Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:CBB:2010:BN1294

Instantie
College van Beroep voor het bedrijfsleven
Datum uitspraak
17-05-2010
Datum publicatie
07-02-2014
Zaaknummer
13950
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Wet tarieven gezondheidszorg, Awb art. 8:29

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2010/81
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

College van Beroep voor het bedrijfsleven

AWB 10/198 17 mei 2010

13950

Beslissing op grond van artikel 8:29, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in de zaak van:

Thuiszorg Service Nederland B.V., te Almelo, en Stichting Thuiszorgservice Groningen, te Groningen, appellanten,

gemachtigden: mr. S. Verschuur en mr. B. Nijhof, beiden advocaat te Enschede,

tegen

Nederlandse Zorgautoriteit, verweerster,

gemachtigde: mr. G.R.J. de Groot, advocaat te Den Haag.

Aan het geding nemen tevens als partij deel:

1. Stichting Continuering Uitvoering AWBZ en Wmo Groningente Groningen (hierna: TZG),
gemachtigde: prof. mr. J.G. Sijmons, advocaat te Zwolle.

2. Stichting Continuering Uitvoering AWBZ Westte Den Haag (hierna: HWW).

1 Het procesverloop

Bij besluit van 11 februari 2010 heeft verweerster de door appellanten gemaakte bezwaren tegen een besluit van 27 november 2009 tot steunverlening inzake TZG, inclusief een tariefbeschikking van 16 december 2009 met kenmerk 650-8805-09-4, en tegen een besluit van 27 november 2009 tot steunverlening inzake HWW, inclusief een tariefbeschikking van 16 december 2009 met kenmerk 650-8804-09-4, deels gegrond en deels ongegrond verklaard.

Tegen het besluit van 11 februari 2010 hebben appellanten bij brief van 26 februari 2010, bij het College ingekomen op 1 maart 2010, beroep ingesteld.

Bij griffiersbrieven van 18 maart 2010 en 12 mei 2010 is respectievelijk TZG en HWW medegedeeld dat zij als partij aan het geding kunnen deelnemen.

Bij brief van 27 april 2010 heeft verweerster de op de zaak betrekking hebbende stukken ingediend en met verwijzing naar artikel 8:29 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) gemotiveerd medegedeeld dat uitsluitend het College kennis zal mogen nemen van de bijlagen 51, 52 en 55.

De zaken zijn ten behoeve van de beslissing op het verzoek om toepassing van artikel 8:29, derde lid, Awb door een meervoudige kamer van het College verwezen naar een enkelvoudige kamer.

2 De beoordeling van het geschil

2.1

Ingevolge het bepaalde bij artikel 22, eerste lid, van de Wet bestuursrechtspraak bedrijfsorganisatie juncto artikel 8:29, eerste lid, Awb, voor zover hier van belang, kunnen partijen die verplicht zijn stukken over te leggen, indien daarvoor gewichtige redenen zijn, het College mededelen dat uitsluitend het College van die stukken kennis zal mogen nemen. Ingevolge het tweede lid van artikel 8:29 Awb zijn gewichtige redenen voor een bestuursorgaan in ieder geval niet aanwezig, voor zover ingevolge de Wet openbaarheid van bestuur de verplichting zou bestaan een verzoek om informatie, vervat in de over te leggen stukken, in te willigen. Uit het derde lid van artikel 8:29 Awb volgt dat het College beslist of de beperking van de kennisneming gerechtvaardigd is.

2.2

De door het College te nemen beslissing inzake de beperking van kennisneming in beroep vergt een afweging van belangen. Enerzijds zijn hierbij aan de orde het belang dat partijen gelijkelijk beschikken over de voor de beoordeling van het beroep relevante informatie en het belang dat het College beschikt over alle informatie die nodig is om de zaak op een juiste en zorgvuldige wijze af te doen. Anderzijds speelt een rol dat openbaarmaking van bepaalde gegevens het belang van een of meer partijen onevenredig kan schaden, terwijl verweerster er belang bij heeft ook in de toekomst de informatie, waaronder concurrentiegevoelige gegevens, aangeleverd te krijgen die zij voor een goede uitoefening van haar taken nodig heeft.

2.3

Hetgeen verweerster ter motivering van haar beroep op artikel 8:29, derde lid, Awb heeft aangevoerd, brengt het College tot het oordeel dat beperking van de kennisneming in beroep van de bijlagen 51, 52 en 55 gerechtvaardigd is. De in deze stukken vervatte informatie geeft inzicht in de marktstrategie van TZG en HWW. Deze informatie is derhalve bedrijfsvertrouwelijk en concurrentiegevoelig, terwijl deze informatie voor de partijen die er niet over beschikken niet noodzakelijk is om hun belangen naar behoren te kunnen bepleiten.

2.4

Het College verzoekt partijen om binnen twee weken schriftelijk kenbaar te maken of zij ermee instemmen dat het College mede op grondslag van de bijlagen 51, 52 en 55 uitspraak doet op het beroep. Het College overweegt overigens dat artikel 8:29, vijfde lid, Awb, blijkens de wetsgeschiedenis ertoe strekt dat de bestuursrechter niet tegen de wil van partijen uitspraak doet op grondslag van de stukken die zij niet kennen. Het toestemmingsvereiste geldt derhalve niet ten aanzien van een partij die de stukken al kent.

3 De beslissing

Het College:

- beslist dat beperking van de kennisneming van de bijlagen 51, 52 en 55 gerechtvaardigd is;

- verzoekt partijen om binnen twee weken schriftelijk aan het College kenbaar te maken of zij ermee instemmen dat het College mede op grondslag van de bijlagen 51, 52 en 55 uitspraak doet op het beroep.

Aldus gegeven door mr. E.R. Eggeraat, in tegenwoordigheid van mr. M.B.L. van der Weele als griffier op 17 mei 2010.

w.g. E.R. Eggeraat w.g. M.B.L. van der Weele