Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BN4832

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
24-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/98
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBROT:2008:BG6360, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet financiële dienstverlening

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RF 2011/78
JONDR 2011/593
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 09/98 8 juli 2010

21800 Wet financiële dienstverlening

Uitspraak op het hoger beroep van:

A, te X, appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank te Rotterdam van 28 november 2008, kenmerk AWB 07/4751 - BC-NIFT en

AWB 08/739 - BC-NIFT, in het geding tussen

appellant

en

Stichting Autoriteit Financiële Markten, te Amsterdam (hierna AFM),

gemachtigden: mr. P.L. Reeser Cuperus en mr. E. van den Ing, beiden advocaat te Amsterdam.

1. Het procesverloop in hoger beroep

Appellant heeft bij brief van 14 januari 2009, bij het College binnengekomen op 15 januari 2009, hoger beroep ingesteld tegen de hiervoor genoemde uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 28 november 2008.

Bij brief van 16 maart 2009 heeft appellant de gronden van zijn hoger beroep aangevuld.

Bij brief van 24 april 2009 heeft AFM een verweerschrift ingediend.

Op 23 april 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad. Ter zitting zijn verschenen appellant, alsmede de gemachtigden van AFM.

2. De grondslag van het geschil in hoger beroep

2.1 Voor een uitgebreide weergave van het verloop van de procedure, het wettelijk kader en de in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden, wordt verwezen naar de bestreden uitspraak. Het College volstaat met het volgende.

2.2 Appellant heeft bij een daartoe bestemd formulier op 28 januari 2006 een aanvraag ingediend voor een vergunning voor het bemiddelen in levens- en schadeverzekeringen als bedoeld in artikel 2:8 Wet op het financieel toezicht (hierna: Wft). De aanvraag is, na een uitgebreide correspondentie, op 28 september 2007 door AFM afgewezen omdat appellant niet heeft aangetoond te voldoen aan de krachtens artikel 2:83 van de Wft gestelde eisen dat hij als feitelijk leidinggevende voldoet aan de vereisten met betrekking tot de vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de Wft en dat hij een beroepsaansprakelijkheidsverzekering heeft als bedoeld in artikel 4:75, eerste lid, van de Wft.

2.3 Bij zijn besluit van 5 december 2007, waartegen het beroep bij de rechtbank was gericht, heeft AFM, voor zover in het kader van dit hoger beroep van belang, het volgende overwogen en beslist.

Appellant heeft, hoewel hij daartoe in de gelegenheid is gesteld, nagelaten een kopie van het diploma Assurantiebemiddeling A te overleggen. Voor de stelling van appellant dat hij met de door hem gemelde inschrijving bij de SER in Register A en het beschikken over het diploma Gevolmachtigd Agent tevens beschikt over het diploma Assurantiebemiddeling vindt AFM onvoldoende steun in de ter zake relevante wettelijke bepalingen.

Terzake van het vereiste een afschrift van de polis en de polisvoorwaarden van de beroepsaansprakelijkheidsverzekering over te leggen, kon appellant niet volstaan met het machtigen van AFM om zelf de stukken op te vragen bij de BAVAM.

AFM heeft het bezwaar dan ook ongegrond verklaard.

3. De uitspraak van de rechtbank

De rechtbank heeft het beroep van appellant van 21 december 2007 ongegrond verklaard en daartoe, voor zover in hoger beroep van belang, het volgende overwogen.

Ten aanzien van de diploma-eisen overweegt de rechtbank dat gelet op artikel 2:83, eerste lid, onderdeel a van de Wft op appellant de verplichting rustte aan te tonen dat hij over de nodige deskundigheid beschikt met betrekking tot schadeverzekeringen en levensverzekeringen. Daartoe diende appellant gelet op artikel 38, eerste lid, onderdeel h, en het tweede lid, onderdeel a, sub 3, van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft (hierna: BMfo) gegevens over te leggen op basis waarvan AFM kan beoordelen of voldaan wordt aan hetgeen ingevolge artikel 4:9 van de Wft is bepaald met betrekking tot de deskundigheid en op te geven over welke diploma’s hij beschikt.

