissing nr. TPPE 30/2009 van het Tuchtgerecht Productschap Pluimvee en Eieren, kamer primaire sector (hierna: tuchtgerecht).

1. De procedure

Bij brief van 9 december 2009 heeft het tuchtgerecht appellante afschrift toegezonden van zijn hiervoor vermelde tuchtbeslissing van 24 november 2009.

Bij brief van 2 januari 2010, ingekomen ter griffie van het College op 6 januari 2010, heeft appellante tegen de tuchtbeslissing beroep ingesteld.

Bij brief van 28 januari 2010 heeft de secretaris van het tuchtgerecht de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.

Het College heeft de zaak behandeld ter zitting van 19 mei 2010. Namens appellante is verschenen D, vergezeld door drs. E, dierenarts. Van de zijde van het Productschap Pluimvee en Eieren zijn verschenen mr. F en G.

2. De grondslag van het geschil

Op grond van artikel 2, eerste lid, van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004 (hierna: Wet) kan op overtreding van verordeningen van een bedrijfslichaam als tuchtrechtelijke maatregel in de zin van artikel 104 van de Wet op de bedrijfsorganisatie onder meer een geldboete worden opgelegd. Ingevolge artikel 4, eerste lid, van de Wet is het bedrag van de geldboete ten minste € 3,- en ten hoogste een bedrag van de derde categorie, bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht.

In artikel 4, derde lid, van de Wet is bepaald dat de geldboete geheel of gedeeltelijk voorwaardelijk kan worden opgelegd.

In de Verordening vaccinatie Newcastle Disease (PPE) 2006 van 15 juni 2006 (hierna: de Verordening) van het Productschap Pluimvee en Eieren (hierna: productschap) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 1

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

(…)

d. NCD: Newcastle Disease (pseudovogelpest);

(…)

Artikel 2

1. De ondernemer zorgt ervoor dat het op zijn pluimveebedrijf aanwezige pluimvee overeenkomstig de door het bestuur bij besluit vastgestelde voorschriften wordt gevaccineerd tegen NCD.

2. Ter controle van het effect van de in het eerste lid bedoelde vaccinaties op de immuniteit, zorgt de ondernemer ervoor dat overeenkomstig de door het bestuur bij besluit vastgestelde voorschriften, bloedmonsters worden genomen van het op zijn pluimveebedrijf aanwezige pluimvee en dat deze bloedmonsters door middel van de HAR-test worden onderzocht op de aanwezigheid van antistoffen tegen NCD.

(…)

Artikel 11

1. Op overtreding van het in de artikelen 2 tot en met 10 bepaalde worden tuchtrechtelijke maatregelen gesteld.

2. De tuchtrechtelijke maatregelen zijn:

(…)

b. een geldboete tot ten hoogste het bedrag van de derde categorie bedoeld in artikel 23, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht;

(…)"

In het Besluit bloedonderzoek Newcastle Disease (PPE) 2006 van het bestuur van het productschap van 15 juni 2006 (hierna: Besluit) is onder meer het volgende bepaald:

"Artikel 3

1. Ter uitvoering van het in artikel 2, tweede lid, van de verordening bedoelde onderzoek van bloedmonsters, zorgt de ondernemer ervoor dat indien hij vleeskuikens of vleeskalkoenen houdt, bloed wordt afgenomen van ten minste 30 willekeurig gekozen dieren per koppel en van ten minste 5 dieren per stal.

(…)

5. De te onderzoeken monsters dienen, vergezeld van een ingevuld en ondertekend formulier overeenkomstig het in de bijlage bij dit besluit gevoegde model, voor onderzoek te worden gezonden naar een door het bestuur aangewezen laboratorium."

3. Het berechtingsrapport

Het berechtingsrapport, op 25 augustus 2009 opgemaakt door H, controleur bij Controle Bureau Dierlijke sector B.V., houdt voor zover hier van belang het volgende in:

"Op 5 augustus 2009 omstreeks 12.45 uur had ik relatant H een telefoongesprek met de heer D, (…).

De reden van dit telefoongesprek was het geconstateerde tekort aan ingezonden bloedmonsters, aan de Gezondheidsdienst voor Dieren (…) van twee koppels opgezette vleeskuikens waarvan de opzetdata 5 januari 2009 en 18 mei 2009 zijn.

