Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BN4357

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
18-08-2010
Zaaknummer
AWB 08/179
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Eerste en enige aanleg
Inhoudsindicatie

Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 08/179 8 juli 2010

5101 Regeling GLB-inkomenssteun 2006

Uitspraak in de zaak van:

A, te B, appellante,

gemachtigde: C te B,

tegen

de Minister van Landbouw, Natuur en Voedselkwaliteit, verweerder,

gemachtigde: mr. M.A.G. van Leeuwen, werkzaam bij verweerders Dienst Regelingen.

1. De procedure

Appellante heeft bij brief van 25 februari 2008, bij het College binnengekomen op 4 maart 2008, beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 22 januari 2008.

Bij dit besluit heeft verweerder beslist op het bezwaar van appellante tegen een besluit van 14 november 2007, waarbij verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2006 op grond van de Regeling GLB-inkomenssteun 2006 heeft vastgesteld op € 0,00.

Bij brief van 25 april 2008 heeft verweerder een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd.

Op 14 april 2010 heeft het onderzoek ter zitting plaatsgehad, waarbij partijen hun standpunt hebben toegelicht bij monde van hun gemachtigden.

2. De beoordeling van het geschil

2.1 Bij besluit van 14 november 2007 heeft verweerder de bedrijfstoeslag van appellante voor het jaar 2006 vastgesteld op € 0,00. Bij het bestreden besluit is het bezwaar van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.

2.2 Appellante heeft, samengevat weergegeven, het volgende tegen het bestreden besluit aangevoerd.

Appellante is in 2002 met haar bedrijf gestart. In dat jaar hield zij 25 stieren, waarmee zij 15 grootvee-eenheden (hierna: GVE) benutte.

Appellante heeft in april 2006 een Overzicht voorlopige toeslagrechten ontvangen waarbij haar voorlopig referentiebedrag werd bepaald op € 5250.-- en waarin vermeld staat dat zij geen bedrijfstoeslagareaal heeft. In dat overzicht is tevens aangegeven dat de referentiejaren 2000 en 2001 niet worden meegeteld als gevolg van de indicatie starter. Nergens werd melding gemaakt van de wijze waarop verweerder de in artikel 49, tweede lid van Verordening (EG) nr. 1782/2003 neergelegde eis uitlegde dat zij, als houdster van toeslagrechten met bijzondere voorwaarden, minstens 50 % diende te handhaven van de tijdens de referentieperiode uitgeoefende landbouwactiviteit, dit uitgedrukt in GVE’s. Evenmin staat hierin vermeld dat haar toeslagrechten zullen worden toegekend uit de nationale reserve.

In de op 15 mei 2006 bij verweerder ontvangen Gecombineerde opgave 2006 heeft appellante aangegeven dat zij haar toeslagrechten met speciale voorwaarden onder de speciale voorwaarden wenst te gebruiken.

Appellante stelt dat zij, nu zij pas bij besluit van 13 september 2006 definitief vernam dat voor haar 2 toeslagrechten met speciale voorwaarden met een totale waarde van € 5.236,88 waren vastgesteld, op het moment dat zij de Gecombineerde Opgave invulde mocht uitgaan van het volgende:

Door haar werden in het jaar 2002 met 25 stieren 15 grootvee-eenheden (hierna: GVE) benut. Gedeeld over de drie referentiejaren gebruikte zij dus 5 GVE per jaar. Nu zij in 2006 over 4,5 GVE beschikte (zij hield in 2006 30 schapen à 0.15 GVE aan) meende zij te voldoen aan de in artikel 49, tweede lid van Verordening (EG) nr. 1782/2003 neergelegde 50 % eis.

Verweerders besluit dat niet voldaan wordt aan de 50 % eis komt er op neer dat appellante bij haar in 2005 gestarte bedrijfsplanning voor het jaar 2006 rekening diende te houden met een haar niet bekende uitleg van de 50 % eis, terwijl zij nog niet eens op de hoogte was van de definitieve vaststelling van haar toeslagrechten. Bovendien was zij er niet van op de hoogte dat haar toeslagrechten afkomstig waren uit de nationale reserve en dat deze dus, bij niet gebruik in 2006, onmiddellijk zouden terugvallen aan de nationale reserve. Appellante acht dit alles onaanvaardbaar en zij meent dat verweerder alsnog haar bedrijfstoeslag 2006 dient uit te betalen.

Verder merkt appellante op dat zij getracht heeft haar toeslagrechten over te dragen; dat die overdracht aanvankelijk onder voorbehoud werd goedgekeurd, maar dat in een later stadium alsnog niet tot registratie van de overdracht is overgegaan. Het gevolg daarvan is dat appellante met een schadeclaim is geconfronteerd door degene aan wie zij haar rechten wilde overdragen.

Appellante meent dat er, ondanks veel verzoeken van haar kant om duidelijkheid te verkrijgen, sprake is van onvoldoende voorlichting van de zijde van verweerder.