Uit de artikelen 5 en 171 van het Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (hierna: BGfo) en de daarbij behorende bijlagen B en F, volgt dat appellant over de nodige deskundigheid beschikt indien hij, ofwel hij het diploma Assurantiebemiddeling A dan wel het diploma Assurantiebemiddeling B heeft behaald. Het diploma Gevolmachtigd Agent is blijkens bijlage F uitsluitend relevant in combinatie met het diploma Assurantiebemiddeling A. Dat volgt eveneens uit de bijlage bij de Regeling aanwijzing diploma’s financiële dienstverlening Wft.

Appellant heeft bij zijn aanvraag op het betreffende aanvraagformulier achter deskundigheidsbewijs 1 en 2 respectievelijk aangeklikt Assurantiebemiddeling A - SEA en Gevolmachtigde Agent - SEA.

Bij de beoordeling of appellant heeft aangetoond het diploma Assurantiebemiddeling A dan wel de voorganger ‘Assurantiebezorger A’ te hebben behaald, stelt de rechtbank voorop dat uit artikel 38, eerste lid, onderdeel h, van het BMfo niet volgt dat hij hier uitsluitend aan kan voldoen door (een kopie van) het diploma over te leggen. Appellant heeft aangevoerd dat het door hem in een ver verleden behaalde diploma is zoekgeraakt, maar dat het hebben behaald van het diploma Gevolmachtigd Agent betekent dat hij ook het diploma ‘Assurantiebezorger A’ moet hebben behaald, omdat het beschikken over dat diploma een voorwaarde is om het diploma Gevolmachtigd Agent te kunnen verkrijgen. Voorts heeft appellant aangevoerd dat zijn inschrijving destijds bij de SER in register A betekende dat hij destijds over het diploma ‘Assurantiebezorger A’ moet hebben beschikt.

Appellant heeft in het kader van de aanvraag een afschrift van het op 25 mei 1987 door hem bij SEA behaalde diploma Gevolmachtigd Agent overgelegd. Tussen de door eiser in beroep overlegde stukken bevindt zich een brief van de SER van 12 mei 1987 waarin zijn voorlopige inschrijving in het bij de Wet assurantiebemiddeling ingestelde register A wordt vermeld onder de toevoeging dat deze inschrijving en voorlopig karakter heeft, welk voorlopig karakter komt te vervallen nadat een fotokopie van het door eiser behaalde diploma ‘Assurantiebezorger A’ door eiser is toegezonden, welk diploma binnen veertien dagen na de officiële uitreiking daarvan moet worden toegezonden. Voorts is door appellant een bewijs van de bedoelde voorlopige inschrijving gedateerd op 6 mei 1987 overgelegd, alsmede een op 27 mei 1987 gedateerd ‘Bewijs van inschrijving in Register A’.

Hoewel appellant hiermee op zich een begin van bewijs heeft geleverd dat hij inderdaad het diploma ‘Assurantiebezorger A’ heeft behaald, staat daarmee niet onomstotelijk vast dat hij het betreffende diploma daadwerkelijk heeft behaald. De AFM heeft in dit verband onder meer betoogd dat op 17 augustus 2006 de samengestelde lijst van de Stichting Examens Financiële Dienstverlening (hierna: SEFD) – de naamsopvolger van SEA – is geraadpleegd en daarbij op naam van appellant geen vermelding van enig diploma (buiten dat van Gevolmachtigd Agent) heeft aangetroffen. Ten slotte is ter zitting gesteld dat op 17 september 2008 telefonische navraag bij SEFD leerde dat als toelatingseis voor het examen voor het diploma Gevolmachtigd Agent niet gold dat men ook het diploma Assurantiebemiddeling A moest hebben behaald.

De rechtbank ziet geen aanleiding te twijfelen aan hetgeen van de zijde van de AFM ter zitting is verklaard, terwijl appellant het bewijsrisico draagt. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat eiser niet heeft aangetoond over de nodige deskundigheid te beschikken met betrekking tot schadeverzekeringen en levensverzekeringen. Nu dit reeds de verlening van de boogde vergunning in de weg staat, laat de rechtbank in het midden of appellant heeft voldaan aan het vereiste van artikel 2:83, eerste lid, onderdeel a van de Wft gelezen in samenhang met artikel 38, eerste lid, onderdeel m, van het BMfo door alsnog in beroep de nodige stukken ter zake de door hem afgesloten beroepsaansprakelijkheidsverzekering over te leggen.