Uit de aan mij ter beschikking gestelde gegevens van de Gezondheidsdienst voor Dieren, betreffende de ingezonden bloedmonsters van het bedrijf van de Maatschap A-B, dan wel de heer D, geregistreerd (…), is het mij relatant gebleken dat van twee koppels vleeskuikens met de opzetdata 5 januari 2009 en 18 mei 2009, geen bloedmonsters ter controle op het effect van de vaccinaties tegen Newcastle Disease zijn binnengekomen bij de Gezondheidsdienst voor Dieren, hetgeen niet conform de Verordening vaccinatie Newcastle Disease (PPE) 2006 is. (…)

Er is door de voorzitter van het Productschap Pluimvee en Eieren geen individuele ontheffing verleend aan Maatschap A-B, danwel de heer D.

Op bovengenoemde datum en tijd heb ik relatant H mij telefonisch bij de heer D bekend gemaakt en hem de reden van mijn telefonisch contact duidelijk gemaakt.

De heer D verklaarde mij op mijn vragen het volgende zakelijk weergegeven:

"Ik heb afspraken met mijn dierenarts de heer E gemaakt over het bloedtappen. Ik hou dat zelf niet allemaal bij. De dierenarts krijgt net als wij bericht over het bloedtappen. U kunt het best de heer E bellen."

Nadat ik vervolgens op 5 augustus jl. omstreeks 16.30 uur telefonisch contact gehad met Dierenartsenpraktijk E heeft dierenarts E mij relatant op donderdag 6 augustus 2009 via de voicemail het volgende medegedeeld, zakelijk weergegeven:

?Er is op het bedrijf van Maatschap A-B bij twee koppels vleeskuikens geen bloed afgenomen. Beide keren is dat mijn schuld geweest. De eerste keer in januari zou ik het gaan doen maar ben ik er door een longontsteking een aantal weken uit geweest. Omdat dit zo plotseling kwam heb ik niet doorgegeven aan mijn collega’s dat er iemand anders naar het bedrijf van de Maatschap A-B moest. In mei lag het weer bij mij op het bordje en is het weer fout gegaan. Op de datum dat er bloed getapt zou worden zat ik in het buitenland. Ook daar heb ik de overdracht naar de andere collega’s niet netjes begeleid. De ene keer dus door overmacht de andere keer door stommiteit. Dat is het verhaal van de Maatschap B. Verder een keurig bedrijf dat zich altijd netjes aan de regels houdt. Wij enten NCD daar; twee keer zelfs.?

Naar aanleiding van de geconstateerde bevindingen heb ik de heer D medegedeeld dat jegens hem en de Maatschap A-B, danwel de heer D een berechtingsrapport zal worden opgemaakt ten behoeve van het Tuchtgerecht van het Productschap Pluimvee en Eieren.”

4. De bestreden tuchtbeslissing

Blijkens de bestreden tuchtbeslissing is door D namens appellante ter zitting van het tuchtgerecht - onder meer - verklaard dat hij de NCD-onderzoeken altijd laat uitvoeren door dierenarts E. Daar heeft hij afspraken met E over gemaakt, die het allemaal voor hem regelt. Uitslagen worden in het logboek gedaan. Omdat er erg veel papier binnen komt met betrekking tot het bedrijf is het lastig om alles scherp in de gaten te houden. Voorts is ter zitting van het tuchtgerecht door de heer E – onder meer – verklaard dat het niet inzenden van de bloedonderzoeken in beide gevallen aan hem is te wijten.

Het tuchtgerecht heeft op grond van het berechtingsrapport en het verhandelde ter zitting geoordeeld dat appellante twee keer heeft nagelaten bloedonderzoek te (laten) verrichten ter verificatie van het effect van de NCD-vaccinatie.

Dit levert twee overtredingen van artikel 2, tweede lid, van de Verordening op.

Het tuchtgerecht heeft vastgesteld dat de onderhavige overtredingen, die als zeer ernstig worden aangemerkt, zijn begaan buiten de directe invloedsfeer van betrokkene, doch dat de gemaakte fouten binnen het stelsel van de Verordening aan de betrokken ondernemer worden toegerekend. Betrokkene heeft als ondernemer volgens het tuchtgerecht een vergaande zorgplicht ten aanzien van de juiste naleving van de NCD-voorschriften, alsmede een plicht om ter zake een zorgvuldige administratie te voeren.

Het tuchtgerecht heeft appellant terzake per overtreding een geldboete van € 1.125,- opgelegd, waarvan € 570,- voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar. Ter motivering van het voorwaardelijk gedeelte van de boete heeft het tuchtgerecht overwogen dat appellante niet eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld.

5. Het standpunt van appellante

Appellante heeft ter ondersteuning van haar beroep het volgende aangevoerd.