Tenslotte wijst appellante er op dat zij, toen haar toeslagrechten bleken te zijn vervallen gebruik heeft kunnen maken van een coulance-regeling waarbij zij de vervallen rechten op de vrije markt tegen marktwaarde op kosten van verweerder weer kon kopen. Door deze coulance-regeling aan te bieden geeft verweerder in feite toe dat de wijze waarop hij is omgegaan met de aan appellante toegekende toeslagrechten onjuist is geweest.

2.3 Verweerder heeft appellante, omdat zij in 2002 is gestart met haar activiteiten als landbouwer, met het in april 2006 toegezonden Overzicht voorlopige toeslagrechten meegedeeld dat zij is aangemerkt als starter; haar referentiebedrag en –areaal zouden uitsluitend gebaseerd worden op de gegevens uit 2002. Het aantal GVE’s dat aangehouden moet worden in verband met de 50% eis van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 wordt dan berekend op uitsluitend de gegevens uit 2002. Hiermee wordt recht gedaan aan de voorwaarde dat minimaal 50 % van de tijdens de referentieperiode uitgeoefende landbouwactiviteit gehandhaafd blijft. Appellantes uitleg van deze eis zou betekenen dat een landbouwer die gedurende alle jaren 25 stieren had minimaal 7,5 GVE diende aan te houden en appellante die slechts 1 jaar 25 stieren had slechts 5 GVE. Dat zou dus tot ongelijkheid leiden. Het referentiebedrag is voor beiden gelijk, dan dient ook de GVE-referentiewaarde voor beiden gelijk te zijn.

Nu appellante op grond van artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 minimaal 7,5 GVE had moeten aanhouden in 2006 en zij slechts 4,5 GVE heeft aangehouden, heeft verweerder moeten vaststellen dat zij niet aan de 50% eis heeft voldaan. Derhalve is de aanvraag bedrijfstoeslag 2006 terecht afgewezen. Nu de aan appellante als starter toegekende twee toeslagrechten op grond van artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1782/2003 afkomstig zijn uit de nationale reserve, zijn deze rechten van rechtswege vervallen omdat zij in 2006 niet zijn benut.

Het betoog van appellante dat zij in haar bedrijfsplanning geen rekening kon houden met haar pas in september 2006 definitief toegekende toeslagrechten kan niet slagen. In artikel 12, vierde lid van Verordening (EG) nr. 795/2004 is bepaald dat in het eerste jaar van toepassing van de bedrijfstoeslagregeling toe te wijzen toeslagrechten slechts definitief worden vastgesteld, indien een aanvraag toeslagrechten is ingediend. In dit artikel is vervolgens bepaald dat de landbouwer, onder voorbehoud van de definitieve vaststelling van zijn toeslagrechten, een aanvraag in het kader van de bedrijfstoeslagregeling kan indienen op basis van zijn voorlopige toeslagrechten. Appellante wist overigens, gelet op het overzicht geregistreerde toeslagrechten dat haar op 27 maart 2006 werd toegezonden, op die datum reeds dat zij als starter mocht rekenen op toeslagrechten met speciale voorwaarden gebaseerd op uitsluitend de referentiegegevens uit 2002. De definitieve vaststelling van haar toeslagrechten op 13 september 2006 week hiervan niet af.

Dat appellante niet wist dat de haar als starter toegekende toeslagrechten uit de nationale reserve afkomstig waren, weshalve zij deze rechten weer kwijt zou raken bij niet gebruik in 2006, kan haar niet baten. Van een landbouwer mag worden verwacht dat hij zich tevoren op de hoogte stelt van de toepasselijke regelgeving.

2.4 Het College overweegt als volgt.

2.4.1 Het College stelt vast dat het beroep zich allereerst richt tegen verweerders besluit, gehandhaafd bij besluit van 22 januari 2008, om appellante geen bedrijfstoeslag over het jaar 2006 toe te kennen, omdat appellante niet heeft voldaan aan de 50 % eis, neergelegd in artikel 49 van Verordening (EG) nr. 1782/2003. Het College overweegt daaromtrent als volgt.

Verweerder heeft appellante bij het Overzicht voorlopige toeslagrechten van april 2006 meegedeeld dat zij als starter is erkend en dat haar toeslagrechten zullen worden vastgesteld op uitsluitend de referentiegegevens uit het jaar 2002. Als bedrijfstoeslagareaal vermeldt het overzicht 0 ha. Appellante kon uit het ontbreken van bedrijfstoeslagareaal afleiden dat zij in aanmerking zou komen voor toeslagrechten met speciale voorwaarden. Kennelijk heeft zij dat ook begrepen, want in de Gecombineerde opgave 2006 heeft zij verzocht om haar toeslagrechten met speciale voorwaarden onder de speciale voorwaarden uit te betalen.