4. De standpunten van partijen in hoger beroep

4.1 Appellant betoogt ook in hoger beroep dat AFM ten onrechte zijn aanvraag om een vergunning, zoals bedoeld in (thans) artikel 2:80 van de Wet op het financieel toezicht (Wft), heeft afgewezen omdat hij niet zou hebben aangetoond te voldoen aan de eisen met betrekking tot de vakbekwaamheid en met betrekking tot een beroepsaansprakelijkheids-verzekering. Appellant voert in de eerste plaats aan dat AFM op grond van de door hem op het aanvraagformulier verleende machtigingen de Stichting Examens Financiële Dienstverlening (SEFD) had kunnen en moeten raadplegen om vast te stellen dat hij wel degelijk beschikte over de relevante diploma’s en dat AFM zich had kunnen en moeten wenden tot de verzekeraar BAVAM in verband met zijn beroepsaansprakelijkheids-verzekering. Hij betoogt voorts dat het bestaan van het diploma Assurantiebezorger A is bewezen door het feit dat hij is ingeschreven in Register A van de SER en dat hij in hoger beroep ook heeft aangetoond dat hij het diploma Assurantiebezorger A heeft behaald door een kopie van het diploma over te leggen. Ten slotte voert hij aan dat hij in de procedure bij de rechtbank wél heeft aangetoond dat hij over een beroepsaansprakelijkheids-verzekering beschikt.

Appellant verzoekt voorts vergoeding van zijn materiële en immateriële schade, beide begroot op een bedrag van € 25.000,--. Hij voert verder nog aan dat mr. Van den Ing niet bevoegd was om tijdens de zitting bij de rechtbank op te treden als gemachtigde van AFM.

4.2 AFM handhaaft in hoger beroep haar standpunt dat appellant tijdens de aanvraagprocedure niet heeft voldaan aan zijn verplichting om aan te tonen dat hij beschikte over enerzijds een toereikend diploma en anderzijds een beroepsaansprakelijkheidsverzekering. AFM betoogt voorts dat de in beroep en hoger beroep door appellant overgelegde stukken bij de beoordeling geen rol kunnen spelen, gelet op de toetsing ex tunc van de bestuursrechter.

5. De beoordeling van het geschil

5.1 Het geschil in hoger beroep is beperkt tot de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant niet heeft aangetoond over de nodige deskundigheid te beschikken met betrekking tot schadeverzekeringen en levensverzekeringen, zodat reeds daarom de gevraagde vergunning moet worden geweigerd.

Het College beantwoord deze vraag bevestigend en overweegt daartoe als volgt.

Artikel 4:2, tweede lid, Awb bepaalt dat de aanvrager (…) de gegevens en bescheiden verschaft die voor de beslissing op de aanvraag nodig zijn en waarover hij redelijkerwijs de beschikking kan krijgen. Bij en krachtens de Wft is bepaald aan welke eisen dient te worden voldaan voor verlening van een vergunning voor bemiddelingsactiviteiten (artikelen 2:83, eerste lid, 4:9 en 4:75 Wft) en is nader uitgewerkt welke gegevens en bescheiden nodig zijn voor een beslissing op een vergunningsaanvraag (artikel 2:83, tweede lid, Wft, artikel 38 van het Besluit Markttoegang financiële ondernemingen Wft (BMfo), de artikelen 6 en 171 Besluit Gedragstoezicht financiële ondernemingen Wft (BGfo) en de Regeling aanwijzing diploma’s financiële dienstverlening).

5.2. Het College is met de rechtbank van oordeel dat appellant in het kader van zijn aanvraag om een vergunning niet heeft aangetoond dat hij voldeed aan de krachtens artikel 2:83 van de Wft gestelde eisen met betrekking tot de vakbekwaamheid als bedoeld in artikel 4:9, tweede lid, van de Wft. Weliswaar heeft appellant desgevraagd een afschrift verstrekt van zijn diploma Gevolmachtigd Agent en heeft hij (in de bezwaarprocedure) tevens gewezen op zijn inschrijving in register A van de SER, maar AFM heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat deze gegevens niet zonder meer aantonen dat hij beschikt over het door hem op het aanvraagformulier vermelde diploma Assurantiebemiddeling A. Gebleken is dat AFM zich tijdens de aanvraagprocedure heeft gewend tot SEFD met de vraag of appellant over het diploma Assurantiebemiddeling A beschikte, maar dat SEFD deze vraag niet bevestigend heeft kunnen beantwoorden. De omstandigheid dat AFM zich tot SEFD heeft gewend doet echter niet af aan de verplichting van appellant om aan te tonen dat hij voldeed aan de eisen ten aanzien van de vakbekwaamheid. Niet valt in te zien waarom appellant de gevraagde gegevens niet zelf eerder (bij de SER of de SEFD) heeft opgevraagd en aan AFM heeft verstrekt.