Appellante acht de opgelegde boetes buitenproportioneel hoog. Appellante is het deels niet eens met het feit dat haar nalatigheid wordt verweten. In de overtuiging het beste te doen heeft appellante vaste afspraken gemaakt met dierenarts E, opdat structureel en op juiste wijze bloedmonsters genomen en gecontroleerd zouden worden.

Verder verbaast het appellante dat zij eerst op 5 augustus 2009 werd geconfronteerd met het feit dat er bloedmonsters ontbraken, en dat zij niet meteen na het uitblijven van de monsters daarover is geïnformeerd. Als appellante meer tijdig op de hoogte was gebracht had wellicht het de tweede keer uitblijven van de bloedmonsters voorkomen kunnen worden. Appellante, die haar zorgvuldige bedrijfsvoering benadrukt, heeft verzocht de hoogte van de boetes te herzien en deze terug te brengen naar nul met één maal € 570,- voorwaardelijk. Daarbij heeft appellante gewezen op het feit dat haar nooit eerder nalatigheid is verweten.

6. De beoordeling van het geschil

6.1 Voorop moet worden gesteld dat hetgeen door appellante is aangevoerd geen betwisting inhoudt van hetgeen door het tuchtgerecht bewezen is verklaard.

De grieven van appellante richten zich met name tegen het moment waarop zij van de overtredingen op de hoogte is gesteld en tegen de hoogte van de aan haar opgelegde boetes.

6.2 Aan appellante wordt verweten dat van twee koppels vleeskuikens die op 5 januari 2009 en 18 mei 2009 zijn opgezet, voorafgaand aan de afvoer van het bedrijf, geen dan wel onvoldoende bloedmonsters zijn onderzocht, dan wel niet zijn genomen, ter controle op het effect van vaccinatie tegen Newcastle Disease, dan wel ter controle op de immuniteitswaarde.

Ter zitting is gebleken dat in het geval geen bloedmonsters worden ingezonden, van de zijde van het Productschap Pluimvee en Eieren een herinneringsbrief wordt verzonden. Deze herinneringsbrieven zijn in het onderhavige geval, na het uitblijven van de bloedmonsters, op 25 februari 2009 en 15 juli 2009 aan appellante verzonden. Appellante is er aldus binnen een redelijke termijn op geattendeerd dat de bloedmonsters van de twee koppels – nog – niet waren ingezonden. De grief van appellante dat verweerder haar te laat op de hoogte heeft gesteld van de begane overtredingen en dat zij bij tijdige informatie wellicht in staat was geweest alsnog de bloedmonsters aan te leveren dan wel de tweede overtreding te voorkomen, mist dus feitelijke grondslag en kan dan ook niet slagen.

6.3 Met betrekking tot de hoogte van de opgelegde geldboete is het College van oordeel dat deze in verhouding staat tot de ernst van de gepleegde feiten. In dit verband overweegt het College met het tuchtgerecht dat het van groot belang is dat een ieder binnen de pluimveesector zich houdt aan de regels met betrekking tot de bestrijding van NCD. Het laten controleren of de uitgevoerde vaccinaties hebben geleid tot een voldoende hoge weerstand tegen NCD vormt een essentieel onderdeel van het beheersbeleid NCD.

Het feit dat appellante nooit eerder tuchtrechtelijk is veroordeeld heeft het tuchtgerecht meegewogen bij het bepalen van de hoogte van de opgelegde boete door deze gedeeltelijk voorwaardelijk op te leggen.

Dat appellante afspraken over het bloedonderzoek heeft gemaakt met dierenarts E en de overtredingen daardoor buiten de directe invloedsfeer van appellante zijn begaan, betekent naar het oordeel van het College niet dat de geldboetes niet aan appellante konden worden opgelegd. Uit de van toepassing zijnde regelgeving, zoals hierboven weergegeven, volgt immers dat op de ondernemer een zorgplicht rust ten aanzien van de naleving van de NCD-voorschriften, zodat de wijze van handelen van de betrokken dierenarts aan appellante dient te worden toegerekend.

6.4 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond is.

6.5 Deze uitspraak berust op de voorschriften, vermeld in de bestreden tuchtuitspraak, alsmede op hoofdstuk V van de Wet tuchtrechtspraak bedrijfsorganisatie 2004.

7. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. E. Dijt en mr. S.K. Welbedacht, in tegenwoordigheid van mr. R. Hollestelle als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 13 augustus 2010.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. R. Hollestelle