Voor landbouwers met toeslagrechten met speciale voorwaarden bepaalt artikel 49, tweede lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 dat zij jaarlijks minstens 50 % dienen te handhaven van de tijdens de referentieperiode uitgeoefende landbouwactiviteit, uitgedrukt in GVE’s. In de situatie van appellante, voor wie als starter uitsluitend de gegevens uit het jaar 2002 zullen worden gebruikt, betekent dit dat ook de GVE-referentiewaarde gebaseerd zal moeten worden op het jaar 2002. Het betoog van appellante dat zij er van mocht uitgaan dat de GVE-referentie gebaseerd zou worden op het gemiddeld aantal GVE’s gedurende de drie referentiejaren kan niet slagen. Uit artikel 3, eerste lid, gelezen in samenhang met de artikelen 43, eerste lid, en 49, tweede lid, van Verordening (EG) 1782/2003 volgt dat, aangezien appellante in 2000 en 2001 geen landbouwactiviteit heeft uitgeoefend, voor de rechten met speciale voorwaarden de GVE-referentie dient te worden bepaald aan de hand van de gegevens uit 2002. Het College voegt hier aan toe dat het, indien appellante hierover in onzekerheid verkeerde, het op haar weg had gelegen om bij verweerder navraag te doen omtrent de juistheid van haar veronderstelling.

Het College stelt vast dat verweerder, nu appellante in het voor haar geldende referentiejaar 2002 over 25 stieren en dus 15 GVE beschikte, op goede gronden er van uit is gegaan dat appellante in 2006 over minimaal 7,5 GVE diende te beschikken om aan de 50% eis te kunnen voldoen. Appellante beschikte in 2006 over 30 schapen en dus 4,5 GVE, waarmee zij niet heeft voldaan aan de 50 % eis. Verweerder heeft de aanvraag bedrijfstoeslag derhalve terecht afgewezen.

Appellantes betoog dat zij ten tijde van het invullen van de Gecombineerde opgave nog geen definitief vastgestelde toeslagrechten had en dat zij bij haar bedrijfsplanning geen rekening kon houden met toeslagrechten die toen nog niet waren toegekend gaat er aan voorbij dat zij ook blijkens die Gecombineerde opgave wel al wist dat haar toeslagrechten met speciale voorwaarden zouden worden toegekend.

Ook de omstandigheid dat appellante niet wist dat haar erkenning als starter inhield dat haar toeslagrechten zouden worden toegekend uit de nationale reserve kan haar niet baten. Van een landbouwer mag immers verwacht worden dat hij zich informeert over de voorwaarden die gelden voor deelname aan de bedrijfstoeslagregeling.

Slotsom is dat verweerder op goede gronden aan appellante voor het jaar 2006 geen bedrijfstoeslag heeft toegekend. Als gevolg daarvan zijn op grond van artikel 42, achtste lid, van Verordening (EG) nr. 1782/2003 de twee voor appellante vastgestelde toeslagrechten vanwege niet benutting vervallen.

Het College heeft in zijn uitspraak van 8 april 2010, gewezen onder nummer AWB 08/755 (www.rechtspraak.nl, LJN BM3291), geoordeeld dat het vervallen van toeslagrechten aan de nationale reserve niet van rechtswege plaatsvindt maar dat daarvoor een apart besluit vereist is. Voor zover het College is kunnen blijken is tegen het terzake door verweerder genomen besluit van 10 juni 2008 geen bezwaar gemaakt door appellante. Bijgevolg ligt er ook geen voor beroep vatbaar besluit voor, waartegen appellante in haar beroepschrift beroep heeft ingesteld. Het College zal daarom in het kader van dit beroep niet verder ingaan op hetgeen appellante heeft aangevoerd over het vervallen van haar toeslagrechten.

2.4.2 Verweerder heeft op 21 maart 2007 een melding “overdragen toeslagrechten” van appellante ontvangen. Bij deze melding heeft appellante één van haar twee toeslagrechten met speciale voorwaarden willen overdragen. Na registratie onder voorbehoud heeft verweerder deze melding uiteindelijk niet geregistreerd. Uit de door partijen overgelegde stukken is niet gebleken dat met betrekking tot het besluit tot niet registratie een bezwaarschrift is ingediend. Derhalve is er terzake ook geen bij het College beroepbaar besluit, zodat de besluitvorming met betrekking tot de overdracht van toeslagrechten in het kader van het voorliggend beroep niet aan de orde kan komen.

2.4.3 Het voorgaande leidt tot de slotsom dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard. Het College ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op de voet van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

7. De beslissing

Het College verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gewezen door mr. C.M. Wolters, mr. R.F.B. van Zutphen en mr. H.S.J. Albers, in tegenwoordigheid van mr. F.W. du Marchie Sarvaas als griffier, en uitgesproken in het openbaar op 8 juli 2010.

w.g. C.M. Wolters w.g. F.W. du Marchie Sarvaas