5.3. Ook ten aanzien van de gegevens omtrent de beroepsaansprakelijkheidsverzekering geldt dat appellant in gebreke is gebleven deze aan AFM te verstrekken. Daarbij wordt opgemerkt dat uit de machtiging die appellant aan de AFM heeft verleend om informatie en gegevens van BAVAM in te zien, niet kan worden afgeleid dat appellant niet zelf de gevraagde gegevens dient aan te dragen. Ook kan dit, anders dan door appellant gesteld, niet worden afgeleid uit bladzijde 14 van de Handleiding bij het aanvraagformulier. Op deze bladzijde is bij vraag 4b aangegeven dat in bepaalde gevallen (te weten een verzekering via SII Assuradeuren, Nassau verzekering Maatschappij of andere aanbieders zoals bedoeld in vraag 4b) een kopie van de polis en bewijs van premiebetalingen aan AFM dienen te worden gezonden. Uit de toelichting vloeit echter niet voort dat deze gegevens in de andere gevallen, waaronder een verzekering bij BAVAM, niet desgevraagd en in overeenstemming met het bepaalde in artikel 38, eerste 1, aanhef en onder m van het BMfo, alsmede artikel 4:2 van de Awb, aan AFM dienen te worden verstrekt. Ook hier geldt dat niet kan worden ingezien waarom appellant AFM niet eerder heeft voorzien van de gevraagde gegevens.

5.4. Zoals hiervoor is overwogen, heeft appellant in beroep en in hoger beroep nadere stukken overgelegd met betrekking tot zijn beroepsaansprakelijkheidsverzekering, respectievelijk zijn diploma Assurantiebezorger A. Deze nadere stukken kunnen echter niet afdoen aan de juistheid van het oordeel van de rechtbank dat AFM de aanvraag van de vergunning terecht heeft afgewezen. De procedure voor het aanvragen van een vergunning krachtens de Wft is betrekkelijk strikt en gedetailleerd omschreven. Op de aanvrager rust de verantwoordelijkheid voor het verstrekken van de gevraagde informatie. In het onderhavige geval heeft AFM appellant er herhaaldelijk op gewezen dat hij nadere gegevens en bescheiden diende te verstrekken. Het karakter van de aanvraagprocedure en de eisen van een goede procesorde brengen naar het oordeel van het College mee dat de verstrekking van gegevens, die voor het nemen van een besluit op een aanvraag voor een vergunning krachtens de Wft noodzakelijk zijn, in beginsel, behoudens bijzondere omstandigheden, in de bestuurlijke besluitvormingsfase dient te geschieden, dat wil zeggen uiterlijk tijdens de bezwaarprocedure. In dit geval is van bijzondere omstandigheden echter niet gebleken. Zoals hiervoor is overwogen, kan niet worden ingezien waarom appellant de gevraagde gegevens en bescheiden niet eerder heeft verstrekt.

5.5. Appellant heeft tijdens de zitting zijn grief, dat mr. Van den Ing niet bevoegd was om tijdens de zitting bij de rechtbank op te treden als gemachtigde van AFM, ingetrokken. Deze beroepsgrond behoeft daarom geen behandeling meer.

5.6. De slotsom luidt dat het hoger beroep ongegrond is. Dit brengt mee dat ook het verzoek tot schadevergoeding op grond van artikel 8:73 Awb wordt afgewezen. De bestreden uitspraak van de rechtbank zal worden bevestigd. Het College ziet geen aanleiding voor een kostenveroordeling.

6. De beslissing

Het College:

- bevestigt de bestreden uitspraak.

Aldus gewezen door mr. E.R. Eggeraat, mr. M. van Duuren en mr. W.A.J. van Lierop, in tegenwoordigheid van mr. A. Graefe als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. A. Graefe